zaterdag 30 augustus 2008

Jan Goossens, zoon van Paul

.

Geert Van Istendael is in paniek en we zullen het geweten hebben: 'De sluier is onderdrukking. Machistische onderdrukking.' Voorts hebben ook 'jonge Belgen' van 'progressieve, linkse overtuiging' boter op hun hoofd, omdat ze, 'onnozel als ze zijn', de hoofddoek verdedigen. Echt opvallend is vooral dat Van Istendael zich er in zijn stuk 'Het masker van de dwang' (DS 23 augustus) op onmiskenbaar dwingende wijze toe beperkt problemen aan te kaarten en tegenstellingen op de spits te drijven, zonder zelfs maar een begin van een oplossing aan te dragen. Hij hanteert een uitgesproken verdeelstrategie: de islam en de Europese seculiere democratie worden als vreemde en voor eeuwig onverzoenbare blokken tegenover elkaar geplaatst. En op jammerlijk paternalistische wijze zet hij zichzelf en een deel van zijn generatie tegenover de 'naïeve, hoogopgeleide, zichzelf als links en progressief inschattende' jonge Belgen voor wie er 'geen enkel excuus' bestaat als ze niet tegen de sluier ten strijde trekken. Tja, wie klinkt hier als een dwingeland?
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat Van Istendaels stuk evenveel, zoniet meer, zegt over zijn blijkbaar traumatiserende opvoeding door katholieke nonnen als over de door hem zo verafschuwde sluier. In elk geval vind ik in zijn cassante tekst niets dat ook maar in de verste verte lijkt op een pragmatische bijdrage tot een gezamenlijke toekomst voor mensen en gemeenschappen met verschillende culturele en religieuze achtergronden, die wel allemaal Brusselaar en/of Belg zijn en 'gedoemd' om met elkaar samen te leven.
Ik zou me zonder twijfel aangesproken moeten voelen door Van Istendaels stuk. Ik ben immers hoogopgeleid, beschouw mezelf als progressief en voel niet de minste behoefte om van de Brusselse daken te schreeuwen dat de hoofddoek altijd weer voor vrouwenonderdrukking zorgt in deze stad. Ik denk echter dat we vandaag belangrijker kopzorgen hebben in Brussel: gelijke kansen, goed onderwijs, werkelijk participatieve democratie, een minder giftige internationale context. Misschien zou het nuttiger zijn dat we ons boos maken en vragen stellen over de 20 procent werklozen en over het feit dat een Brusselaar op de vijf onder de armoedegrens leeft? En over het feit dat de meeste van die armen wonen in wijken met veel allochtonen die het nog altijd heel veel moeilijker hebben om aan een job te geraken? En is het niet bedroevend dat deze stad nog altijd de speelbal blijft van kortzichtige Vlaamse én Franstalige nationalisten die nog steeds niet door hebben dat zowat de helft van de Brusselse bevolking van allochtone origine is, terwijl die realiteit helemaal niet weerspiegeld wordt in de achterhaalde politieke structuren en beslissingsmechanismen?
Ten slotte maak ik me zeker zorgen over rabiaat onverzoenlijke opiniestukken waarin de islam wordt beschouwd als een fremdkörper dat volledig buiten en zelfs haaks op onze Europese traditie staat en dat eigenlijk altijd fundamentalistisch van aard is. En waarin de emancipatorische realisaties en groeikansen van jonge Belgische moslims niet alleen straal genegeerd worden, maar eigenlijk gewoon ontkend. Alsof de islam niet al sinds de 7de eeuw deel uitmaakt van onze Europese traditie, maar handig uit de meeste geschiedenisboeken is weggegomd. Alsof die islam geen verschillende stromingen kent en alsof het geloof van zeer vele moslims in Europa niet net zo goed gekleurd is door ons Europese samenlevingsmodel als dat van vele - maar zeker niet alle - katholieken. Alsof emancipatiegolven niet op de eerste plaats in beweging komen door opbouwende kritiek en contestatie van binnenuit, veel meer dan door onverbiddelijke criticasters aan de zijlijn.
Het is mijn voorrecht dat ik in mijn job geregeld in contact kom met jonge Belgen van Maghrebijnse afkomst, van wie sommigen gelovige moslims zijn, en anderen niet. Maar, ook al zijn ze dan niet in Frankrijk opgegroeid, geëmancipeerde, onafhankelijke en kritische geesten zijn het allemaal. Heeft Van Istendael ooit al een genuanceerd gesprek over de hoofddoek gevoerd met de vrij briljante KUL-sociologe Nadia Fadil, die niet moet onderdoen voor de door hem verafgode Rachida Dati? Heeft hij al eens van gedachten gewisseld met filosoof Tarik Fraihi en met UG-docent Sami Zemni over de zin en onzin van een 'Europese Islam'? Heeft hij al eens meegemaakt hoe Brussels stand-up comedian Sam Touzani na zijn voorstellingen harde gesprekken met bepaalde jongeren uit zijn gemeenschap aangaat, zonder hen ooit in het gezicht te hoeven smijten dat ze machistische onderdrukkers zijn? Die termen gebruik je enkel als je zogenaamde emancipatorische pleidooi de verborgen agenda maskeert dat je eigenlijk wil dat elke constructieve dialoog stopt.
Vrijzinnigen, katholieken, moslims en vele anderen kunnen niet anders dan in onze grote steden samenleven, of ze het nu willen of niet, zoals dat al heel lang het geval is. Daar is een gezonde dosis zelfkritiek voor nodig en open - en zonodig harde - dialoog. Uiteraard moet de scheiding van kerk en staat gevrijwaard blijven, ook al is het zeker niet alleen het legitieme en door Van Istendael aanbeden Franse model dat daartoe de garantie biedt. Maar het heeft geen enkele zin dat we onze tijd verliezen met symbooldiscussies, gebetonneerde standpunten en paternalistische retoriek die de clash of civilizations als een onvermijdelijke self-fulfilling prophesy over ons afroepen.
Alle respect voor Van Istendael, maar van een intellectueel van zijn kaliber had ik in een complexe en uitdagende stad als Brussel een visie verwacht die ons vooruit helpt en liefst ook een beetje dichter bij elkaar brengt. Het is best mogelijk dat we als jonge Belgen wel eens naïef uit de hoek komen en van de dialoog met voorgaande generaties valt er meestal iets op te steken. Maar de onverzoenlijke betweterigheid die andersdenkenden als 'onnozel' afschrijft en de moslims in onze steden en ons land als fremdkörper afschildert en hun aan de gang zijnde emancipatie niet steunt maar negeert, helpt ons geen meter vooruit. Na jaren in Brussel vind ik de hoofddoek allesbehalve 'exotisch' en heb ik geen enkele behoefte hem militant te verdedigen. Daarnaast levert het me in Brussel vandaag evenmin iets op om er rabiaat tegen te zijn. Eigenlijk kan die hoofddoek me gestolen worden. En de fatwa's tegen die hoofddoek van bange intellectuelen die ons een angstpsychose willen aanpraten al evenzeer. Nee, niet alle moslima's met hoofddoek zijn vandaag onderdrukte vrouwen die geen eigen keuzes kunnen maken. Het is niet aan die bange intellectuelen om agressief te roepen dat die hoofddoek uit het straatbeeld moet. En ja, er is plaats voor de islam in Europa, al was het maar omdat die er altijd geweest is. Wie de islam telkens weer herleidt tot de hoofddoek en bij die hoofddoek enkel aan 'machistische onderdrukking' kan denken, lijkt me zelf een dwingeland eerste klas.

Jan Goossens is artistiek leider van de KVS
.

vrijdag 29 augustus 2008

Trouw is een onafhankelijk blad !

.
(Wat van Vlaamse kranten natuurlijk nooit iemand zal beweren)


Welkom in de Kaukasus, waar niets simpel is

Jelle Brandt Corstius, Tschinvali

Twee weken na de aanvang van de oorlog in Zuid-Ossetië kan de balans worden opgemaakt. Het conflict is breed uitgemeten als het begin van een nieuwe Koude Oorlog. Dat geldt minder voor de mensen die het conflict hebben ondergaan. Een verslag uit Zuid-Ossetië, en de omstreden bufferzone.


Het zijn twee dorpen met twee tragedies, met een grens ertussen. Aan de ene kant van de grens ligt het dorp Getagoerovo, in Zuid-Ossetië, een provincie binnen Georgië die zich daarvan heeft afgescheiden in de jaren negentig. Alleen Rusland erkent Zuid-Ossetië voorlopig als onafhankelijke staat. Aan de andere kant van de grens, vier kilometer verder op de weg, ligt het dorp Dvani, in Georgië.

De nacht van 7 op 8 augustus, toen Georgië het mislukte offensief begon om Zuid-Ossetië weer onder controle te brengen, reden de Georgiërs bij Getagoerovo Zuid-Ossetië binnen. „Ik sliep al twee dagen met mijn kleren aan. Ik voelde dat het niet goed zat”, vertelt Aza Alborova, die er met haar man en twee zoontjes woont. In de avond van 7 augustus kwam een bekende van de lokale overheid langs om hen voor de oorlog te waarschuwen. Alborova slaagde erin om voor het offensief naar familieleden in Noord-Ossetië te vluchten. Dat is maar goed ook: een mortiergranaat blies het dak van hun huis. De inrichting is vernield door Georgische soldaten die er een paar dagen inkwartierden.

Intussen is de familie alweer teruggekeerd. Het dak repareren gaat veel tijd en geld kosten, en zij hebben geen van beide: „Ik moet er niet aan denken dat de winter begint”, vertelt Alborova.

Verderop woont het echtpaar Jefim Dzjoejev (83) en Varja Dzjoejeva (74). Alle ruiten van hun huis zijn gesprongen, in de muren zitten granaatscherven. Maar in ieder geval staat het dak nog op het huis. Zij zaten vier dagen in de schuilkelder. Jefim heeft zijn gevoel voor humor nog niet verloren, volgens hem zijn de Georgiërs de oorlog begonnen uit jaloezie op de schoonheid van Ossetische vrouwen. Varja kijkt verlegen. Ze vertelt dat zij in de communistische tijd als boekhouder op een sovchoze, een collectieve boerderij, werkte. „Daar werkten ook Georgiërs. Er waren geen vijandelijkheden. En nu blijken het opeens fascisten. Ik snap het niet”, vertelt ze.

Op het kruispunt zitten drie vrouwen boontjes te doppen. Een van hen, Ljana Kokojeva, vertelt dat een mortier hun schuilkelder is ingeslagen. Zij loopt naar haar huis, waar een man glas in een kruiwagen staat te scheppen. Er zit een rond gat in de muur van de kelder. Volgens Kokojeva sloeg de mortier in de ochtend van de 9de in. „Het is een vreselijk gevoel, dat je zelfs in een schuilkelder niet veilig bent”, zegt ze.

In het gebouwtje van de lokale overheid vertelt een medewerker dat tachtig procent van de huizen is verwoest, en dat 14 van de 1780 inwoners van het dorp zijn omgekomen. Door de glasloze ramen is te zien dat buiten zakken meel worden uitgedeeld door het Russische ministerie van noodsituaties.

De medewerker pakt een kaart uit de la en spreidt hem uit over de tafel. Het is een historische kaart van het rijk van de Alanen, van wie de Osseten naar eigen zeggen afstammen. Op het hoogtepunt strekte dat rijk zich uit van Frankrijk tot aan de Kaukasus. „Wij zijn het meeste land al kwijt. We hebben geen pretenties meer een wereldmacht te zijn, die tijd ligt achter ons. Het enige wat wij willen is dit kleine stukje land in de bergen”, vertelt hij.

Op de grens met Georgië staan Russische soldaten op wacht. De auto mag de grens niet over, dat weten ze zeker, maar te voet, dat weten ze eigenlijk niet. Zonder dat hij ook maar een paspoort hoeft te zien, escorteert een soldaat mij naar het eerste huis over de grens. Een oud vrouwtje staat bij het hek. Ik vraag haar of we nu in Georgië zijn. Zij kijkt verschrikt naar de Russische soldaat. „Je bent in Kartveli”, antwoordt ze, en doelt daarmee op de Georgische provincie. De Russische soldaten wonen tijdelijk bij haar in en het is duidelijk dat zij hen te vriend wil houden. Als ik zelf nog wat verder wil lopen moet ik zelf weten, maar de Russische soldaat gaat niet mee. „Ik zou het niet doen. Ze spreken geen Russisch en zijn gevaarlijk”, waarschuwt hij.

