woensdag 5 oktober 2016

Analyse van een Arrest


ENKELE KANTTEKENINGEN
BIJ HET PROCES TEGEN HET VLAAMS BLOK

Jos de Man


INLEIDING
Het Cassatiearrest van 9 november 2004 in de strafzaak tegen drie vzw’s van het Vlaams Blok voltooit een geding dat gedurende jaren de gemoederen heeft verhit. Juridisch is het laatste woord gesproken. Maatschappelijk blijft er een haard van conflicten smeulen die bij de geringste aanwakkering weer kan ontbranden.
Want de definitieve veroordeling van het Vlaams Blok lost noch de problemen op, die door deze partij, volgens de rechter op strafbare wijze, werden aangekaart, noch maakt zij een einde aan een op het scherp van de snede gevoerde discussie over het prangende problemen die voortvloeien uit de immigratie en het multi-etnisch karakter van de samenleving.
Er zijn demografische, economische en sociale aanwijzingen dat deze problemen eerder toe- dan afnemen. Zal de political correctness, die haar vreemdelingenbeleid vooral op de bescherming van de allochtoon afgestemd wil zien, de koers blijven bepalen? Of nemen de traditionele partijen de waarschuwing ter harte van de eerste burger van het land, die vreest dat onze beschaving door een vloedgolf van migranten wordt weggespoeld?
Het Vlaams Belang heeft al laten weten dat men het programma van het veroordeelde Vlaams Blok onvoorwaardelijk trouw blijft, wat de dialoog niet bevordert.
Blijkt anderzijds aan de basis van de traditionele partijen dat het cordon sanitaire steeds minder aanhangers telt, dan blijven hun politieke leiders er zich hardnekkig aan vastklampen. Soms krijgt men de indruk dat zij zelf in hun schutskring opgesloten zitten, en zich enigszins radeloos afvragen hoe ze er zich zonder al te veel gezichtsverlies uit kunnen bevrijden. Uit de hoofdkwartieren verneemt men nu schuchtere suggesties om over te gaan tot de ‘evaluatie’ van de snel-Belgwet. Net als de wet op het migrantenstemrecht is dit staaltje van ondoordacht en nefast beleid, een doorn in het oog van de meerderheid der Vlamingen. Hierbij dringt zich de vaststelling op dat enkel het Vlaams Blok zich radicaal heeft verzet tegen deze wetten die door de Waalse partijen werden opgedrongen. Zal het Vlaams Belang, dat een kwart van de Vlamingen vertegenwoordigt, bij het beleid worden betrokken? Of worden de pogingen hervat om haar door middel van een systematische haatcampagne te demoniseren? Het procédé heeft niet echt weerklank gevonden bij de bevolking, wat haar ‘progressieve’ tegenstanders na de éclatante verkiezingsoverwinning van de verketterde partij op 13 juni 2004, tot enige omzichtigheid heeft aangezet. Nog kon de man die geroepen was om aan te treden als Vlaams minister-president er zich niet van weerhouden de kiezers van het Blok als ‘criminelen of potentiële criminelen’ te bestempelen. De toon is in het weldenkende kamp onderwijl flink gematigd. Men geeft hier en daar zelfs toe dat men – gedurende dertig jaar – een ontoereikend, of zelfs helemaal geen vreemdelingenbeleid heeft gevoerd. Deze openbare biecht mag gezien worden in het licht van de bekommering van de politici die dat beleid (niet) hebben gevoerd, om niet nog meer kiezers af te stoten. Zij houdt immers de belofte in dat men voortaan beter naar ‘de mensen’ zal luisteren. Of dit ook werkelijk gebeurt of niet, feit is dat 13 juni de Belgische politieke wereld op zijn grondvesten heeft doen daveren. Het wankel evenwicht tussen de twee taalgemeenschappen dreigt onherroepelijk verstoord te raken. De houding van de Waalse partijen, en in het bijzonder van de Parti Socialiste is voorspelbaar. Met haar volgehouden halsstarrigheid zal zich blijven verzetten tegen de splitsing van de sociale zekerheid. In het federale parlement zal zij proberen het Vlaams Belang financieel droog te leggen. Minister Onkelinx wijkt niet af van haar gewoonte om haar veto stellen tegen elk voorstel dat haar moslimvrienden zou kunnen mishagen. En minister Arena heeft een tienpuntenplan bedacht dat er o.m. toe strekt de haar onwelgevallige pers de mond te snoeren.
