donderdag 22 januari 2009

Dit is geen zwarte president


Niet alleen wat iemand zegt, is van belang. Ook hoe en in welke woorden hij dat doet, telt mee. MARC REYNEBEAU onderzocht de 'woordenwolk' waarmee Barack Obama zijn inaugurale toespraak van eergisteren opbouwde en vergeleek die met de speech van diens voorgangers. Want de taal is nooit neutraal.

Een leerrijk speeltje van de informatica is de zogeheten word cloud generator van Wordle.net: stop een tekst in dat computerprogramma en er komt een wolkvormige brij van woorden uit. De grootte van de woorden geeft aan hoe vaak ze in die tekst voorkomen. Hierboven staan vier zulke 'wolken', de inaugurale toespraken van Bill Clinton (1993), George W. Bush (2001) en Barack Obama (2009), met daarbij de beroemde toespraak I have a dream van de zwarte burgerrechtenactivist Martin Luther King uit 1963.
Bij het zoeken welke cluster van woorden bij welke tekst hoort, is die laatste het makkelijkst te identificeren. Die dateert namelijk van bijna een halve eeuw geleden en hij is dus de enige waarin het woord Negro nog zo prominent kan voorkomen. De jongste twintig jaar is het gebruik daarvan niet langer aanvaardbaar - het is vervangen door African American.
Niet dat dit laatste begrip dan opdook in de toespraak die Obama eergisteren hield toen hij de presidentiële eed aflegde, al heet het nog zo vaak dat hij de eerste 'zwarte' president van de Verenigde Staten zou zijn. Zou, want zijn moeder was tenslotte een blanke vrouw uit Kansas - 'witter' kan haast niet. Obama is niet zozeer 'zwart' (een term die elke rasvermenging als niet-blank, onzuiver en dus zwart aanziet), maar, laat ons zeggen, 'bicultureel'. En dat laatste is, louter demografisch, bij uitstek een steeds belangrijker kenmerk van de VS in de eenentwintigste eeuw.
Zelf mat Obama zich geen Afrikaans-Amerikaanse identiteit aan. Huidskleur hoeft immers geen erg interessante marker meer te zijn om te duiden wat voor iemand een politicus (of om het even wie anders) is. Feitelijk klopt het voor Obama al niet, en ideologisch kiest hij zelfs voor het tegendeel daarvan. In zijn toespraak ging zijn enige verwijzing naar de raciale discriminatie van de zwarte Amerikanen over het verleden, het feit dat zijn Keniaanse vader zestig jaar geleden in een restaurant niet eens iets besteld had kunnen krijgen.
Daarmee wilde Obama minder de discriminatie aanklagen dan wel de al gemaakte vooruitgang en dus de change onderstrepen: want zie, daar stond hijzelf toch maar mooi 'de heiligste aller eden' af te leggen, die als nieuwe president. En daarmee onderstreepte hij een andere factor: de noodzaak om een gezamenlijke verantwoordelijkheid op te nemen. Want yes, we can, zoals de geschiedenis had bewezen.
Vandaar dat het kernwoord in zijn toespraak nation was, natie, de gemeenschap van alle Amerikanen, ongeacht hun huidskeur. Dat is wat anders dan het people dat in Bill Clintons toespraak van 1993 een belangrijke plaats innam of het citizen van George W. Bush in 2001. In de Amerikaanse context benadrukt 'natie', veel meer dan de neutralere woorden 'volk' of 'burger', de verbondenheid tussen mensen en hun gedeelde verantwoordelijkheid voor elkaar.
Hoe weinig Obama het onrecht en de ongelijkheid raciaal definieerde, des te duidelijker deed hij dat in sociale termen. De economische crisis, zo zei hij haast letterlijk, is er niet gekomen omdat de arbeiders lui zijn, maar als gevolg van hebzucht en onverantwoordelijkheid, gebrekkige overheidscontrole, het najagen van rijkdom en roem, en een systeem dat alleen de welvarenden ten goede komt.
Het klonk als een echo van de inaugurale toespraak van Franklin D. Roosevelt in 1933, die de schuld voor de toenmalige crisis ondubbelzinnig bij de bankiers legde. Geen wonder dat de beurs op Wall Street eergisteren op Inauguration Day geen blijk gaf van veel euforie.
Het moet voor Obama allemaal ingrijpend anders. Dat verklaart waarom new al even prominent in zijn wolk staat. 'Nieuw' sluit naadloos aan bij het sleutelwoord 'verandering' waarop Obama zich liet verkiezen.
Als een woord heel prominent in een woordenwolk opduikt, wil dat overigens niet meteen zeggen dat de spreker daar gloedvol over sprak. In de eerste inaugurale toespraak van Ronald Reagan in 1981 stond het woord government centraal. Maar met als boodschap: de regering moet zo bescheiden mogelijk zijn en bijvoorbeeld veel minder belasten en reguleren.
Het valt op dat in Obama's 'wolk' meer verschillende woorden lijken te staan dan in die van zijn voorgangers. En dat de sleutelbegrippen minder dominant zijn. Dat maakt zijn tekst genuanceerder, meer gevarieerd en kleurrijker. Obama's vocabularium klinkt mede daardoor ook bescheidener, menselijker, concreter, aardser, huiselijker, vrouwelijker zelfs, met woorden als mensen, gemeenschappelijk, generatie, vriend, geest, vader, leven, vrouwen, kind, scholen, aarde, dingen, lager, klein, minder, ontmoeten, samenwerking.
Daarin verschilt Obama's speech fel van die van Bill Clinton, die vrij bureaucratisch klonk en waarin vooral de dominantie van het woord must, 'moeten', opvalt. Maar het verschil is het grootst met de woordenwolk van George W. Bush van acht jaar geleden. Die bulkte van de abstracte, assertieve en ook meer autoritaire begrippen, met als absolute uitschieters freedom en het daarmee nauw verwante liberty.
Curieus is dat die 'vrijheid' in Martin Luther Kings toespraak al even centraal staat. Maar de dominee bedoelde daar een heel ander soort vrijheid mee: die van gediscrimineerde mensen die gelijke burgerrechten opeisen, niet de abstracte, vooral economische vrijheid die Bush bedoelde. Welke vrijheid Barack Obama in gedachten heeft, laat zich niet moeilijk raden.