De gevaarlijke dorpelingen bestaan uit drie mannen die achter een biggetje aanrennen. Een van hen, Giorgi, vangt het dier bij zijn achterpoten en smijt hem over een hek. „Voor je het weet rent dit biggetje Zuid-Ossetië in, en dan zijn we hem kwijt”, vertelt Giorgi hijgend in het Russisch.

De twee andere mannen willen hun namen niet geven. De inwoners van Dvani leven nog steeds in angst. Sinds het eind van de mislukte oorlog maken zij deel uit van een door de Russen ingestelde bufferzone. Hierdoor hebben zij geen bescherming van de Georgische politie, en kunnen de Zuid-Osseten naar willekeur wraak nemen. Op 12 augustus kwamen Ossetische milities het dorp binnen en vluchtten de drie voor een paar dagen de bergen in.

Giorgi vertelt dat 33 gebouwen in het dorp zijn platgebrand, inclusief de school waar hij lesgeeft. Talloze andere huizen zijn beschadigd door Russisch mortiervuur.

Een man met ontbloot bovenlijf laat zijn huis zien dat compleet is afgebrand. Zijn bed staat tijdelijk op het erf, tussen de schuur en het afgebrande terras met wijnranken. Een koe likt verveeld aan de spijlen van het bed.

Hun vrouwen en kinderen zijn voorlopig gevlucht naar Tbilisi. „President Saakasjvili is een wijs man, en hij heeft veel goeds gedaan voor ons land. En natuurlijk is Zuid-Ossetië Georgisch, en zal het altijd Georgisch blijven. Maar hij had nooit Zuid-Ossetië binnen moeten vallen. Eerlijk gezegd houdt die politiek mij niet zo bezig. Ik denk nu alleen aan hoe ik de volgende dag overleef.”

Zoals dat gaat in oorlogstijd is het precieze aantal slachtoffers van deze oorlog onduidelijk, en doen de meest gruwelijke verhalen de ronde over zwangere vrouwen die door het Georgische leger zijn onthoofd.

Het dodental voor de slachtoffers aan Ossetische zijde loopt uiteen van 133 tot 2000. Alleen de verse graven zijn geschikt voor harde statistieken. Op de Schoeder-begraafplaats in Tschinvali liggen veertig graven, in de haast bedekt met steengruis en voorzien van een simpel houten kruis.

Op de begraafplaats van de nabijgelegen stad Tbet liggen nog eens veertien graven. Op een van de houten kruizen staat summier: ’Geboren in 1994’.

Verderop is Dmitri Dzjigojev het graf van zijn vrouw aan het fatsoeneren. Op zijn borstzakje heeft hij een foto van haar gespeld. Zij kwam om het leven bij een brand tijdens het bombardement van Tschinvali, vertelt Dzjigojev. Een buurman komt langs met een flesje wodka en sprenkelt wat drank over het graf. Hij hielp met het begraven, in het midden van de oorlog, op 10 augustus: „Daarom is dit graf zo rommelig. Wij zaten midden in de vuurlinie.”

Niet alleen het aantal doden, maar ook de mate van verwoesting is moeilijk in te schatten. Zo is het ’joodse kwartier’ in Tschinvali compleet met de grond gelijk gemaakt. Volgens de dakloze bewoners komt dit allemaal door het offensief van begin deze maand. Maar veel gebouwen zijn al in de oorlog van 1992 verwoest, getuige het mos en de plantjes die op de ruïnes wortel hebben geschoten.

In het joodse kwartier nodigt Armen Bibilov uit om de lunch te komen nuttigen. Aan een lange tafel zitten buren en vrienden uit de buurt. Het dak is provisorisch met plastic bedekt. Op tafel staan aardappels, eieren en djondjoli, een mengeling van ui, vlees en takjes met bonen.

Bibilov vertelt dat Osseten en Georgiërs vroeger wellicht in vrede leefden, maar dat onderhuids altijd minachting heerste bij de Georgiërs voor „die Osseten in de bergen”. Dertig jaar terug had Bibilov al het gevoel dat het een keertje mis zou gaan. Hij kan zich het moment nog precies herinneren. Hij was uitgenodigd bij zijn zwager, een Georgiër. Diens vader had op hem geproost „hoewel je een Osseet bent”.

De Georgiërs in Zuid-Ossetië worden overigens geen haar beter behandeld. Een Georgische minderheid, compleet met eigen parlement en president, woonde namelijk tot de oorlog in Zuid-Ossetië, dat op zijn beurt weer een etnische minderheid van Osseten vormt binnen Georgië: Welkom in de Kaukasus, waar niets simpel is.

Wat zich in de Georgische dorpen binnen Zuid-Ossetië precies heeft afgespeeld is onduidelijk: het gebied is niet open voor journalisten.

Atsabet is het enige dorp dat te bezichtigen ligt op de route van het Russische Vladikavkaz in het noorden. Maar de buschauffeur weigert om te stoppen. Vanuit het raam is te zien dat alle huizen zijn verwoest, sommige smeulen nog na. Op een kip na is er geen ziel te bekennen.

„Wij spelen hier een ongebruikelijke rol”, vertelt David-Pierre Marguet in het kantoor van het Rode Kruis in Tschinvali, op dit moment de enige niet-Russische ngo die hier is toegelaten.

„Rusland voorziet al in de humanitaire hulp. Onze taak is het beschermen van de Georgische minderheid.” Volgens Marguet zitten er 89 Georgiërs in de gevangenis van Tschinvali. Ze zitten daar voor hun eigen veiligheid, het gevaar te worden gelyncht door Osseten is te groot, vertelt hij.

„De haat zit nog diep bij de Osseten. Drie dagen geleden kregen wij toestemming om de lichamen van 45 Georgische soldaten op te graven in een Ossetisch dorp. Uiteindelijk ging het niet door, toen kwade dorpelingen ons met geweren het dorp uit jaagden.”

Door de rampzalige oorlog van begin augustus zit verbroedering van de twee volken er niet meer in. In het Georgische dorp Dvani plukte de man met ontbloot bovenlijf een paar kilo nectarine en pruimen voor zijn gast uit het Westen. Op het initiatief om de vruchten cadeau te geven aan de dorpelingen van Getagoerovo aan de andere kant van de grens reageert de man lauwtjes: „Ik houd je niet tegen.”

In Getagoerovo moet niemand iets weten van de fantastisch geurende vruchten uit Georgië. Alleen een jongen van veertien pakt er een. „Een nectarine is een nectarine”, is zijn conclusie.

Ossetië en Russenliefde

In het geopolitieke geweld is het voor westerlingen soms moeilijk te begrijpen waarom de Osseten blij zijn met de komst van Russische tanks. Voor een groot deel ligt de verklaring in de gebeurtenissen van begin jaren negentig. Na de val van de Sovjet-Unië grepen de Georgiërs hun kans op onafhankelijkheid, maar ook de Zuid-Osseten. Dat was tegen de zin van de toenmalige Georgische president, de ultranationalist Gamsachoerdia. Met de leus ’Georgië voor de Georgiërs’ viel hij in 1991 Zuid-Ossetië aan, een wrede oorlog die duizend doden en honderdduizend vluchtelingen opleverde. Tot die tijd was Zuid-Ossetië een relatief rustige regio waar gemengd Georgisch-Ossetische huwelijken veel voorkwamen. In 2004, vlak na het aantreden van president Saakasjvili, liet hij Georgische troepen grote schoonmaak houden in ’smokkelnest’ Zuid-Ossetië. Ook toen zochten de Osseten steun bij de Russen. Toen kregen ze die niet militair, de afgelopen weken wel.

Het wordt tijd dat iemand bij De Standaard zijn pen vasthoudt



Kan Didier Bellens, de veelbesproken baas van Belgacom, al dan niet aan het hoofd blijven van dit telecombedrijf? En zo ja, onder welke voorwaarden moet dat gebeuren? Moet hij dan salaris inleveren? En verandert er iets aan de samenstelling van de raad van bestuur van dit bedrijf, dat nog steeds voor meer dan de helft in handen is van de Belgische staat? Over die vragen moet het vers uit vakantie
teruggekeerde kernkabinet zich vandaag buigen.
Bellens, de man met het riante salaris en de ‘gouden parachute’ van 8 miljoen euro, is niet onbesproken. Hij communiceert intern en extern slecht, is gesloten, achterdochtig en arrogant, joeg heel wat competente managers de deur uit en leeft op meer dan gespannen voet met zijn raad van bestuur. Maar je kan de man niet verwijten dat hij een slechte Belgacom-baas is. Zijn bedrijf doet het operationeel en financieel goed, hij stelt zich onafhankelijk op ten opzichte van de politiek en hij heeft een strategische visie.
Dat zijn mogelijke herbenoeming zon heikel politiek dossier geworden is, dat rondgestrooid wordt op de straatstenen van de Wetstraat, heeft dan ook minder te maken met Didier Bellens zelf dan met de omgeving waarin hij gevraagd wordt te functioneren. Bellens zelf mag inderdaad een wat minder sympathiek persoon zijn, de man zit om te beginnen opgezadeld met een politiek benoemde raad van bestuur. Ondanks het aanzienlijk aantal bestuurders blinkt die raad niet meteen uit door een teveel aan expertise maar probeert hij intussen wel, zo bleek de voorbije dagen opnieuw, bevoegdheden van de ceo naar zich toe te halen.
Nog belangrijker is de vaststelling dat de Belgische overheid als meerderhei dsaandeel houder geen blijk geeft van een langetermijnvisie op het bedrijf. De staat zit nu gewrongen tussen zijn rol van belangrijke aandeelhouder en die van regulator van de sector. Er is geen enkele valabele reden voor het behoud van een meerderheidsbelang van de overheid in Belgacom. De meerwaarde van de politieke inmenging in het bedrijf is negatief.
Dat de politieke topspelers het debat de voorbije maanden vooral hebben gevoerd over het karakter, de strategische visie, de wedde en de ontslagvergoeding van Didier Bellens, is ongetwijfeld heel valabel. Maar eigenlijk verbergt dat debat een veel fundamenteler probleem: de belangrijkste aandeelhouder blijkt niet in staat een strategische toekomstvisie op de sector te ontwikkelen en slaagde er de voorbije jaren onvoldoende in om bekwame bestuurders aan te trekken die de opdracht krijgen dat te doen.
De publieke soap rond de herbenoeming van Bellens - met onderhandelingen tegen de deadline aan, met kunst- en vliegwerk - zegt dus veel meer over de politieke beleidsmakers en hun zogenaamde goed bestuur dan over de ceo zelf.

PETER VANDERMEERSCH

maandag 25 augustus 2008

The Independent over Bernard-Henri Lévy


The Americans have sent blankets and the Estonians doctors, but it is the French, surely, who have come to the rescue of South Ossetia's people, with their offer to send nouveau philosophe Bernard-Henri Lévy.
One of a brigade of intellectuals dispatched from Paris, Lévy has made quite an impression at the Tbilisi Marriott, where he is ensconced with an entourage of personal cameraman, photographer, publicist and bodyguard.
"It's not too difficult to spot them," says a fellow guest. "They are all loafing around in the foyer puffing clouds of smoke, and gesticulating meaningfully. BHL is in his element going around in a crumpled white shirt, hair coiffed into a sort of wind tunnel effect, and reeking of perfume." Pressed as to his purpose in entering the war zone, Lévy stresses his visit wasn't mere tokenism. "I am an involved intellectual," he insists. "I came because I think the stakes are huge."
It isn't, in fact, the first time that he has engaged in international diplomacy. As well as positioning himself as a key negotiator in the Bosnian conflict, Lévy recently travelled to Darfur.
Perhaps it is his experience with grim detail of warfare that has helped him look on the bright side.
"There is one not-so-bad thing to come out of this conflict," he notes philosophically. "And that is that Georgia is now on the map."
.

zaterdag 23 augustus 2008

Bernard-Henri Lévy alweer in nauwe schoentjes

Publié sur Rue89



Contrairement à ce qu’il a écrit dans Le Monde, le philosophe n’a pu se rendre dans la ville de Gori. Ce n’est pas la seule affabulation.