Veel zal dus afhangen van het zelfrespect dat de Vlaamse bewindslieden en politici aan de dag weten te leggen. Daar is op federaal vlak vooralsnog weinig van te merken. Met name de VLD is, tegen de zin van een groot deel van haar kiezers bereid onder het Waalse juk te blijven doorlopen, teneinde haar portefeuilles te bewaren. Indien degenen die eindelijk uit hun multiculturele droom zijn ontwaakt, deze rijkelijk verlate bewustwording ook willen omzetten in een coherent beleid, zullen zij het conflict met de PS moeten aangaan. Onder Verhofstadt II lijkt dit al even onwaarschijnlijk als onder Verhofstadt I. Zij zullen tevens het fundamentele debat moeten aangaan met het Vlaams Belang, waarvan de voorganger, zoals zij vaak hebben herhaald, de juiste analyse maakte, maar de verkeerde oplossingen bood. Uit de bekentenisliteratuur die recentelijk door dezen en genen in de media werd geventileerd blijkt dat zij beseffen dat zijzelf evenmin oplossingen te bieden hebben. Deze beangstigende schaarste aan oplossingen zou, liefst ‘onverwijld’, verholpen moeten worden. Men zal, zo valt te hopen, het debat niet weer verstikken onder een taboe, of door een zwijgplicht verijdelen. De laatste term is ontleend aan een beschouwing van de hand van de politiek directeur van een onafhankelijk dagblad, gepubliceerd op 20 november 2004 onder de titel ‘Vanwaar toch die fascinatie?’. Het voorwerp van deze fascinatie blijkt het Vlaams Blok te zijn. Fascinatie is betovering, en kan in dit geval het best worden uitgelegd als de verlamming van degene die de blik niet kan afwenden van het bewonderde of, zoals in dit geval, gevreesde object. Aanstonds laat ik de heer Yves Desmet aan het woord: ‘Maar ook ter linkerzijde heeft men het Blok danig geholpen. Door jarenlang een omerta uit te spreken over de reële problemen die de multiculturele samenleving met zich brengt, door halsstarrig te blijven ontkennen dat er minder leuke mensen rondlopen in de migrantensamenleving, door steeds te minimaliseren en te bagatelliseren, door mensen met problemen makkelijkheidshalve( sic sic: 1° dit woord bestaat niet; 2° een omerta verklaren door gemakzucht is wel heel vergezocht. Had de linkerzijde er dan geen bedoeling mee?) dan maar direct tot halve of hele racist te verklaren heeft progressief Vlaanderen veel mensen naar de extreemrechtse hoek gejaagd, waar ze zich plots best thuis blijken te voelen.’ Als biecht kan dat tellen. Je zal maar lezer van De Morgen zijn. Jarenlang verzwijgt je krant onontbeerlijke informatie, jarenlang roept ze fascist en racist naar wie problemen heeft met de multiculturele samenleving, en, kan men hier er volledigheidshalve aan toevoegen, soms wringt ze de waarheid de nek om, teneinde haar ‘ethische’ boodschap kracht bij te zetten (zo werden de mandatarissen van het Vlaams Blok in het Europees Parlement, Philip Claeys en Koen Dillen, in haar kolommen aan de schandpaal genageld als hypocrieten en zakkenvullers die de records van het absenteïsme verpulveren, terwijl zij op de website van deze instelling in de ranglijst der aanwezigheden ter zitting staan aangemerkt al de nummers zes en zeven, met een score honderd procent) Op een mooie morgen blijkt dan de Heilige Geest over de politiek hoofdredacteur te zijn neergedaald en belijdt hij zijn zonden. Dat hij door berouw wordt verteerd is weinig waarschijnlijk. Veeleer gaat het erom dat de herauten van de multiculturele samenleving besloten hebben hun verhaal beter af te stemmen op wat er bij de bevolking leeft. Zo schuiven de weldenkende media nu Bart Somers naar voren. Onder zijn bewind als burgemeester van Mechelen is het Vlaams Blok daar met voorsprong de grootste partij geworden. Hij weet dus waarover hij spreekt. Ziehier zijn analyse: ‘De Vlaming stemt voor het Vlaams Blok omdat de overheid het multiculturele vraagstuk heeft mismeesterd; Hij is het moe om beschuldigd te worden van alles wat misgaat bij de allochtonen, terwijl die allochtonen zelf bepamperd (sic) worden.’( De Morgen 11 oktober 2004)