Marc Reynebeau is redacteur van deze krant.

woensdag 21 januari 2009

Voetbal-actie Albert Heijn in jip-en-janneketaal

.
Door gastblogger Annie M.G. Schmidt

Met een introductie door Paul Blok:
Je kunt heel ingewikkeld doen over marketing. Of niet. Albert Heijn heeft - als sponsor van de eredivisie vanaf volgende week een spaaractie met voetbalplaatjes. In de commercial spelen de voetballers zelf ook een rol.
Maar het principe van de actie van de kruidenier is echter niet helemáál nieuw.

Voor iedereen die vindt dat de trends in marketing soms erg snel gaan, legt Annie M.G. Schmidt het idee van moderne marketing hoogstpersoonlijk in Jip en Janneke taal uit:


Moeder, roept Jip.
Wat is er?
Mag ik een pak havermout kopen?
Alweer, zegt moeder, we hebben nog een bus vol.
Hè toe nou, zegt Jip. Ik wil zo graag een kangoeroe.
Moeder lacht. In ieder pak havermout zit een plaatje. En Jip en Janneke sparen de plaatjes. Ieder plaatje is een beest. Ze hebben al een aap en een olifant en een zebra en nog veel meer, en dat alles wordt opgeplakt in een album. Maar een kangoeroe is er nog niet bij.
Vooruit dan maar, zegt moeder. Ga jij maar een pak havermout kopen. En neem Janneke maar mee. Samen gaan ze naar de winkel.

Een pak havermout, zegt Jip. Met een plaatje. En het moet een kangoeroe zijn.