Qu’on l’apprécie ou non, il faut reconnaître que Bernard-Henri Lévy, qui s’est rendu la semaine dernière en Géorgie, ne manque ni de courage, ni de convictions. Mais BHL n’est pas un journaliste, et le récit qu’il a rapporté pour Le Monde, titré « Choses vues dans la Géorgie en guerre », est à prendre avec des pincettes. Ainsi, lorsque BHL déclare qu’il est arrivé à Gori mercredi 13 août et qu’il a vu une ville « brûlée », il affabule. Il n’a pas réussi à entrer dans la ville.
Rue89 a entrepris de faire ce que les confrères anglo-saxons appellent un « fact-checking », une vérification des informations livrées par un reporter. Ce que BHL n’est pas : il est présenté dans le quotidien comme « philosophe et essayiste » et son récit a été prudemment rangé sous l’étiquette de « témoignage ». Il n’en reste pas moins que ce récit occupe deux pages au centre d’un journal jouissant d’une autorité certaine en matière d’information internationale.
Deux jours et demi de balade, dans la confusion de la guerre
Commençons par ce que ne raconte pas le « témoignage » de BHL : les conditions de la balade. Mercredi 13 août, rendez-vous est pris à l’aéroport du Bourget devant l’aérogare de Darta, une compagnie d’aviation privée. Le philosophe a loué un jet pour rallier Tbilissi, qui n’est plus desservie.
Il est accompagné par son vieux complice, l’éditeur Gilles Hertzog, le documentariste Raphaël Glucksmann et un journaliste de France Culture, Omar Ouamane. Plus un garde du corps. Le jet se pose vers midi en Géorgie, « juste pour le déjeuner », précise Raphaël Glucksmann. Prévenue par son ambassadeur à Paris, la présidence géorgienne a dépêché l’un de ses traducteurs pour accompagner BHL durant tout son séjour.
Celui-ci sera court, puisque Bernard-Henri Lévy repartira samedi matin, à 8 heures, de Tbilissi. Il aura donc passé deux jours et demi en Géorgie. L’équipage descend au Marriot Tbilissi, un hôtel cinq étoiles fréquenté par les journalistes et les diplomates.
Plusieurs journalistes français, surpris par sa présence, interrogent dès son arrivée l’intellectuel qui ne cache pas les motifs de son voyage : défendre la liberté en Géorgie contre l’ogre russe. Plusieurs radios, comme France Inter, France Info ou RFI, diffuseront des extraits de ces interviews.
La multiplication des chars
Dans un minibus blanc climatisé, direction Gori, l’une des villes occupées par les troupes russes. Première « chose vue », sur la route :
« Le fait est que la première présence militaire significative à laquelle nous nous heurtons est un long convoi russe, cent véhicules au moins, venu tranquillement faire de l’essence en direction de Tbilissi. »
L’envoyé spécial du Nouvel Observateur, Christophe Boltanski, qui emprunte la même route, le même jour, a compté les véhicules de cette colonne. Il en a recensé trente: six camions de troupes, six camions citernes, sept blindés APC, trois camions essence, six chars, deux ambulances.
Encore quelques kilomètres et l’équipage retrouve un groupe de journalistes, bloqués à un barrage tenu par la police géorgienne. Les journalistes ont suivi Alexandre Lomaia, le conseiller géorgien pour la sécurité nationale, qui avait décidé courageusement de se rendre à Gori, accompagné de l’ambassadeur d’Estonie. Le convoi est bloqué à quelques kilomètres au sud de la ville. BHL descend alors de sa camionnette blanche.
Vincent Hugeux, grand reporter à L’Express, s’étonne :
« J’ai reconnu sa silhouette. Il était accompagné de Gilles Hertzog et Raphaël Glucksmann. BHL a même lancé à un journaliste français : ‘Ah, mais nous sommes confrères !’ »
Ne pas voir Gori, mais en parler quand même
BHL franchit le barrage, dans des conditions sur lesquelles nous reviendrons, et racontera dans Le Monde la scène suivante :
« Nous arrivons à Gori. Nous ne sommes pas au centre-ville. Mais, du point où Lomaia nous a laissés avant de repartir, seul, dans l’Audi, récupérer ses blessés, de ce carrefour que contrôle un char énorme et haut comme un bunker roulant, nous pouvons constater les incendies à perte de vue. Les fusées éclairantes qui, à intervalles réguliers, illuminent le ciel et sont suivies de détonations brèves. Le vide encore. L’odeur, légère, de putréfaction et de mort.
« Et puis, surtout, le bourdonnement incessant des véhicules blindés et, une fois sur deux à peu près, des voitures banalisées remplies de miliciens reconnaissables à leurs brassards blancs et à leurs cheveux retenus par des bandanas.
« Gori n’appartient pas à cette Ossétie que les Russes prétendent être venus « libérer ». C’est une ville géorgienne. Or ils l’ont brûlée. Pillée. Réduite à l’état de ville fantôme. Vidée. »
Problème : BHL n’est jamais « arrivé à Gori », et les Russes n’ont pas « brûlé » la ville.
Que s’est-il passé ? Avec son équipe, il s’est débrouillé pour passer ce premier barrage en compagnie d’Alexander Lomaia et de quelques autres personnes (l’ambassadeur estonien, la députée européenne Marie-Anne Isler-Béguin et la journaliste du Washington Post Tara Bahrampour).
Deux heures plus tard, vers 22h30, dans la nuit noire, BHL est de retour au premier barrage où attend la presse. Il sort du véhicule, le visage grave, et avec sa voix de Malraux, il témoigne devant les journalistes:
« La ville est nettoyée, Gori est une ville fantôme, il y a des flammes partout ; apparemment pas âme qui vive, Gori a été vidée de sa population. C’est ce que les Russes appellent la pacification. »
L’eurodéputée Marie-Anne Isler-Béguin intervient alors pour démentir : « mais non, on n’était pas à Gori », dit-elle aux journalistes, « on a été bloqués à un barrage à 1,5 kilomètre de la ville ». Elle connaît cette région depuis huit ans. Seuls les champs brûlaient, ajoute-t-elle. Les armées brûlent parfois les champs pour éviter le risque des snipers embusqués.
Plusieurs témoins confirment : BHL n’était pas à Gori
Déléguée du Parlement européen pour le Caucase Sud, Marie-Anne Isler-Béguin revient sur l’épisode pour Rue89:
« Je viens de découvrir son témoignage. Je suis un peu surprise qu’il n’ait pas tout à fait dit comment ça c’était réellement passé. Mais il a peut-être oublié… J’ai vu Bernard-Henri Lévy pour la première fois lors de ce voyage au check-point où étaient bloqué tous les journalistes, à cinq kilomètres de Gori.
« Si Bernard-Henri Lévy est monté avec Lomaia et moi, c’est parce que j’ai intercédé en sa faveur. C’est lui qui m’a demandé : « Madame la députée, je voudrais me joindre à la délégation. » Et c’est moi qui ait obtenu l’accord de l’ambassadeur d’Estonie. Dommage qu’il ait oublié ce petit détail… En plus, c’est le seul qui soit monté dans la voiture avec son garde du corps.
« Et il y a d’autres approximations. S’il arrive à distinguer les militaires des paramilitaires, il est plus doué que moi. S’il a senti une odeur de putréfaction, moi pas. Il écrit aussi que Gori a été brûlée, pillée et réduite à l’état de ville fantôme, mais à ce moment-là, on ne pouvait pas le dire, tout simplement parce que personne n’y était encore allé. Enfin, nous nous sommes arrêtés à 1,5 kilomètre de Gori. »
Gilles Hertzog, fidèle compagnon de route de BHL, confirme lui aussi la version de l’élue :
« Non, on n’est pas rentrés dans la ville, on est resté à l’orée de la ville, je ne sais pas à combien de kilomètres de Gori. Il faisait nuit, on apercevait vaguement des bâtiments quand il y avait des fusées éclairantes, mais on n’était que sur le bas-côté d’une route. Il y avait des champs qui brûlaient autour de nous, on nous a dit que c’était du ‘farming’ [des feux allumés par des cultivateurs, ndlr], mais je ne l’ai pas cru. »
Et même divergence avec BHL sur l’odeur de putréfaction :
« Personnellement, je n’ai rien ressenti, mais peut-être que mon ami Bernard-Henri Lévy lui l’a ressentie. »
Dans son reportage, la journaliste du Washington Post raconte elle aussi cette virée, mais en précisant bien clairement, en début de l’article, qu’elle n’a pas vu la ville. Le « byline », l’indication du lieu et de la date du reportage placée au début du texte, est très clair : « OUTSIDE GORI, Georgia, Aug. 13 » [« En dehors de Gori, en Géorgie, le 13 août »].
Vendredi 15 : un « braquage » qu’il n’a pas vu
Et que penser de la seconde tentative pour se rendre à Gori le vendredi ? BHL écrit dans Le Monde :
« Vendredi matin. Nous décidons, avec Raphaël Glucksmann, Gilles Hertzog et la députée européenne, de revenir à Gori que, suite à l’accord de cessez-le-feu rédigé par Sarkozy et Medvedev, les Russes auraient commencé d’évacuer et où nous sommes censés rejoindre le patriarche orthodoxe de Tbilissi en partance, lui-même, pour Shrinvali, où des cadavres géorgiens seraient livrés aux porcs et aux chiens.
« Mais le patriarche est introuvable. Les Russes n’ont rien évacué. Et nous sommes même, cette fois, bloqués vingt kilomètres avant Gori quand une voiture, devant nous, se fait braquer par un escadron d’irréguliers qui, sous l’œil placide d’un officier russe, fait descendre les journalistes et leur arrache caméras, argent, objets personnels et, finalement, leur véhicule.
« Fausse nouvelle, donc. L’habituel ballet des fausses nouvelles dans l’art duquel les artisans de la propagande russe semblent décidément passés maîtres. Alors, direction Kaspi, à mi-chemin entre Gori et Tbilissi, où l’interprète de la députée a de la famille et où la situation est, en principe, plus calme. »
Le documentariste Raphaël Glucksmann conserve un souvenir différent de ce « braquage ». Le convoi de trois voitures est stoppé au dernier barrage de la police géorgienne où on leur déconseille fortement de continuer :
« Les policiers nous ont raconté qu’une voiture de l’UNHCR [le Haut commissariat aux réfugiés des Nations unies, ndlr] venait de se faire dépouiller au barrage russe. Nous avons donc rebroussé chemin. Je n’ai pas vu cette scène. C’est simple, la route fait un coude et juste après, à 500 mètres environ de là où nous sommes, il y a le barrage russe, mais on ne le voit pas. »
La version de l’eurodéputée sonne, elle aussi, bien différemment de celle de BHL. Contrairement à ce qu’affirme l’intellectuel, elle n’était pas à ses côtés à ce moment précis :
« Le jeudi, les autorités géorgiennes m’ont assuré que je pourrais aller le lendemain à Gori avec un convoi humanitaire. Mais, le vendredi, on attend une heure, deux heures, et on n’obtient toujours pas d’accord des Russes pour faire partir le convoi humanitaire.
« Je n’ai donc pas pris de voiture en direction de Gori avec Bernard-Henri Lévy. Je n’ai pas non plus cherché le patriarche, qui a eu l’autorisation de se rendre à Shrinvali pour aller récupérer des corps de Géorgiens, car je savais où il était, mais j’ai seulement regretté de ne pas l’avoir contacté avant.
« Je n’avais toujours pas bougé de Tbilissi quand, avec mon assistante géorgienne, on décide alors de se rendre au village de Kaspi, qui n’est pas en zone occupée. Et c’est là que Bernard-Henri Lévy revient vers moi et me dit : « On a fait équipe hier, est-ce qu’on continue à faire équipe ? »
Gilles Hertzog, n’était pas non plus avec BHL :
« Moi, je ne sais pas, je n’étais pas dans la même voiture que lui. Je ne sais plus exactement… Vous savez, on laisse faire nos chauffeurs, ce sont eux qui décident, qui savent où on peut aller. »
Les autos partent en fait à Kaspi pour constater la destruction d’une usine électrique que filmera Glucksmann.
Dernière soirée à Tbilissi, Sartre et la pureté dangereuse
Vendredi, seconde rencontre du philosophe avec le président géorgien Mikheïl Saakachvili. Bloqué depuis plusieurs jours dans sa résidence, le chef d’Etat interroge BHL et Raphaël Glucksmann :
« Il nous a demandé comment c’était à Gori et Kaspi. Puis, ils ont un échange sur le thème : « Pourquoi l’Occident ne répond pas ? »
Dans le récit qu’il a rapporté pour VSD, Hertzog raconte :
« Bernard-Henri Lévy tente de leur remonter le moral. Pourquoi ne pas inciter les pays de l’Otan qui ont appuyé la demande de la Géorgie à se prononcer solennellement ? Pourquoi ne pas tenir vos conseils des ministres dans une ville menacée ? Saakachvili retrouve un instant le sourire. ‘Très bonnes idées !’, lance-t-il. »
Ensuite, selon Glucksmann, les deux hommes parlent philosophie :
« Saakachvili a lu ‘La Pureté dangereuse’ et puis il a eu une prof de philo, ancienne correspondante de Sartre, et comme BHL a écrit sur Sartre… »
Retour à l’hôtel à l’aube, fin de l’escapade, tout le monde reprend l’avion vers 8h du matin. Direction Nice, où BHL a un rendez-vous. La folle vie continue.
Le journal britannique The Independant ne s’est pas trompé sur la leçon à tirer de toute l’histoire. Dès lundi 18 août, il écrivait:
« Les Américains ont envoyé des couvertures, les Estoniens des médecins, mais ce sont les Français qui, assurément, sont venus au secours des gens de l’Ossétie du Sud en proposant d’envoyer leur ‘nouveau philosophe’ [en français dans le texte, ndlr] Bernard-Henri Lévy. »

Julien Martin, Pascal Riché et David Servenay

dinsdag 19 augustus 2008

B-plusser vergaloppeert zich

.