Dat heet de vinger in de wonde leggen. De overheid heeft de toestand laten verzieken. De overheid, en niet de allochtoon, is de hoofdverantwoordelijke voor de toenemende samenlevingsproblemen. In dat opzicht heeft het Vlaams Blok zijn pijlen te vaak op het verkeerde doelwit gericht. Veel allochtonen zijn zelf slachtoffers van een beleid dat als een magneet horden vreemdelingen aantrekt, die van de westerse welvaart mee willen genieten, om ze vervolgens te dumpen in de armoewijken van de grootsteden. Zo zijn er misstanden gegenereerd die nog nauwelijks te verhelpen zijn. Het enige alibi dat de opeenvolgende regeringen zouden kunnen aanvoeren is dat het beleid in ‘gidsland’ Nederland even laks is geweest.
Nu de islamisering van de grote steden onafwendbaar is geworden, nu blijkt dat de fundamentalistische terreurgroepen in de Lage Landen vaste voet aan de grond hebben gekregen, en sommige imams hun plan om de ongelovigen desnoods met harde hand te bekeren openlijk ontvouwen, nu het aantal der snel-Belgen blijft aanzwellen, en de mensensmokkelaars gouden zaken doen, nu er op deze wijze aan het al bestaande het legioen van kansarmen (1 miljoen werklozen, waarvan 40% allochtonen) nog een subproletariaat van volslagen onaangepasten wordt toegevoegd, nu kortom het sociale weefsel van onze gemeenschap elke dag meer ontrafeld en verscheurd wordt, is een open debat over een kordaat en radicaal vreemdelingenbeleid het meest dringende politieke agendapunt. Het zou wraakroepend zijn indien het opnieuw vertroebeld werd door alle misverstanden die in de loop der jaren omtrent het Vlaams Blok werden opgeroepen. De haatcampagne zal plaats moeten ruimen voor een harde maar eerlijke discussie, waarbij de ideologische vooringenomenheid zal moeten wijken voor pragmatische visie op een leefbare samenleving In dit perspectief lijkt het onontbeerlijk dat alle partijen en hun kiezers zich een juist beeld vormen van de rechts- en feitelijke gronden waarop het Vlaams Blok is veroordeeld. Hierover is er maar weinig klaarheid. De juridische commentaren – uiteraard bestemd voor een kleine groep – vallen uiteen in twee modellen. Het eerste model behelst niet veel meer dan de herhaling van een aantal consideransen van de verleden arresten. Een voorbeeld hiervan biedt het hoog aangeschreven Journal des Tribunaux. Een tweede model behelst een kritische benadering, maar waagt zich niet aan beschouwingen over de politieke en maatschappelijke context waarin de aanklacht tot stand kwam en de aangeklaagde feiten werden gepleegd.
In deze categorie valt het belangwekkende commentaar op van het arrest van het Gentse Hof van Beroep, die Stefan Sottiaux en Jogchum Vrielinck publiceerden in het Nieuw Juridisch Tijdschrift.  In de niet-gespecialiseerde media trof men wel politiek geïnspireerde reacties pro of contra aan, maar geen grondige analyse, en zeker geen beoordeling waarin de interpretatie van de gewraakte feiten – die niets anders zijn dan teksten – telkens getoetst worden aan de dagelijkse realiteit die deze teksten inspireerde. Het gevolg laat zich raden: verder dan, aan de linkerzijde de eerder triomfantelijke vaststelling dat het Blok racistisch is – wat men jarenlang schreef, staat nu vast – of ter rechterzijde de verontwaardiging over de krenking van de vrijheid van meningsuiting komt men niet. Daaruit volgt een nefaste onwetendheid, die elke verdere discussie over migratie, racisme en multiculturele samenleving vertroebelt.