Dat kan ik niet zien, zegt de juffrouw. Het plaatje zit binnen in het pak. Je moet afwachten.
Op een drafje hollen Jip en Janneke naar huis.
Gauw kijken, zegt Jip. Het is nu vast een kangoeroe.
Maar als ze het openmaken, dan valt het plaatje er al uit. Het is weer een aap.
Jip is boos. Alweer een aap, roept hij. Ik heb al een aap. Moeder, mag ik nog een pak havermout halen?
Nee, zegt moeder. Nou heb ik voor zes weken havermout genoeg. Als jullie morgen samen een hele teil havermout opeten, vind ik het goed. Wil je dat? Janneke, kom je morgen een hele teil havermout eten, bij Jip?
Nee, zegt Janneke. Ik vind een bord havermout al zo veel.
Nou zit ik met twee apen, schreeuwt Jip.
Je moet proberen te ruilen, zegt moeder. Ruil maar met de vriendjes op straat.
Dat is een idee. Jip staat de hele middag op straat om zijn ene aap te ruilen. Maar geen een jongetje eet thuis havermout.
Als Jip moedeloos terugkomt, staat Janneke aan de deur. Kijk eens, zegt ze.
Een kangoeroe! roept Jip.
Ja, zegt Janneke. Ik mocht van mijn moeder nog een pak havermout kopen. En hij zat erin.
Fijn, zegt Jip. En nou gauw in ons boek plakken.


Deze bijdrage verscheen (heel veel) eerder onder de titel “Een kangoeroe in de havermout” in boekvorm

zondag 18 januari 2009

Doe eens deaudgaan, lutser

De Standaard, zaterdag 17 januari 2009

In de jaren zeventig en tachtig was het komische duo Kees Van Kooten en Wim De Bie verantwoordelijk voor een groot aantal nieuwe woorden en uitdrukkingen in de Nederlandse taal. Mettertijd is iedereen vergeten dat zij neologismen bedachten als 'doemdenken', 'oudere jongeren', 'krasse knarren' en 'positivo', en uitdrukkingen als 'stoned als een garnaal'.
Is het een teken des tijds dat de meest invloedrijke taalvernieuwers vandaag niet langer uit linkse, maar uit rechts-populistische hoek komen? Zelfs het zeer gedegen vakblad Onze taal weidde onlangs zijn hoofdartikel aan het taalgebruik op GeenStijl, met zijn typische dysfemismen, overdrijvingen en schrijfwijze. Hun invloed op de Nederlandse taal is stilaan even groot aan het worden als die van Koot en Bie destijds. Het verschil is dat die invloed nu blijft hangen aan de grens, omdat weinig Vlamingen nog intensief de Nederlandse media volgen. En dat zelfs de Dikke Van Dale woorden als fappen, hakbar en lutser erkent, zal daar niet meteen veel aan veranderen.

Wat op GeenStijl meteen opvalt, zijn de vele bewuste - en onbewuste, Nederlanders zijn het spellen verleerd - schrijffouten. Een k wordt vaak een q, en lange o wordt eau, ei wordt ey. Woorden met d, t of dt correct schrijven is voor lutsers. Je schrijft geitenneuqers, heaumeaus en mongeaulen. Soms wenst een van de minst fijnbesnaarde reaguurders hen een neqschot toe, maar dergelijke reacties worden sinds kort weggejorist door de webmaster. Zelfs GeenStijl heeft een paar minimale gedragsregels.

Ook typerend is het bewust kinderlijke taalgebruik: 'Minister doet dikke boehoe' of 'Doe eens ophouden'.

Bashen: agressief aanpakken, beledigen
Breezah: jong meisje
Reaguurders: vaste bezoekers van de site, die guur reageren
Weggejorist: van de site verwijderd (de webmaster heet Joris von Loghausen)
Kleuterneuqer: pedofiel
Gestopt met roken: gestorven
Fin: Noord-Afrikaan
Kudt!: uitroep van teleurstelling
Hakbar: extremistische moslim (verbastering van Allah Akbar)
Lutser: tussen loser en prutser
Handtasje: aanstellerige heaumeau
Kaalkopje: skinhead
010: Rotterdam (naar de telefoonzone)
020: Amsterdam
020 Gaza: Bijlmer (Amsterdamse wijk)
Fappen: onomatopee voor masturberen
Kapottrekken: neuken
Zuight: lijkt nergens op ('sucks')
Dode boom-media: kranten (spottend)
Komt die, boom (of paal, of muur, enz.): vaste uitdrukking als iets au dreigt te gaan doen

(Swaffelen is geen neologisme van GeenStijl, maar reaguurders zaten wel achter de verkiezing tot Woord van het Jaar.)

VAN ONZE REDACTEUR
STEVEN DE FOER
.