Het Laatste Nieuws
19 augustus 2008

Don Quichotte tegen de Vlag
Luc Van Der Kelen

België is een republiek van burgemeesters zegt Herman De Croo. Geen volksgroep die opstandiger is. Remember Roger Nols met zijn Vlaams loket in Schaarbeek. De regering moest er een regeringscommissaris naartoe sturen. Denk aan José Happart, burgemeester in Voeren tot hij niet meer nodig was voor de PS. De regering-Martens-Verhofstadt is over hem gestruikeld. De regering –Leterme dreigt net zo goed te vallen over burgemeesters. Die van B-H/V en die van ’t FDF. Nu is er de onvolprezen burgemeester van Lennik, Willy De Waele. Hij is de Don Quichotte, de man die vecht tegen (Belgische) vlaggen. Zijn doel: beroemder worden dan Michel Doomst en Leo Peeters samen, denk ik. Zijn methode: burgerlijke ongehoorzaamheid. Zijn wapen: onverzettelijkheid tot op het randje van het ridicule. Heb er zo een paar en het is hier straks Kosovo. Willy De Waele. Vindt België een pierenlandje, hij zal de vlag niet meer hangen zolang het land niet quasi opgedoekt is. Als die FDF’ers ongehoorzaam mogen zijn, waarom hij dan niet. Nu van veel dingen één: een burgemeester is verplicht de wetten van het Belgische volk te doen toepassen. Alle wetten, niet enkel diegene die hem goed uitkomen. Een burgemeester staat in voor de openbare orde. Deze burgemeester lokt ordeverstoring uit. Iedere dag komen er actievoerders zijn gemeentehuis bevlaggen en laat hij ze weer weghalen. Een burgemeester wordt geacht respect op te brengen voor de overheden en het democratisch regime, niet naar keuze alleen die van het Vlaams Parlement; Het Belgisch parlement is ook zijn parlement. Als dat de heer De Waele niet zint, moet hij koppels niet trouwen met de tricolore sjerp rond zijn buik. Dat hij dan consequent is en ontslag neemt wegens ‘morele onmogelijkheid tot besturen’ . Tussen haakjes: waar zit die strenge meneer Keulen nu? Durft hij een partijgenoot niet tot de orde te roepen, als hij over de schreef van de welvoeglijkheid gaat en ophoudt een vertrouwenspersoon te zijn voor al zijn onderdanen? En wat doet zijn partij, Open VLD? Zwijgen is instemmen.
lvdk@hln.be
.

Christian Behrendt over Lennik

.
Le Soir
mardi 19 août 2008
p. 11


Il y a quelques jours, le bourgmestre de Lennik a décidé de ne plus arborer le drapeau belge aux bâtiments publics de sa commune, (Le Soir du 14 août). Étant donné que le drapeau national nous appartient à tous, nous voudrions, dans les lignes qui suivent, exposer d’une manière simple le cadre juridique de son pavoisement. Autrement dit : qui doit arborer le drapeau belge, et quand ? (Les domaines maritime, aéronautique et diplomatique, demeurent soumis à des règles spécifiques)
Le principe de base est bien celui de la liberté : à moins qu’un texte juridique prévoit spécifiquement le pavoisement du drapeau national, celui-ci peut être hissé – mais peut aussi ne pas être hissé – à n’importe quel jour de l’année. En ce qui concerne les particuliers, cette règle épuise déjà le sujet.
Pour les autorités publiques belges (fédérales, régionales, communautaires, provinciales et communales), le principe de liberté demeure également applicable, sauf pour un certain nombre de jours, déterminés par un arrêté royal de 1974 (1). Cet arrêté énumère quinze jours au cours desquels le drapeau national doit être arboré aux édifices publics, les deux dates les plus marquantes de cette liste étant le 21 juillet et le 11 novembre, avec leurs importantes cérémonies nationales. Les treize autres jours commémorent également des évènements particuliers, mais n’ont pas nécessairement le statut de jours fériés légaux pour autant (ainsi notamment le 6 juin, jour anniversaire du Roi, qui n’est pas férié). Inversement, un certain nombre de jours fériés légaux ne sont pas repris dans la liste, de sorte que le principe de liberté s’y applique ; tel est notamment le cas du 1er janvier et du 15 août.
Ces développements permettent de comprendre que la décision prise par le bourgmestre de Lennik de ne plus arborer le drapeau national ne pose aucune difficulté aussi longtemps que l’on ne rencontre pas, sur le calendrier, l’un des quinze jours au cours desquels le pavoisement du pavillon belge est obligatoire (2) : le prochain jour obligatoire pour le pavoisement du drapeau national sera le 11 septembre, jour anniversaire de la reine Fabiola.
Avec la fédéralisation progressive de l’État, la situation s’est toutefois compliquée : l’autorité fédérale garde la compétence de réglementer le pavoisement de tous les bâtiments publics – fédéraux ou non – lors des quinze jours énumérés dans la liste de 1974 et lors des autres jours fériés légaux nationaux (puisque c’est elle qui détermine ces jours et le protocole de ceux-ci). Elle conserve aussi celle de réglementer le pavoisement des bâtiments fédéraux (ministères fédéraux et agences fédérales, bureaux de douane, gares, postes de police), et cela – si elle le souhaite – pour tous les jours de l’année.
Mais pour ce qui est du pavoisement, un jour « ordinaire », de bâtiments qui ne relèvent pas du fédéral (édifices communautaires, régionaux, provinciaux ou communaux), ce n’est désormais plus le fédéral mais les entités fédérées et leurs organes subordonnés qui sont autorisés à régler la matière. Ainsi, la Commission communautaire flamande (COCON) a édicté des dispositions qui règlent le pavoisement de ses bâtiments à Bruxelles. Et elle précise – en toute légalité – que trois drapeaux seulement seront arborés : le drapeau flamand (au milieu), le drapeau de la COCON et le drapeau de la Région de Bruxelles-Capitale (3). Chose notable : le drapeau national ne sera pas arboré. Par ailleurs, la Communauté flamande a prévu –également en toute légalité – que le drapeau national ne pourra pas être hissé seul mais devra, lorsqu’il est arboré, systématiquement être accompagné du drapeau flamand (4). D’ailleurs, si les deux sont hissés un jour « ordinaire », c’est le drapeau flamand qui a la préséance (5). Enfin, toujours lors de jours « ordinaires », le drapeau flamand peut être hissé seul, sans le drapeau national à ses côtés (6) : le bourgmestre de Lennik l’a bien compris.
Et pour finir, la question pour la grande distinction : qu’est-ce qui se passe, si le 11 septembre (prochain jour qui figure sur la liste des quinze jours au cours desquels le pavoisement du drapeau national est obligatoire), le lion flamand orne toujours seul la maison communale de Lennik ? Réponse : probablement rien. En effet, l’arrêté royal de 1974 n’établit aucune sanction spécifique en cas de non-respect de ses dispositions, et la tutelle générale sur les communes n’appartient plus à l’Autorité fédérale mais à la Région flamande. Et puis : le lendemain du 11 septembre, l’absence du drapeau national à Lennik sera de nouveau parfaitement légale. Tout cela, le bourgmestre le sait sans doute fort bien – et nous conduit ce faisant au « Musée des angles morts » du droit public belge. De ces angles, il y existe déjà une belle collection; et toute nouvelle réforme de l’État amène des pièces nouvelles.
À la veille du prochain remaniement institutionnel, dont certains souhaitent faire une révolution copernicienne, l’anecdote de Lennik peut nous apprendre deux choses. Premièrement, qu’il est malaisé – et dès lors à notre sens inopportun – de vouloir assurer l’attachement aux symboles belges par des règles juridiques contraignantes. Mais c’est la deuxième chose qui se situe au centre de notre pensée : lors de la rédaction des principaux textes de la future réforme de l’État, il conviendra de ne pas y procéder la nuit, à la hâte, autour d’un coin de table. Sinon, et pour rester dans l’image, le risque est grand pour notre structure fédérale de se trouver durablement placée dans la zone crépusculaire, à l’angle mort du soleil.

(1) Article 1er de l’arrêté royal du 5 juillet 1974 (modifié à quatre reprises, en 1983, 1989, 1993 et 1998).
(2) Cette règle est correctement appliquée par la Communauté flamande dans ses circulaires VR-95/37 du 24 mai 1995 et BA-97/11 du 4 juin 1997.
(3) Article 4 du règlement 00/04 du 9 juin 2000, confirmé par l’article 3 du décret flamand du 27 avril 2007.
(4) Décret flamand du 13 juin 1996.
(5) Circulaire flamande précitée du 24 mai 1995.
(6) Même circulaire.
___________________________

Christian Behrendt est professeur de droit constitutionnel comparé
et de théorie générale de l’Etat à l’Université de Liège.


maandag 18 augustus 2008

Interessen ? Wir ?

Georgien und Russland

Interessen? Wir?

Von Lorenz Jäger

16. August 2008

Es geht, wenn man diesen Intellektuellen glauben darf, um Menschenrechte, um Demokratie, um die Zukunft eines freien Europa. Um nichts anderes. Nicht um jene Pipelines, die das Öl vom Kaspischen Meer an Iran vorbeiführen, nicht um eine strategische Einkreisung Russlands durch mehr oder weniger offenes Einsickern der Nato in die Anrainerstaaten. André Glucksmann und Bernard-Henri Lévy entdecken auch diesmal wieder die Humanität genau dann, wenn amerikanische Interessen berührt sind. Nur: von diesen reden sie nicht.

Georgien hat mit der Gewalt in Südossetien begonnen? Allein die Frage sei „obsolet“, meinen die beiden Philosophen. Am Donnerstag veröffentlichten sie in der Zeitung „Libération“ unter dem Titel „SOS Georgien? SOS Europa!“ ein Manifest in dem von ihnen gewohnten alarmistischen Ton: Gegen jede einigermaßen vernünftige Diplomatie wird das Gespenst des „früheren und heutigen Faschismus“ in Anschlag gebracht. Ja, die Diplomaten nennen sie, eine groteske Nebenfigur von Proust zitierend, „unsere Norpois“, mit anderen Worten: historisch naive Versöhnler.

Ein Wendepunkt

In einem muss man den Autoren recht geben: Ein Wendepunkt der russischen Politik ist erreicht. Das riskante Abenteuer des Präsidenten Saakaschwili, mit Gewalt in Südossetien Fakten zu schaffen, ist missglückt. Russland hat bewiesen, dass es zur Selbstbehauptung in der Region fähig ist – ob dies den Europäern nun schmeckt oder nicht. Die beiden Philosophen sehen das anders. Wenn sie von Putins „Autokratie“ reden, dann versuchen sie, die alten Ängste vor dem Zarenregiment zu schüren. Man solle Russland aus der Runde der G 8 ausschließen, fordern sie, und gleich noch aus dem Europarat. Noch einmal geht es gegen die deutsch-russische Gaspipeline – und nun ist doch noch von der materiellen Basis die Rede! –, die an Polen vorbeiführt. „Kühnheit“ sei von Europa zu verlangen und Geistesschärfe. „Sonst ist es tot.“

Die Stimmen von Glucksmann und Lévy werden in Europa gehört, sie haben, in Deutschland etwa, das Portal „Perlentaucher“ auf ihrer Seite. Russland dagegen findet bis heute unter den europäischen Köpfen von Rang kaum Fürsprecher, der „Westen“ hat sich als normatives Leitbild durchgesetzt. Zwar gibt es politische Korrespondenten und Kommentatoren, die besonnener urteilen, aber bei den Intellektuellen dominiert die blanke Russophobie. Alexander Solschenizyn ist tot, und damit der einzige, auf dessen Wort auch die westlichen Geister vielleicht noch gehört hätten – aber hatten sie nicht schon lange vor seinem Tod ausgeblendet, was von diesem großen metaphysischen Nationalisten kam? Allen voran Glucksmann, der sich um die Wirkung des „Archipel GULag“ enorme Verdienste erwarb, aber vom späten Solschenizyn abrückte. Vielleicht war Émile Cioran der Letzte, der vor fast fünfzig Jahren in seinem Essay „Russland und der Virus der Freiheit“ mit philosophischen Argumenten, die auch dem westlichen Intellektuellen zugänglich waren, um Verständnis für die östliche Großmacht warb. Man muss ihn wiederlesen, um sich in diesen Tagen nicht verdummen zu lassen.