Het moge vergund zijn nog eenmaal Yves Desmet te citeren. Drie dagen nadat het Hof van Beroep van Gent zijn arrest had geveld, uitte hij zijn ongenoegen over het feit dat ‘conservatief Vlaanderen’ de kant kiest van het Vlaams Blok, over de ‘lafheid’ van Yves Leterme, die het arrest ‘inopportuun’ vond – en over de terughoudendheid van Steve Stevaert en Guy Verhofstadt, die bedenktijd nodig hadden om zich uit te spreken. De fascinatie bleek de politici parten te spelen: ‘Als konijnen naar een lichtbak starend brengt nauwelijks een politicus nog de moed op om de onafhankelijkheid van de rechtbanken en de gegrondheid van dit vonnis te benadrukken.’ (De zinsnede hinkt vervaarlijk, - ‘nauwelijks een politicus’, is immers degene die juist niet ‘als konijnen’ naar de lichtbak staart - maar de teneur is duidelijk genoeg).
Desmet, die het arrest naar eigen zeggen wél had gelezen – in tegenstelling tot de vele wijsneuzen die over de vrije meningsuiting zeuren –, achtte het dan ook zijn plicht, de gegrondheid ervan te bewijzen. Als volgt: ‘Natuurlijk mag je zeggen dat er Marokkaanse dieven zijn, of Belgische. Maar je mag niet zeggen dat alle Marokkanen dieven zijn.’ Desmet leest dingen die er niet staan. Uit geen enkele van de door het Hof weerhouden teksten blijkt dat het Vlaams Blok ooit zou hebben beweerd dat alle Marokkanen dieven zijn, Wel stipt het Hof aan dat in de VB-publicaties meer dan eens het aandeel van de allochtonen in de criminaliteit wordt vermeld. Dat cijfer, omvattende niet alleen het aantal diefstallen, maar alle misdrijven, ligt om en bij veertig procent, cijfer dat nergens wordt weerlegd. Als we ervan uitgaan dat de helft van de misdrijven diefstallen zijn, dan moet – op basis van de door de gewraakte drukwerken gepubliceerde en niet weerlegde cijfers – het aantal van de gevatte Marokkaanse dieven lager geschat worden dan twintig procent van het totale aantal gevatte dieven. Dat is een heel ander verhaal dan: Alle Marokkanen zijn dieven. Met onjuiste informatie gericht op negatieve beeldvorming schiet niemand op. Juist in een debat over niets minder dan de toekomst van onze beschaving, die in toenemende mate afhangt van het vreemdelingenbeleid, is een helder inzicht vereist in alle elementen van het dossier. In dit dossier zijn de arresten die het Vlaams Blok veroordelen stukken van primordiaal belang. Het is de bedoeling van dit essay enkele bemerkingen te formuleren en elementen aan te dragen die kunnen bijdragen tot een kritische evaluatie van de opvattingen over racisme, immigratie en multiculturele die in juridische en politieke kring leven.

OVER RACISME
De wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden is geen model van accurate wetgeving. De titel roept al een aantal netelige vragen op. Wat is racisme? Vreemd genoeg wordt deze term in de wet niet nader gedefinieerd. De rechtsonderhorige ziet zich dus genoopt de Van Dale te raadplegen. Daar treft men twee definities aan: 1° opvatting dat het ene ras superieur is aan het andere en, daaruit voortvloeiend, dat ten aanzien van het ene ras andere maatstaven kunnen (mogen) worden aangelegd dan ten aanzien van het andere, syn. rassenwaan 2° discriminatie op grond van het ras.
Een rassentheorie zoals omschreven onder 1° en geijkt op het arisch syndroom van de nazi’s, wordt nog slechts door een paar zonderlingen verkondigd. Wel hoort men, en niet door de minsten, de culturele superioriteit van het Westen verkondigen. Silvio Berlusconi, Frits Bolkestein en Patrick Dewael vertolkten deze mening, en ook de weldenkende ethicus Etienne Vermeersch vertrouwde aan het weekblad Humo toe dat de Islam een achterlijke cultuur is. Neen, het gaat in de antiracismewet om punt 2° discriminatie wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming.