Antirussische Affekte

Es gibt einen antirussischen Affekt in Europa, den man kennen, aber von dem man sich nicht unbesehen beeindrucken lassen sollte. Der Affekt ist gerade im Konfliktfall immer mobilisierbar, wie schon zu Zeiten des Krim-Krieges in der britischen Presse die orthodoxe Religion als barbarisch-rückständig dämonisiert wurde. Bald galt das Zarenregiment in der Weltöffentlichkeit als „Feind der Menschheit“. Weil es der „Hort der Reaktion“ war, taten auch Marx und Engels im antirussischen Chor eifrig mit.

Zum Glück gibt es derzeit auch andere Stimmen, auch in „Libération“. Bernard Guetta, ehemaliger Moskau-Korrespondent von „Le Monde“, beginnt mit der Feststellung, Saakaschwili sei jedenfalls nicht der Alleinschuldige an diesem Konflikt, und das klingt schon maßvoller. Er warnt aber vor einer weiteren Forcierung der Nato-Perspektive für die Ukraine und Georgien - für die Glucksmann und Lévy im Frühjahr in einem offenen Brief an Angela Merkel plädiert hatten.

Die Menschenrechtsanwälte machen auf die Dauer ihre Sache lächerlich, wenn sie nicht von den Interessen reden - von denen der Vereinigten Staaten vor allem, aber auch, es ist kein Geheimnis mehr, von denen Israels. Und die Intellektuellen, zur kritischen Bestandsaufnahme verpflichtet, sollten auch die neuen Parolen aus Paris mit jener Skepsis betrachten, die ihr bestes Teil ist. Glucksmann und Lévy sind Intellektuelle, ja, durchaus. Aber aus ihrem martialischen Manifest spricht nicht die Stimme der Vernunft.



Text: F.A.Z.

woensdag 6 augustus 2008

De Morgen over journalistieke geloofwaardigheid

Kijk begin augustus maar goed uit met 'groot nieuws'. Ooit heette dit 'de pruimentijd', toen kinderen gedichten leerden als 'Jantje zag eens pruimen hangen'. 'Pruimen' zijn nu de metafoor voor primeurs: unieke, belangrijke en spectaculaire nieuwsberichten die slechts één medium heeft. Vroeger moesten die ook juist zijn. Nu niet meer.

Neem de twee recentste primeurs. Primeur één: koning Albert koopt een Toscaanse villa. Meer nog: een kasteel, een paleis. Kostprijs: 50 miljoen euro. En dat voor een vorst die vorig jaar zijn vermogen bekendmaakte: 12,4 miljoen euro. Oproer, want de koning had zijn land voorgelogen. Of ook: Albert koopt een ballingsoord voor het geval België splitst, want zo bespaart hij zijn familie het lot van de Romanovs.

Helaas, het nieuws klopte niet. Het paleis ontkende formeel. Geen enkele kenner geloofde er iets van. Het bewijs stopte met de verkoper van het vastgoed die zei gecontacteerd te zijn door een Belgische edelman met goede connecties met het hof. Huh huh. Een broodje aap, zij het met een royale portie saus.

Primeur twee: kwaliteitskrant wijdt haar voorpagina aan de hallicunante vertrekpremie van Herman Verwilst, de nieuwe CEO van Fortis. Vijf miljoen, het drievoud van de 'schandalige' 1,3 miljoen euro voor zijn voorganger Jean-Paul Votron. Een mens zou voor minder revolteren. Alleen bestaat die 'premie' niet. Het is een (theoretische) extrapolatie van een formule uit het jaarverslag. Niet van de hand van Fortis, maar van de journalist. Een hersenspinsel, in het beste geval een spielerei.

En dat terwijl elke insider weet dat Fortis de intentie noch de wil heeft om Verwilst eenzijdig en voortijdig te ontslaan voor het einde van zijn sowieso kortstondige mandaat. Want alleen dan zou de premie kunnen gelden. Kan, zo schreef de journalist nog. Op de website van zijn krant was die nuance al weg: 'Ondanks de ophef over de vertrekpremie van Fortis-CEO Jean-Paul Votron, ligt de premie van zijn opvolger nog hoger.' Dat is niet juist, en dus fout.

Maar het kwaad is geschied. De koning wilde 50 miljoenen spenderen aan een villa. Verwilst had na geen maand al 5 miljoen in zijn zak. Twee keer fout, en toch geschreven. Het blijft hangen. Het pruimengedicht vervolgde met: 'O, als eieren zo groot.' Net zo overdreven zijn die primeurs, én breekbaar. Eén kritische tik en ze liggen er.


Walter Pauli
Politiek commentator
06/08/08 08u15

dinsdag 29 juli 2008

Muslimische Zwangsheirat

.
Frankfurter Allgemeine Zeitung
29. Juli 2008

Muslimische Zwangsheirat
Freiheit jenseits der Gesetze?
Von Necla Kelek


Als ich 2005 mit meinem Buch „Die fremde Braut“ darauf hinwies, dass muslimische Frauen arrangiert oder unter Zwang verheiratet und nach Deutschland als Ehefrauen importiert werden, gab es von Seiten der Muslime, der Türken und ihrer politischen Freunde Protest. Mir wurde unterstellt, ich bauschte Einzelfälle auf, türkischstämmige Politikerinnen bekundeten öffentlich, aus Liebe geheiratet zu haben, nur um mir nachzuweisen, Zwangsheirat habe mit ihrer Kultur und dem Islam nichts zu tun. Migrationsforscher forderten „Gerechtigkeit für Muslime“ und verteidigten Importehen als Reflex auf die restriktiven Einwanderungsbedingungen.
Mittlerweile ist unstrittig, dass hierzulande jährlich Tausende von muslimischen Frauen und Männern durch ihre Familien in Ehen gezwungen werden. Die Frauenhäuser und Beratungsstellen sind voll, weil junge Menschen fürchten, in den Ferien in der Heimat ihrer Eltern verheiratet zu werden.
Hand in Hand gegen Zwangsheirat?
Die islamische Community gerät nicht nur in dieser Frage, sondern auch bei sogenannten Ehrenmorden, Gewalt in der Ehe und der Erziehung durch die öffentliche Meinung unter Legitimationsdruck. Niemand nimmt ihren gebetsmühlenartig wiederholten Spruch „Das hat mit dem Islam nichts zu tun“ mehr ernst. Nun versucht der Vordenker eines „europäischen Islams“, Tariq Ramadan, die Sache für die Muslime zu wenden. Gemeinsam mit Rotterdamer Islamvereinen, dem Berliner, der Muslimbruderschaft nahen Verein „Inssan“ und mit der Unterstützung des Berliner Integrationsbeauftragten Günter Piening fördert er die Initiative „Hand in Hand gegen Zwangsheirat“.
Es ist ein Versuch, die inzwischen selbstbewusster gewordenen muslimischen Mädchen einzufangen und muslimisch zu beraten, damit sie nicht mehr zu staatlichen Beratungsstellen oder in Frauenhäuser flüchten und damit Allah verlorengehen. Die Initiative hat sich in Berlin-Kreuzberg vorgestellt und eine Broschüre mit ihren Argumenten in acht Sprachen veröffentlicht.
Nicht im Namen des Islam
Neu und zu begrüßen ist darin das Eingeständnis von Muslimen und Islamvereinen, dass Zwangsverheiratung ein Problem der muslimischen Gesellschaft ist. Natürlich wird das relativiert und angeführt, auch in buddhistischen, hinduistischen und christlichen Gesellschaften sei das ebenfalls ein Problem. Zwangsheirat sei aber kein Problem des Islams, sondern der Kultur. Die Unterscheidung von Kultur und Religion soll die Religion vor der sozialen Verantwortung und kritischer Selbstreflexion retten. Ramadan und andere argumentieren, Allahs Worte und die Taten des Propheten seien ohne Fehler, nur der Mensch sei gelegentlich fehlerhaft. Der Islam bleibt damit von Verbrechen in seinem Namen unbefleckt.
Die Erkenntnis, dass Religion und Kultur ein „kulturelles System“ bilden und nicht getrennt zu betrachten sind, wird absurderweise gerade von Muslimen geleugnet, die gleichzeitig die Trennung von Glaube und Alltag, Religion und Politik ablehnen. Zwangsheirat sei nicht islamisch, das soll bereits Mohammed verkündet haben. Dass Mohammed selbst die sechsjährige Aisha heiratete, gilt nicht als Missbrauch oder Zwangsheirat, sondern wird auf der Veranstaltung von Ramadan als „Anekdote“ abgetan, die nur dazu diene, den Islam zu diskreditieren. Der zentrale, im Koran auf die Verheiratung bezogene Vers „Verheiratet die Ledigen“, Sure 24, Vers 32, fehlt in dieser Argumentation. Da steht nämlich nicht „Ihr Ledigen, heiratet“ – was bedeuten würde, dass die Menschen ein selbständiges Recht auf Eheschließung haben würden –, sondern mit dem Verdikt „Verheiratet die Ledigen“ wird die Verheiratung zur Sache der Familie, der Gemeinde.
Lob der Großfamilie
Interessant ist, wie Ramadan und seine Anhänger Familie definieren. Gemeint ist nicht eine Kernfamilie aus Mutter, Vater und Kindern, sondern die Großfamilie, der Stamm. So wird aus der Gemeinschaft der Muslime, der Umma, eine Familienkultur. In der Handreichung liest sich das so: „In einer Familienkultur ist die Familie wichtiger als das Individuum. Die Familie verhält sich als Einheit, um als Ganzes von den anderen Familien des sozialen Umfelds als voll- und gleichwertig anerkannt zu werden (...) Jedes Individuum hat im Interesse der Familie zu handeln.“ Und wenn nicht, so wird die Ehre der Familie verletzt: „In der Gruppe ist Ehre ein gemeinschaftlicher Besitz, für den alle Familienmitglieder Verantwortung tragen, ungeachtet der Hierarchieart in der Familie.“
Ramadan und seine Schüler versuchen, die Grundrechte und Werte der europäischen Zivilgesellschaft umzudeuten. Sie sprechen dem Einzelnen das Selbstbestimmungsrecht ab, definieren den Menschen als Sozialwesen und nicht als Individuum, befürworten das System der „Schamgesellschaft“ mit einem fatalen Ehrbegriff. Nirgendwo in dem Büchlein wird dem Einzelnen das Recht eingeräumt, selbst zu entscheiden, ob er überhaupt heiraten will. „Die Familie bildet den Kern der islamischen Gesellschaft, und die Ehe ist im Islam die einzige gestattete Weise, Familien zu gründen.“ Seine eigene Sexualität zu leben ist nicht statthaft.
Eine Art islamische Eheberatung
Und der rot-rote Berliner Integrationsbeauftragte Piening möchte, wie er auf der Veranstaltung sagte, „von Rotterdam lernen“? Ob der Senat das auch so sieht? Tariq Ramadan sagte in Rotterdam unter anderem: „Freiheit ist nicht die Freiheit, die andere von uns verlangen.“ Er meint damit: Jeder hat seine Freiheit jenseits der Gesetze. – Eine interessante Variante, die Scharia als Freiheit zu deuten. Er will auch nicht mehr von Integration reden, denn die Muslime sind für ihn Teil der multikulturellen Gesellschaft, in der alle Religionen mit ihren Vorstellungen gleich und mit ihren Regeln anzuerkennen sind. Dass die europäische Gesellschaft aber die Grundrechte des Individuums zur Not vor jeder Gruppe, der Religion und selbst vor dem Staat schützt, wird tunlichst ignoriert.
Unter dem Motto „Gegen Zwangsheirat“ wird also schlicht islamische Eheberatung betrieben. Dabei wird ausdrücklich die arrangierte Ehe als Modell gepriesen, auch wenn eingestanden wird, dass dabei oft Zwang im Spiel ist. „Eine Heirat ist also immer ein Bündnis zwischen Familiengruppen (...) Da eine Heirat ein Bündnis zwischen Familien ist, suchen die Familien die Partner, die am besten zueinander passen, gerade auch, um ein bestmögliches Bündnis zwischen Familien zu erzielen.“ Vor Mischehen wird gewarnt: „Ein muslimischer Junge kann zwar ein christliches Mädchen heiraten, aber ein muslimisches Mädchen darf nicht einen christlichen Jungen heiraten.“
Wider den Zwang zur Ehe
„Die Ehe ist die Hälfte der Religion“ lautet ein weiterer Mohammed zugeschriebener Ausspruch. Ramadans Argumentation ist in diesem Sinne Werbung für den muslimischen Zwang zur Ehe. Denn ohne die verheiratete Frau, ohne die Kontrolle der Männer über die Frau funktioniert die muslimische Gesellschaft nicht. Die Initiative ist deshalb ein Etikettenschwindel. Es muss der Grundsatz gelten: Ehen von Jugendlichen unter achtzehn Jahren sind grundsätzlich als Zwangsehen zu ächten. Jedem jungen Menschen, der in die Lage kommt, von seinen Eltern gegen seinen Willen verheiratet zu werden, muss der Schutz der Gesellschaft gewährt werden.
Frauenberatungsstellen und Frauenhäuser wie Papatya oder die der Autorin Serap Cileli, „Peri – Die gute Fee“, oder „Hatun und Can“ sind ehrliche Antworten auf das Problem Zwangsheirat. Das Gesetz, das Zwangsheirat unter Strafe stellt, muss endlich vom Bundestag beraten und verabschiedet werden. Wir alle sind aufgefordert, Fälle von Zwangsverheiratung zur Anzeige zu bringen und weiter aufzuklären, damit Politiker nicht immer wieder auf Imagekampagnen islamischer Prediger hereinfallen.