Wat is een ras? Genetici hebben twintig jaar geleden al vastgesteld dat de term elke wetenschappelijke grond ontbeert. De gemiddelde genetische variatie tussen ondersoorten (subspecies) van de homo sapiens is immers geringer dan de variatie binnen een bepaalde ondersoort.
De logische gevolgtrekking zou geweest zijn, de term ras uit de wet te schrappen. Dat gebeurde niet. Integendeel, de wet van 20 januari 2003 ‘tot versterking van de wetgeving tegen het racisme’ voerde de term ‘een zogenaamd ras’ in. De wijziging werd als volgt gemotiveerd: ‘ De genetische en biologische studies hebben aangetoond dat de mensheid niet in rassen opgesplitst kan worden. Het geloof daarentegen,
dat er verschillende menselijke rassen bestaan, voedt in zekere mate de racistische ideologieën.’ (Men noteert dat dit geloof werd aangehangen door de Belgische wetgever in 1981, zowel als door de opstellers van internationale verdragen, als door eenieder die een woordenboek raadpleegde. Men noteert eveneens dat in het door het Hof van Beroep veroordeelde publicaties van het Vlaams Blok de woorden ras of raciaal niet voorkomen. De meest gebruikte term is ‘vreemdelingen’. In specifieke gevallen vermeldt men Marokkanen en Turken.)
De memorie van toelichting concludeert:
‘Daarom opteren wij voor het toevoegen van het adjectief ‘zogenaamd’ om erop te duiden dat dit onderscheid enkel bestaat in de geest van de racist en dus niet met de werkelijkheid overeenstemt’ Dit is een onnodige complicatie. De racist zou dus degene zijn die ten onrechte denkt dat er rassen bestaan. Een strafrechter van wie men vergt dat hij uitmaakt wat mensen denken, staat voor een netelige opgave. Men zal opmerken dat het woord ras in de volksmond wel degelijk een betekenis heeft. Het rassenonderscheid wordt dan bepaald door bepaalde uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur, vorm van neus en schedel, en lichaamslengte. Huidskleur staat in de wet. Men had er desnoods de lichamelijke kenmerken aan toe kunnen voegen. Een ‘zogenaamde’ grond voor een misdrijf inschrijven in de wet, is niet echt een waarborg van rechtszekerheid.
Waarom werd de term ras dan toch behouden? Ongetwijfeld omwille van de symboolwaarde. Op grond van racistische theorieën werden tijdens de Tweede Wereldoorlog de afschuwelijkste misdaden begaan. Anno 2003, toen het ‘zogenaamd ras’ het levenslicht zag, was de kans op een herhaling van een dergelijk scenario onbestaande, zowel in het koninkrijk België, als in de andere West-Europese landen. Maar het Vlaams Blok bestond nog steeds. Haalde men de term racisme uit de wet, dan verdween meteen de kans om deze partij als een verzameling racisten te stigmatiseren.
De lectuur van de memorie van toelichting, in de Kamer voorgedragen door Minister Onkelinx bij het wetsontwerp ‘ter versterking van’ is verhelderend. Wij lezen dat tussen 1981 en 1989 1266 klachten werden ingediend op basis op basis van de wet van 30 juli 1981. 987 klachten werden zonder gevolg werden geklasseerd. 43 dossiers werden aanhangig gemaakt bij de rechter, en uiteindelijk werden 16 veroordelingen uitgesproken. Nog geen twee veroordelingen per jaar dus. In 1998 werden, tot kennelijke voldoening van de stellers van het wetsontwerp niet minder dan elf gerechtelijke procedures ‘afgerond’ Of er een veroordeling dan wel een vrijspraak werd uitgesproken, verzuimden de indieners te vermelden. Interessant is ook de opsomming van enkele misdrijven die werden beteugeld. Iemand had ‘rot-turk’ geroepen naar een ander persoon, vermoedelijk een Turk; een verdachte met andere antipathieën had ‘vuile jood’ gezegd. Het Hof van Beroep van Luik verordende dat het gebruik van de term ‘neger’ strafbaar is, terwijl de correctionele rechter te Brussel oordeelde dat het gebruik van het Franstalige equivalent ‘bougnoule’ niet als rassenhaat kan worden aangemerkt. Ook de café-uitbater die geweigerd had Marokkanen te bedienen, passeerde de revue.
De conclusie dringt zich op dat het gevaar van al dan niet zogenaamd racisme eerder denkbeeldig dan reëel was, en dat er geen aanleiding was om de wetgeving te verscherpen. Eigenaardig genoeg vonden de ondertekenaars van het wetsontwerp geen soelaas in de vaststelling dat de Belg zich zo zelden discriminerend opstelde tegenover de allochtoon, noch in de geringe zwaarwichtigheid der feiten. Integendeel, zij betreurden ‘dat te weinig veroordelingen, gesteund op de antiracismewet, werden uitgesproken, in verhouding tot het aantal ingediende klachten.’ Een raadselachtige, maar ook leerrijke passage. Raadselachtig omdat men zich afvraagt wat de stellers bedoelen. Willen ze zeggen dat de parketten ten onrechte klachten hebben geseponeerd? Of zijn de rechters in gebreke gebleven? Dat schijnen Verhofstadt, Onkelinx en co. althans te suggereren. Het komt integendeel niet bij hen op te veronderstellen dat de meeste klachten gewoon ongegrond waren. Een politieagent die ‘jongeren’ aanhoudt, of een buschauffeur die de euvele moed opbrengt te eisen dat zij een vervoersdocument vertonen, loopt de kans door hen als ‘racist’ te worden uitgekreten. Racisme is het alibi en het verweermiddel van straatcrimineeltjes geworden. Hoe dan ook, er moest meer gestraft worden. Brandmerken, beledigen, schofferen, sanctioneren, straffen, het zijn de wapens van de adepten van het Grote Gelijk. Het alreeds overbelaste en met personeelsgebrek kampende gerecht moet zich derhalve zo nodig bezighouden met straatruzies en andere beuzelarijen. Waarom toch? Vanwaar die obsessie met beledigingen en ander onheus taalgebruik, een obsessie zo machtig dat men er herhaaldelijk de wet voor versterkt?
Is het gewaagd te veronderstellen dat men ook in de toekomst het bewijs wil kunnen leveren van een afkeurenswaardige racistische stroming, aangewakkerd door wie anders dan het Vlaams Blok? Moest de term racist in de wet ingeschreven blijven, zodat men de partij, haar opvolgster, en al degenen die zich verzetten tegen het rampzalige vreemdelingenbeleid verder kan vervolgen, en, met impliciete verwijzing naar de wandaden van de nazi’s, de zogeheten racisten meteen ook verketteren als fascisten en nazi’s?
Er is, het moet gezegd, werk aan de winkel voor het Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van het racisme (CGKR) en de Liga voor Mensenrechten.. Sedert 9 november 2004, de dag waarop de veroordeling van het Blok definitief werd, telt Vlaanderen officieel 984.000 racisten. Stemmen voor deze partij betekent immers het verlenen van medewerking aan een groep of vereniging die discriminatie verkondigt. De aard van de medewerking is volgens het Hof van Beroep niet relevant. Het volstaat dat zij ertoe strekt het voortbestaan of het functioneren van, van de groep of vereniging mogelijk te maken. Dat hebben de Blokkiezers ontegensprekelijk gedaan. Hun stemmen hebben de partij een aantal zetels in het parlement, en de daaraan verbonden levensnoodzakelijke dotaties opgeleverd.