Die Zitate stammen aus dem Booklet „Hand in Hand gegen Zwangsheirat“ der Stiftung Islamischer Organisationen Rijnmond (SPIOR) Rotterdam.
.

zondag 27 juli 2008

Joëlle Kapompolé (PS) verklaart Laurette Onkelinx

.
Les Mérules

De Standaard deed zijn best om de lezer te sussen met:
In het Waalse Parlement gingen stemmen op tegen de woorden van Laurette Onkelinx, die immers de Vlamingen met de gevaarlijke huiszwam had vergeleken.
Verbatim luidde één van die stemmen:

Joëlle Kapompolé (PS) sur Laurette Onkelinx :

…parce que, en tant que vice-première elle a toujours essayé de concilier les points de vue francophone et flamand, et sortir quelque chose comme cela ne je ne comprends pas du tout. Ce qu’elle a voulu faire passer comme message, et moi je suis d’accord de travailler au niveau de la sémantique, c’est que la mérule se trouve au niveau de l’état fédéral, il y a un travail là qui se fait. Notamment parce que certains hommes politiques flamands ne demandent plus de transferts de compétences de façon massive, mais essaient par des façons de grappiller, je dirais, de travailler à l’esquimautage de l’état fédéral, et ça c’est honteux ! [applaudissements] Merci.
.

zaterdag 26 juli 2008

Napoleon en de Code Civil

.
DS. Boeken
vrijdag 25 juli 2008
Vol van Napoleon
Alexandra De Vos

Er zijn mensen die blijvend gefascineerd zijn door Napoleon.
Martin Bril is zo iemand.
In een onderhoudend boekje sleept hij de lezer mee in zijn passie.

Ooit had ik een Marraineke die in een Waals-Brabants dorpje een oud huis bewoonde. Het huis had een bron in de kelder, een portret van koningin Astrid aan de muur en een beeldje van Napoleon op de kast. Waarom Marraineke zo vol was van Astrid, dat had ik in geuren en kleuren mogen vernemen. Zo mooi, zo meelevend, zo helemaal van het volk. Zelf vond ik haar ook zachtmoedig stralen in sepia. Maar waaraan het wat nors uitziende mannetje op de kast haar hart had verdiend, dat bleef een niet onder woorden te brengen mysterie. 'Ah, Napoleon!', zuchtte ze terwijl ze zijn bleek-ivoren gezicht afstofte. Mijn vragende blik werd slechts beantwoord met handengewapper en vochtige ogen. 'Mon Napoléon!' Een man als Napoleon, dat sprak toch vanzelf?

Blijkbaar zijn er wel meer mensen die zich onbedwingbaar aangetrokken voelen tot de figuur van Napoleon Bonaparte. De Corsicaan die ooit half Europa aan zijn voeten had, moet wel een bijzonder sterke aura hebben. Een die eeuwen en landsgrenzen overbrugt. Volwassen mannen spelen zijn veldslagen na in aangepast kostuum of verzamelen soldaatjes van la grande armée. Anderen treden letterlijk in zijn voetsporen, volgen de omzwervingen van Napoleon in zijn queeste naar eeuwigdurende roem, en raken onderweg gefascineerd door de plaatsen en personen die bijrollen vertolkten in de saga. Zo ook Martin Bril, een Nederlandse journalist die de Napoleongekte onder de leden heeft. En wat doet een beetje schrijver met een zinloze passie? Hij maakt er een boekje van, kwestie van onschuldige lezers mee te slepen in het avontuur. Het boekje heet De kleine keizer en het is, met dank aan het onderwerp, bijzonder onderhoudend.

Eenzelvig

Op de titel valt niets af te dingen, want klein was Napoleon - 1,63 meter, wordt gezegd - maar de omvang van de Napoleonmythe is reusachtig. Voor de neofiet is er geen beginnen aan, schrijft Bril. 'Kennis is macht, maar te weinig kennis maakt hulpeloos en ten aanzien van Napoleon schiet iedereen altijd te kort.' Ondanks dit pessimistische uitgangspunt deed Bril de voorbije jaren verwoede pogingen om zijn kennis bij te spijkeren. Hij las zich een ongeluk, speurde in archieven en bezocht de sites van Napoleons beroemdste veldslagen. Op Corsica kroop hij in de grot waar de kleine Napoleon zich voor zijn moeder placht te verstoppen. Hij was een vreemd kind, Napoleone, en een nog vreemdere adolescent: ernstig, vechtlustig en ambitieus, maar ook broedend en eenzelvig. Tegen een leraar die hem vroeg wat hij toch met zo'n eigenzinnig geval aan moest, riep de elfjarige Napoleon gekwetst: 'Je suis un homme!'

Aan klassieke mannelijke deugden ontbrak het Napoleon niet. Bril somt ze met plezier op in vele korte hoofdstukjes. Van vroege militaire successen - de slag bij Marengo! - tot zijn passie voor Joséphine De Beauharnais en zijn onwaarschijnlijke comeback nadat hij naar het eiland Elba verbannen was. Zelfs Napoleonhaters moeten toegeven dat hij best dapper was, en dat hij onwaarschijnlijk veel obstakels overwon. Schrijven kon de kleine keizer ook, en wel zo goed dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code civil voor hij zich aan zijn literaire arbeid zette. 'Een wonder van droge, maar toch elegante formuleerkunst', noemt Bril Napoleons burgerlijk wetboek. Napoleons liefdesbrieven aan Joséphine zijn even eloquent en veel persoonlijker - jammer dat Bril daar niet uit citeert.

Keizerlijke fat

Bevlogen militair, bevlogen minnaar - allemaal mooi en wel, maar mooie liedjes blijven niet duren: in die zin verging het Napoleon net als Elvis, die andere passie van Bril. Zoals de rockende Elvis zijn wilde onschuld en zijn slanke lijn verloor om te eindigen als croonende drilpudding, zo verwerd de revolutionair Napoleon tot een pompeuze keizerlijke fat.

Macht was zijn minnares, in de liefde was hij cynisch geworden nadat hij Joséphines ontrouw had ontdekt. Toen de verzamelde Europese grootmachten zijn imperiale geldingsdrang beu waren, was het sprookje uit. De stralende zon van Austerlitz - zijn mooiste veldslag - verdronk in de modder van Waterloo, en van het eiland Sint-Helena zou hij niet meer ontsnappen. Zijn tweede vrouw liet hem in de steek. Haar vader, de keizer van Oostenrijk, voedde zijn enige wettige zoon op. Die stierf jong aan tbc. 'Quel roman que ma vie', zuchtte de verbannen Napoleon. Op het vochtige Sint-Helena verveelde de ex-keizer zich dood. Zijn laatste woord voor hij bezweek aan maagkanker: 'Joséphine.'

Helaas is een autobiografische roman er nooit van gekomen, maar een stoet anekdotes zoals Martin Bril ze opvoert in De kleine keizer is toch een troost. Keuze zat, want vrijwel alles wat Napoleon ooit zei en deed is door aandachtige toeschouwers vastgelegd. Je zou kunnen spreken van een levensechte soap of, zoals Bril het schrijft: 'Misschien heeft het leven van Napoleon op mij dezelfde aantrekkingskracht als Goede tijden, slechte tijden op mijn dochters.'

Bril is ook bij uitstek gefascineerd door de 'petite histoire': verwacht dus geen diepgaande karakterstudie of een grondige doorlichting van de troepenopstelling bij Austerlitz. De kleine keizer is een Napoleongrabbelton waaruit Bril een bijzonder voorval of een grappig detail vist om het dan, met zorg gepoetst, voor de neus van de lezer te houden. Het is een gezellig keuvelend verslag van een passie, zoals ook wijlen Boudewijn Büch dat graag schreef. Als hors-d'oeuvre, een smakelijk opwarmertje in afwachting van het serieuze werk, kan het tellen. Misschien eindigt ook u met een boekenplank vol Napoleonliteratuur. Of met een beeldje op de kast.

Martin Bril:
De kleine keizer
Verslag van een passie
2008, Prometheus
.

woensdag 16 juli 2008

Pauli's pen...

.
Pauli's Pen:
(Nie) wieder Opposition

Met het aanbieden van zijn ontslag heeft Yves Leterme het einde bezegeld van een van de allerslechtste regeringen sinds de Tweede Wereldoorlog. Via zijn woordvoerder weet de ontslagnemende premier de crisis aan zijn vaststelling "dat het overlegmodel op louter federaal niveau zijn limieten heeft bereikt". Dat herhaalde CD&V-voorzitter Marianne Thyssen ongeveer letterlijk. Het is trouwens de visie waarmee het kartel naar de verkiezingen trok. De cirkel is dus rond, er werd bewezen wat bewezen moest worden.

Ook al waren er zeker zware communautaire spanningen, het klopt niet dat die bij vorige crisissen er niet waren, of minder zwaarwichtig. Ook voorheen al waren communautaire tegenstellingen vaak zogezegd 'onoverbrugbaar' - daarom dat de regeringen ook vielen, tiens. In 1968 struikelde Vanden Boeynants I over Leuven. In 1987 viel Martens VI over Voeren. In 1991 struikelde Martens VIII over de wapenexport. De VU vloog uit de regering, Martens IX werd gevormd, en prompt viel die ook. 'Onoverbrugbaar': het was ook toen het sleutelbegrip.

Het komt dus niet door Vlaams-Waalse tegenstellingen as never seen before die maakten dat de regering-Leterme I altijd een gedrochtje bleef. Wat de doodsstrijd van Leterme I wezenlijk onderscheidde van voorbije crisissen is het volgende: nooit primeerde het partijbelang zo zwaar op het regeringsbelang. Nooit werd het algemeen belang, het regeringsbelang, zo openlijk ondergeschikt gemaakt aan de desiderata van één formatie. De verantwoordelijkheid van CD&V is verpletterend.

Niet - het weze herhaald - níét die van de N-VA. A la guerre comme à la guerre: Bart De Wever wil België doen springen, stippelt daarvoor de politieke strategie uit die hem zint. Het is maar aan andere politici en partijen om daarop een antwoord te vinden. Dat antwoord vond de CD&V-top nooit. Deels omdat het de eerste crisis van dit niveau is die CD&V in zijn bestaan het hoofd moet bieden. Voor het goede begrip: de basis bestaat nog wel uit Vlaamse christendemocraten, maar het politieke vehikel is anders. CD&V is CVP niet. Die metamorfose voltrok zich toen de CVP tijdens paars-(groen) in de oppositie raakte.

De 'CVP' was namelijk in wezen een machtspartij. Toen de christendemocraten zich tussen 1999 en 2004 zo onverwacht verstoken zagen van die macht, belandden ze in een regelrechte identiteitscrisis. De groep rond ex-voorzitter Johan Van Hecke (met onder anderen Karel Pinxten, Annemie Turtelboom en zelfs Reginald Moreels) wist niet hoe snel oversteken naar de VLD. Vanwege de aantrekkingskracht van de ideeën, heette het. Maar, toeval of niet, ook naar de partij die toen de macht bezat. Het moet genetisch zijn.

In de goot

De medische wetenschap kent al langer het fenomeen: mensen die in een ongeval een harde klap kregen tegen hun hoofd, raken ogenschijnlijk helemaal hersteld. Maar uiteindelijk voltrok er iets wezenlijkers: de klap tastte hun karakter aan, vervormde hun persoonlijkheid. Die pathologie lijkt van toepassing op de Vlaamse christendemocraten. Zij hongerden opnieuw naar de verloren macht van vroeger. Maar, naar het gevleugelde inzicht van Rik Coolsaet: "De geschiedenis herhaalt zich wel, maar nooit op dezelfde manier als vroeger." De nieuwe machtspartij is de oude niet.

De CVP dankte haar macht aan haar status van 'staatsdragende' partij. Haar leiding genoot het vertrouwen van de haute finance, de industriële wereld, het hele christelijke geïnspireerde middenveld, inbegrepen de kerkelijke hiërarchie en het hof. De CVP-top leefde daardoor in nauwe symbiose met de machthebbers in de wereld van onderwijs, zorg, verenigingsleven en kerk. Met de dioxinecrisis van 1999 klapte dat model ineen en liepen de Vlaamse christendemocraten rond als kippen zonder kop.

In de oppositie kwam de nieuwe generatie tot inzicht dat 'staatsdragend' zijn geen ticket meer was voor de macht. Integendeel, door zich (te) verantwoordelijk op te stellen, was de CVP geëindigd waar het terecht was gekomen. In de oppositie. Voor de petit bourgeois van de Vlaamse middelmatigheid was dat synoniem voor: in de goot.

De nieuwe CD&V-generatie maakte niet meer de oorlog mee maar wel de oppositie. Zij denken dat dit even erg was, of zijn er op zijn minst even zwaar door geschokt. De oude CVP vond het een gratie dat zij, na de nazibezetting, weer zelf het land mocht besturen en de samenleving vorm mocht geven. 'Staatsdragend' was niet alleen een attitude die toegang gaf tot de macht, maar ook een uiting van een overtuiging. Het nieuwe CD&V-gremium hongert, na de paarse usurpatie van het land, opnieuw naar het incontournable zijn. Hun hartenkreet luidt: Nie wieder Opposition.

En dus zwoer men 'staatsdragend' af. In al zijn facetten. Staatsdragend betekende zorg dragen om het federale België. Bij de nieuwe CD&V is het: alles behalve dát. Ook al omdat men ervan uitgaat dat in een Vlaamse (deel)staat de macht hen haast onmogelijk kan ontsnappen. Die tweespalt tekende zich al in 1999 af. Federaal premier Jean-Luc Dehaene wierp daags na de verkiezingen de handdoek in de ring, Vlaams minister-president Luc Van den Brande wilde doordoen. Niet uit ijdelheid, maar uit wiskunde. In het federale parlement was de CVP niet meer de grootste fractie. In het Vlaamse wel, zij het met een marge van één zetel.

Marionet

Staatsdragend betekende bekommernis om de overheidsfinanciën. Ook dat is er niet meer. Zelden sprong er een regering cynischer om met de begroting en de zorg voor de vergrijzing als Leterme I. Staatsdragend betekende dat de invloed van de Belgische regeringsleiders op de partij zeer groot, zo niet dominant was. Los van het verschil in persoonlijkheid tussen Dehaene en Leterme, is de premier vandaag een marionet van de partij. Wat kenmerkend was voor de CVP, heeft CD&V gewoon op zijn kop gezet.

Alle reconstructies van wat er zich gisteren afspeelde, zijn redelijk eensluidend. De beperkte CD&V-top was het onderling eens om Leterme I nog een kans te geven. Yves Leterme zou de regering en het parlement moeten overtuigen, Marianne Thyssen de CD&V-partijraad, Jo Vandeurzen de CD&V-fracties. Maar dat ging niet door. De CD&V-top schrok namelijk van de vele negatieve reacties die binnenstroomden. De achterban zei neen. En dus volgde de leiding. Hadden de andere vicepremiers dwars gelegen, 'slechts' de vicepremiers, dan had men wel gevochten. Maar niets is hoger dan het partijbelang. CD&V-mandatarissen en, godbetert, e-mails van 'de basis' sturen de eigen premier, en bijgevolg de regering en het land in een uitzichtloze crisis, in een baan om de aarde, als het moet nog verder de ruimte in. De CD&V-achterban heeft de macht om de Belgische politiek in een shuttle te steken, Star Treks ruimteschip Enterprise achterna: 'To boldly go where no man has gone before.'

En dat allemaal omdat de leiding van die partij de achterban níét tegen de haren in wil strijken, laat staan de kiezer. Staatsbelang werd ingewisseld voor partijbelang.

Dat klinkt trouwens letterlijk in eigen mededelingen of in met CD&V sympathiserende commentaren. Zeggen de CD&V-Jongeren: "Verder onderhandelen (...) betekent pure zelfmoord voor onze partij en het kartel." Het initiatief aan anderen laten is ook geen teken van zwakte: "Het is een bewijs van integriteit ten aanzien van onze kiezers."
Ach, natuurlijk stuurden vorige regeringsleiders ook niet aan op een nederlaag van hun eigen partij. Natuurlijk hoopt elke premier, iedere minister dat hij zelf en zijn of haar partij de volgende verkiezingen zullen winnen.

Alleen zou CD&V zich wel eens kunnen vergissen als ze denken dat de fixatie op het partijbelang ook electoraal lonend is. Voorbeelden uit het verleden tonen eerder een omgekeerd beeld. Wilfried Martens behaalde zijn grootste electorale zege in 1985, na vier harde jaren inleveringsbeleid. Toen de SP in 1994 zich ertoe verbond het Globaal Plan van Dehaene te steunen - ook een harde inlevering - kwamen volgens boegbeeld Louis Tobback "de partijboekjes met honderden binnen op de Keizerslaan". De tandem Dehaene-Tobback deed wat hij dacht dat het beste was voor het land. En de achterban volgde, want ondanks Agusta was er géén electoraal verlies. Niet bij de SP, ook niet bij de CVP trouwens. Hadden ze het enge partijbelang gevolgd, dan was dat er nooit gekomen.

De reden daarvoor ligt eigenlijk voor de hand. Staatsbelang is gedeeld eigenbelang. De regering draagt zorg voor de collectiviteit. Alleen als die regering dat goed doet, wordt elke Belg - weze hij Vlaming of Franstalige - er collectief beter van. Indien een regering dat verzuimt, gaat het land collectief achteruit, en dat sleurt ons allemaal afzonderlijk de dieperik in.

De CD&V-kiezer heeft wel een overtuiging, maar ook een portemonnee, kinderen, een al dan niet bedreigde job. Als Yves Leterme zegt dat hij meer belang hecht aan "het kartel" dan aan "het land", vertelt hij: "Ik kijk meer naar mijn partij dan naar mijn inwoners" - en dus, paradoxaal genoeg, naar mijn kiezers. Politici, en zeker premiers, die zo stuitend het partijbelang laten primeren op 's lands belang, wurgen zichzelf. Zoals de voorbije weken de peilingen trouwens aangaven: de populariteit van CD&V keldert. Zij denken: omdat we het partijbelang nog te weinig benadrukken. Het is juist omgekeerd. Dat zelfcorrigerende mechanisme heeft overigens een heerlijke naam. Het heet: democratie. Het is op termijn genadeloos voor zakkenvullers en eigenbelangers.

16/07/08 11u00
.

zondag 13 juli 2008

Regels van Fatsoen

.
Opinie: De man op de maandag
maandag 06 augustus 2007

REGELS VAN FATSOEN


Van 21 juli herinner ik me dit jaar vooral het driftig zwaaien met Belgische vlaggen. Alsof alle nationale problemen er mee moesten worden weggewuifd. Koning Albert loofde in zijn rede iedere inspanning om de gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen en komaf te maken met de vooroordelen en clichés. Onder deze woorden was de waarschuwing hoorbaar voor extremisme en al dan niet omfloerst separatisme. Misschien hebben de Vlamingen en Walen deze zalvende formuleringen al zo vaak gehoord, dat ze geen indruk meer maken. Verdoezelen ze niet dat de houdbaarheidsdatum van België al lang is overschreden?
'Een terminaal zieke kunststaat' wordt België door Frank Vanhecke genoemd. Dat klinkt uit de mond van een Vlaams Belanger niet als een diagnose maar een wensgedachte. Er is trouwens niets mis met een kunststaat. Het klinkt mij sympathiek in de oren. Met wilskracht en creatieve inzet gevormd. Net zoals Europa. Tegenover een kunststaat staat een natuurlijke staat. Blut und Boden ruikt naar oorlog. In een betere wereld vermengt het bloed zich en eist niemand zijn bodem louter voor zichzelf op.

Nederland wordt niet geplaagd door separatisten. Nederlanders voelen zich samen één en iedereen kent het volkslied. Een bezoek aan Nederland is als een herinnering aan een andere tijd. De jaren vijftig revisited. Wederopbouw. Iedereen netjes aan het werk. Keurige woonwijken en glanzende kinderwagens. Grasveldjes met bordjes 'verboden te lopen'. Veel goedendag en daaag en tot ziens en bedaaaankt! Sociale controle en aardappelen met jus. Nu Nederland onder Balkenende IV bijna de perfectie heeft bereikt, is het tijd voor de finishing touch. Vier mensen werden onlangs veroordeeld voor het beledigen van een agent, een vijfde is beboet voor majesteitsschennis. Wat een tuttige wereld. Bovendien is een grondrecht in gevaar: de vrijheid van meningsuiting,

Voor een belediging zijn twee mensen nodig. Degene die beledigt, maar ook degene die zich beledigd voelt. Zou Beatrix zich één moment geraakt voelen door de Surinamer die haar een hoer noemde? Is het trouwens niet een beetje waar dat een koningin zich laat betalen voor haar vaderlandsliefde? Je hoeft geen groot dichter te zijn om de vergelijking te kunnen maken tussen de koningin in haar gouden koets en een meisje van lichte zeden dat vanachter haar venster naar een voorbijganger zwaait.

Alles kan als een belediging worden opgevat. Daarom verdedigde Ayaan Hirsi Ali twee jaar geleden de meningsvrijheid als 'het recht om te beledigen'. Wat zou het vrije woord anders nog inhouden? Mensen met lange tenen zouden daarmee anderen het zwijgen opleggen.

De taal is verruwd en de betekenissen zijn aan inflatie onderhevig. Iedereen is tegenwoordig een hoer of een zoon ervan. Alleen de koningin daadwerkelijk verkrachten zou strafbaar moeten zijn. Maar niet strafbaarder dan het verkrachten van een televisieomroepster of de melkboer.

Vrijheid van meningsuiting impliceert ook de vrijheid om te beledigen, schokken, kwetsen en verontrusten, ook al is zulks misschien niet fatsoenlijk. Regels van fatsoen horen in het strafboek niet thuis. Als rechters dat moeten afdwingen, leven we in een politiestaat.

Het is niet omdat majesteitsschennis bij wet verboden is dat het daarom ook daadwerkelijk vervolgd moet worden. Het is een hoogbejaard verbod, een soort folkloristische aanwezigheid in het wetboek. Een hilarisch museumstuk.

Te veel majesteitsschennis kan evenwel schadelijk zijn voor de monarchie. Als vijftien miljoen Nederlanders een T-shirt met de tekst 'Beatrix is een hoer' aantrekken is het hek van de dam. Laat de artikelen 111 en verder van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht over majesteitsschennis daarom voor de zekerheid maar staan. Of aanvaardt dat vrijheid van meningsuiting ooit op een dag kan leiden tot de val van de monarchie.

De meeste Europeanen dromen van sterke nationale staten en koningshuizen. In Frankrijk doen ze er alles aan om de Sarkozy's tot koningspaar te verheffen dat de Fransen als één brave familie bij elkaar zal houden. Cécilia wordt pathetisch de nieuwe 'Reine de L'Elysée' genoemd. Het koppel wordt zelfs vergeleken met Napoleon en zijn vrouw Josephine omdat Sarkozy net als de Keizer der Fransen zijn vrouw adoreert. Maar die keizerlijke liefde maakte niet gelukkig en Josephine trok zich ver van de Franse hoofdstad terug in het Kasteel van Laeken. De Belgische koninklijke familie heeft vandaag de dag in datzelfde paleis de moeilijke taak om Walen en Vlamingen zich Belgen te laten voelen. Liever dan dat Koningshuis te beledigen waarderen echte Belgen haar als symbool van eenheid in bange dagen.

Oscar van den Boogaard is schrijver.
De man op de maandag verschijnt elk maandag.

Dwalingen door de streek van Tricastin

.
De Standaard, 10 juli.