WETGEVING OP MAAT
De lawine van wetgeving in zake racisme, die vanaf het begin der jaren negentig werd ontketend, en die uitmondde in het proces aangespannen door de Liga voor Mensenrechten en CGKR, zwol aan naarmate het Blok meer electorale successen boekt. Het racisme was het alibi en het politiek verweermiddel geworden van de zich met nadruk als ‘democratisch’ aandienende partijen. Niet dat iemand ooit hun democratisch gehalte in twijfel had getrokken. Het ging er hen om het Blok via de aantijging van racisme als ondemocratisch te isoleren en te elimineren. Geen middel bleef onbeproefd. De Groenen, van wie De Standaard onlangs de extreemlinkse aard heeft ontdekt, vonden het cordon sanitaire uit. Het ‘correcte’ segment van het politieke spectrum, aangevoerd door de Parti Socialiste, ruimde één voor één alle wettelijke obstakels uit de weg die vooralsnog verhinderden het Blok te laten veroordelen. De PS voelde immers de hete adem van het Blok in de nek, vanaf het ogenblik dat deze Vlaamse partij in Brussel stemmen begon te werven en te winnen. De Waalse socialisten, die er onlangs door gewezen minister van Justitie Van Parijs van beticht werd stemmen te ronselen in en rond de moskeeën, kan zich dank zij de regularisatie van illegalen, en de snel-Belgwet opwerpen als voorvechter van de allochtonen, waarvan een stijgend aantal (34.000 in de eerste zes maanden van 2004) een Belgisch paspoort krijgt aangereikt. Men moet al erg naïef en wereldvreemd zijn om politici als barmhartige Samaritanen en onbaatzuchtige wereldverbeteraars te beschouwen. Ze vechten voor hun eigen apenrots. De wet, die kiezers creëert, kan ook worden omgesmeed tot een wapen tegen de politieke opponent. Men heeft slechts een meerderheid in het Parlement nodig. Nu, die meerderheid was gauw gevonden. De gestage opgang van het Blok boezemde alle andere partijen onrust, angst en weldra radeloosheid in. De weldenkende media konden het tij niet keren. Deze tegenstander bleek immuun voor politieke argumenten, de scheldkanonnades en haatcampagnes resulteerden evenmin effect. Vanaf de eerste Zwarte Zondag, in 1991, moet het plan zijn ontstaan om de politieke vete niet in het parlement, niet in het openbaar debat, maar door de rechterlijke macht te laten beslechten. Algauw ontstond een koortsachtige wetgevende activiteit. In het parlement zou men de instrumenten vervaardigen die de rechters moesten toelaten de luis in de pels dood te drukken.
Eerst werd de wet van 15 februari 1993 gestemd, waarbij het CGKR, een van de latere klagers tegen het Vlaams Blok, werd opgericht. Vervolgens werd de racismewet van 30 juli 1981 diverse keren aangescherpt. Bijzondere aandacht vergt het artikel 3 dat in 1994 zo werd gewijzigd dat het voortaan ook het behoren tot een groep of vereniging die discriminatie verkondigt, strafbaar stelt. Welke groep of vereniging had men in het vizier? In 1994 was er in het land één vereniging die zich heftig verzette tegen het vreemdelingenbeleid van de regering en de daaruit voortvloeiende wantoestanden: het Vlaams Blok.
Die partij kon echter niet vervolgd worden. Een politieke partij beschikt immers niet over rechtspersoonlijkheid. De gedachte achter deze tot dat ogenblik altijd gerespecteerde regel was dat politieke processen beter vermeden worden. Door degenen te vervolgen die op enige wijze hun medewerking verlenen aan de partij of er deel van uitmaken, kon men deze klip omzeilen. Evenwel, wie zou men vervolgen? Aangezien het misdrijf van medewerking aan het verkondigen aan discriminatie slechts door middel van de drukpers tot stand kan komen, lag het voor de hand de auteurs, drukkers of uitgevers van de gewraakte teksten te vervolgen. De veroordeling van de hoofdredacteur of de verantwoordelijke uitgever van De Veujvechter, of van een scribent uit Erpe-Mere, beantwoordde niet echt aan het beoogde doel. Bovendien zou dan artikel 150 van de Grondwet spelen, die het drukpersmisdrijf naar het Assisenhof verwijst. Dat is een omslachtige procedure met een onzekere uitkomst. Daarom worden drukpersmisdrijven allang niet meer vervolgd.