Kerncentrale was al gewaarschuwd

PARIJS (DPA, DS) - De Franse kerncentrale waar maandag een nucleair lek plaatsvond, was al in 2007 gewaarschuwd voor onveilige plekken.
De Franse nucleaire dienst ASN stuurde gisteren een team van experts naar de kerncentrale Tricastin, waar maandag radioactief uranium in de natuur vrijkwam. Duidelijk is alvast wel dat er een heleboel fouten en nalatigheden zijn gebeurd in de kerncentrale. Zo meldde de krant La Provence gisteren dat een rapport van de ASN al in mei 2007 had gewaarschuwd dat de uitbater van de kerncentrale, Socatri, de afvoerkanalen dringend moest vervangen omdat er herhaaldelijk lekken en 'dwalingen' werden vastgesteld. Zelfs al leverden die niet meteen gevaar op voor de mens en de natuur, toch waren ze 'inacceptabel', aldus de ASN.
Het lek gebeurde maandagavond om 23.00 uur. Dezelfde Socatri waarschuwde de ASN pas dinsdagochtend om 7.00 uur over het incident. De omwonenden werden pas geïnformeerd om 13.00 uur dinsdagmiddag.
Het uraniumgehalte in de vervuild geraakte rivieren Gaffière en L'Auzon is intussen snel terug afgenomen, en zou zich nu opnieuw onder de grenswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie bevinden. Maar de precieze gevolgen voor de bevolking en het milieu zijn nog niet bekend. Zwemmen en vissen in het rivierwater blijven voorlopig verboden. Er moet ook nog onderzocht worden of er zich uranium in de rivierbedding heeft afgezet. (jdc)
.

dinsdag 8 juli 2008

Die Europese grondwet komt er, volgens De Gucht

Buitenland

De Standaard: zaterdag 3 september 2005

Die Europese grondwet komt er, volgens De Gucht

Karel De Gucht laat zich niet ontmoedigen door het Franse en Nederlandse njet

Karel De Gucht heeft aan zijn bezoek aan Burundi, eind vorige week, voor de eedaflegging van de pas verkozen president Nkurunziza, een ontregelde maag overgehouden. Geen beter medicijn in dat geval dan een goeie whiskey, zegt hij, en hij voegt de daad bij het woord. In weerwil van de kritiek die hij heeft gekregen, gaat nog steeds ,,een groot deel van zijn tijd'' naar Midden-Afrika. En hij wijst resoluut elke vorm van europessimisme af. ,,Er is een inherente logica aan de EU, en die komt wel weer bovendrijven.''
De anti-Europese uitslag van de referenda in Frankrijk en Nederland heeft de Unie een politieke en psychologische knauw gegeven. Hoe moet het nu verder?

,,Vergeet niet dat Luxemburg ja gestemd heeft.''

We zijn gered. ,,Als het neen van Frankrijk of Nederland een psychologisch effect heeft op de rest van de EU, dan is er evengoed een psychologisch effect als een land, hoe klein ook, daarna ja zegt tegen de Europese grondwet. Daarmee is de Europese grondwet natuurlijk niet gered. Maar ik zie geen alternatief. Iedereen beseft dat het met deze grondwet zal moeten gebeuren als men de komende jaren iets wil doen. Ik zie niet in hoe je heel die discussie, die anderhalf jaar heeft geduurd, opnieuw zou kunnen beginnen. De grondwet is bovendien niet revolutionair, maar evolutionair, zoals de Unie altijd geweest is.''

Blijft het feit dat Frankrijk en Nederland hem verworpen hebben. En dan zijn de Britten nog niet aan het woord geweest. ,,De redenen waarom de mensen neen hebben gestemd, hebben weinig te maken met de inhoud van dat akkoord. Er speelden allerlei frustraties en angsten mee, maar die hadden weinig te maken met het soort meerderheid waarmee de ministerraad beslist, of met de samenstelling van de Commissie, of met de toegenomen bevoegdheden van het parlement. Dus denk ik: 'Il faut laisser le temps au temps.' Geduld oefenen, en kijken hoe dat evolueert in de komende maanden of zelfs jaren.''

Zegt u nu dat Frankrijk het referendum moet overdoen?

,,Frankrijk moet daarover beslissen. Maar dat moet kunnen.''

,,Dan wordt het misschien zestig procent tegen. In Frankrijk word je nu populair door anti-Europees te zijn.''

,,Alles verandert in het leven.''

,,Ja, maar de diepe reden voor het Franse neen was de verwerping van een Europa waarin Frankrijk niet langer een onbetwiste leidersrol speelt. De Franse bewindslieden hebben Europa aan hun bevolking altijd verkocht als de voortzetting van Frankrijk met andere middelen. ,,Kijk, in alle landen spelen allerlei redenen mee, van algemene en specifieke aard. Een algemene reden is in belangrijke mate de frustratie dat men nooit over de uitbreiding geconsulteerd is, maar nu ineens wel zijn mening moet geven over de grondwet. Bij veel mensen bestaat bovendien de indruk dat nu ook Turkije kan toetreden zonder dat daarover ooit hun mening gevraagd is. Dat is een foute indruk, want we praten nu over onderhandelingen met Turkije, en zeker nog niet over lidmaatschap. Maar de politiek moet zich ook bezighouden met het gevoel dat bij de mensen leeft.''

,,Een tweede algemene reden is de angst voor de globalisering. Veel Europeanen zien de uitbreiding als een symptoom van de globalisering, terwijl de uitbreiding net het enige serieuze antwoord is dat Europa kan formuleren op een globalisering die sowieso onomkeerbaar is.''

,,Daarnaast zijn er gevoeligheden per land. In Frankrijk speelt de reden mee die u aanhaalt, in Italië speelt het gevoel mee dat door de euro de levensduurte enorm gestegen is. Nu mogen financiële experts wel zeggen dat dat niet klopt, maar die perceptie is er nu eenmaal. Elke Italiaan is ervan overtuigd dat de prijs van een cappuccino in een café sinds de invoering van de euro met veertig procent gestegen is. De huurprijzen zijn de hoogte ingeschoten. Is dat een gevolg van de euro? Allicht niet, maar het wordt er wel mee geassocieerd. En dus mag je de Italiaanse twijfels over de euro niet te licht opvatten. Ik denk wel dat een vertrek uit de euro onuitvoerbaar is, maar je mag niet denken dat alleen maar een zonderling in Italië zoiets zegt. Dat ongenoegen projecteert zich dan op de Europese grondwet.''

De Europese grondwet is het beste wat mogelijk is, zegt u, alleen jammer van de uitslag van die referenda. ,,Ja, jammer van de uitslag. Maar ik betreur niet dat die referenda gehouden zijn. Ik ben altijd voorstander geweest van een referendum in België. Nu zeggen er geregeld mensen tegen mij: 'U mag blij zijn dat er hier geen referendum geweest is.' Ik vind dat niet juist. Ik had het veel beter gevonden als de Belgen zich daarover uitgesproken hadden.''

U kunt toch niet zeggen: we gaan door met de grondwet en over twee jaar proberen we het nog eens in de landen die nee gezegd hebben. Als u dat, in de huidige sfeer, in Frankrijk of Nederland probeert, krijgt u een enorme backlash.

,,We moeten nu in de komende twee jaar of zo bewijzen dat de Europese Unie werkt, dat we echt vooruitgang boeken, bijvoorbeeld in de vrijmaking van de diensten. We moeten bewijzen dat Europa werkt. En dan zal men zeggen: 'Kijk, er zijn toch enkele procedures die veranderd moeten worden.' Wel, die procedures zitten dan in de grondwet, want de grondwet gaat vooral over procedures, niet over welk monetair beleid er gevoerd moeten worden.''

Dan had men de tekst toch beter geen grondwet kunnen noemen. ,,Dat argument speelt in Groot-Brittannië, misschien ook in Nederland.''

Ook in Frankrijk. Links heeft gezegd: 'Waar ter wereld vind je een grondwet die voor meer dan de helft gaat over vrijhandel en alle procedures die ermee te maken hebben? Waarom zetten we er dan niet meteen ook de wegcode in?' Een grondwet is doorgaans een beperkt document dat enkele grote principes uiteenzet. ,,Dat is een vals argument. Kijk naar het Verdrag van Rome: daar heb je al de mengeling van procedures en inhoud. Kijk naar de Europese Akte en het Verdrag van Maastricht, en in iets mindere mate naar het Verdrag van Amsterdam: het succes van die verdragen komt juist voort uit de koppeling van de inhoud aan de procedures. Bij de Europese Akte was dat het koppelen van de samenwerkingsprocedure aan een programma voor de interne markt. Iedereen was enthousiast over de interne markt. Dat is toen bejubeld als de grote Europese stap voorwaarts. En nu doet men alsof de eengemaakte markt de neergang van Europa is.''

,,Beeld je eens in dat we naar de Europeanen gaan met een grondwet die alleen de grote principes opsomt. De burgers zouden zeggen: 'Wij keuren geen grondwet goed als we niet weten wat er achteraf met die mooie principes gebeurt.' We zitten nu in een pessimistische fase van de Europese integratie, en ik doe daar niet zo dramatisch over. Als je naar de voorbije vijftig jaren van Europese integratie kijkt, zijn er meer pessimistische dan optimistische fases geweest. Tel de periodes samen waarin de Unie echt vooruitgang heeft geboekt en je komt op vijftien jaar.''

,,Dat we nu weer in een moeilijker fase zitten, is niet abnormaal. Dat betekent niet meteen het einde van de Europese integratie. We zullen ook daar wel weer doorheen komen. Omdat er een inherente logica is aan de EU, en op een bepaald ogenblik zal die weer bovendrijven. Er is geen alternatief voor de EU.''

Ook de Europese diplomatie is niet overal succesvol. Iran gaf de EU een klap in het gezicht door een Europees voorstel voor samenwerking in de vuilnisbak te kieperen en zijn activiteiten voor verrijking van uranium te hervatten. ,, Dat is een zeer moeilijke onderhandeling, maar een diplomatieke oplossing is nog altijd de beste optie. Ook de VS vinden dat. Ze zouden zo'n onderhandeling niet aan Europa hebben uitbesteed als ze zelf een betere oplossing hadden. Europa heeft er op elk ogenblik rekening mee gehouden dat het een bijzonder moeilijk dossier is. Maar op dit moment is dit de best mogelijke benadering. Geen enkele diplomatie kan op dit moment een kant-en-klaar antwoord geven op die kwestie.''

,,Eigenlijk moeten we dat dossier aanpakken zoals een Iraniër dat zou aanpakken. Dat betekent met veel geduld en gesofistikeerde redeneringen. Ik denk dat de Europese diplomatie ertoe toegerust is om dat te doen.''

Twijfelt u eraan dat Iran de ambitie heeft een kernwapen te ontwikkelen?

,,Ik denk dat hun redenering is: 'Als India en Israël kernwapens hebben, waarom zouden wij er dan geen mogen hebben?' De presidentswissel zal daaraan weinig veranderen. Daarover bestaat in Iran een vrij grote consensus. We moeten Iran ervan overtuigen geen kernwapens te ontwikkelen en we moeten daar voldoende compensaties tegenover plaatsen. Europa moet proberen Iran in de internationale gemeenschap op te nemen, ook op economisch vlak. Dat is voor Iran zeer belangrijk, gezien zijn jonge bevolking.''

,,Maar ook Iran moet duidelijk laten zien dat het tot de internationale gemeenschap wil behoren. Dat betekent dat het land alle expliciete en impliciete banden met het terrorisme moet afzweren, ook in de praktijk.''

Waarom zou een fundamentalistische dictatuur zich iets aantrekken van haar bevolking?

,,Ik denk dat vooral in de buitenlandse politiek het ideologische aspect veel minder speelt dan de hard facts of life . Politici, zeker zij die het buitenlandse beleid sturen, zijn meestal veel rationeler dan op het eerste gezicht lijkt. Dat is mijn overtuiging.''

Daladier en Chamberlain dachten ook dat Hitler rationeel zou zijn en zijn land niet zou opofferen aan een oorlog. Maar bij ideologische regimes spelen rationele argumenten geen rol. ,,Ik waag me niet aan een vergelijking tussen Hitler en het huidige Iran.''

De vergelijking slaat op een ideologisch regime waarin de rationaliteit wordt opgeofferd aan de ideologie. ,,Ik denk dat Iran in dit dossier constant balanceert tussen ratio en ideologie. De achtergrond daarvan is de nationale consensus dat Iran recht heeft op een atoomwapen. Maar ook Iran komt nu terug op de kordate afwijzing van het voorstel van de EU. In die tactiek zit een va-et-vient die deel uitmaakt van de onderhandelingsstrategie van de Iraniërs.''


Mia Doornaert en Bart Beirlant