De methode om dit obstakel te verwijderen, was gauw gevonden: men wijzigde gewoon de Grondwet. Dat gebeurde bij de wet van 7 mei 1999. De bevoegdheid van het Hof van Assisen in zake drukpersmisdrijven werd opgeheven, enkel en alleen in zaken ‘ingegeven door racisme’. Zo kon men de schuldige auteurs, drukkers of uitgevers alsnog dagvaarden. Het gebeurde niet. Men had geen aandacht voor het kleine grut.. Eén ‘bepaalde groep of vereniging’ wekte meer belangstelling. En zo werd op 4 mei 1999 het sluitstuk van de hele constructie aangebracht. Het artikel 5 van het Strafwetboek over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, dat in 1934 werd afgeschaft, werd opnieuw ingevoerd. Werd het land plotseling bedreigd door een meute van criminele rechtspersonen? Quasi gelijktijdig werden dus twee krachtige ingrepen in ons rechtsbestel doorgevoerd. De bekommering om politieke controverses buiten de rechtbank te houden, die spoort met het principe van de scheiding van machten, leek plotseling voorbijgestreefd. En het beginsel van de straffeloosheid van rechtspersonen, gesteund op het individuele karakter van misdrijven, werd na meer dan anderhalve eeuw goede dienst hier te lande, naar de schroothoop der geschiedenis verwezen. Het was nochtans een eerbiedwaardig principe, vervat in het Romeinse adagium societas delinquere non potest, dat in de Belgische rechtspraak met het oog op de financiële gevolgen van het misdrijf werd omgevormd tot societas delinquere potest, sed puniri non potest: een vereniging kan wel een strafbaar feit plegen, maar kan niet strafrechtelijk veroordeeld worden.
Het Vlaams Blok is geen rechtspersoon. De vzw’s van de partij zijn dat wel. Zij konden dank zij de nieuwe wetsbepaling schuldig bevonden en gestraft worden. Hier betreden we het terrein van de fictie. De vzw’s zijn opgericht om de dotaties van de overheid in ontvangst en te beheren. Zij zijn de schatbewaarders van de partij. Zij vormen, samen met bijvoorbeeld het secretariaat of de studiedienst, een integrerend deel van de partij. Zij worden bestuurd door Frank Van Hecke en Filip Dewinter, resp. voorzitter en fractieleider van het Vlaams Blok, die dus ‘behoren’ tot zichzelf, en aan zichzelf ‘medewerking verlenen.’ De vzw’s vervolgen wanneer men de partij viseert komt erop neer een boekhouder aansprakelijk te stellen voor vergrijpen begaan door het bedrijf dat hem tewerkstelt, terwijl hem zelf geen fout kan worden aangewreven.
Het moge duidelijk wezen: Het Vlaams Blok stond terecht. Het Vlaams Blok moest veroordeeld worden. En van zulk een veroordeling werd een heilzaam effect verwacht, zeker als ze uitgesproken werd in volle verkiezingscampagne. Zou het Vlaams Blok hieraan ten onder gaan?  Dat was maar zeer de vraag.
Voor alle zekerheid had men dus in het parlementaire wonderjaar 1999 ook nog de wet op de financiering van politieke partijen gewijzigd. Voortaan kon dotatie worden ingetrokken van een politieke partij die aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Wie ervan uitgaat dat allochtonen alleen maar rechten hebben en geen plichten, komt algauw tot de conclusie dat een partij die dat principe bestrijdt de democratische rechten met voeten treedt.
Hier is geen twijfel mogelijk: enkel het Vlaams Blok werd door deze wet geviseerd. Alle andere partijen liepen braaf in het politiek correcte spoor, uitgetekend door de Parti Socialiste. Bovenstaand relaas gaat uit van het onderliggende vermoeden van een exclusief tegen het Vlaams Blok gerichte wetgevende campagne. Dat vermoeden is, wat de wet op de dotaties betreft, een aan gewisheid grenzende waarschijnlijkheid.
Ook voor het opnieuw invoeren van de strafbaarheid van rechtspersonen kan men bezwaarlijk een ander motief aantonen. Wat de andere wetswijzigingen betreft kan het vermoeden niet bewezen worden, dan door circumstancial evidence, betekenisvolle aanwijzingen. Er is de chronologie: pas nadat het Vlaams Blok begon aan zijn steile opmars ontstaat de behoefte om door middel van noeste wetgevende arbeid het racisme te bestrijden. De activiteit wordt bijkans hectisch in 1999 wanneer het Vlaams Blok zich in Brussel opwerpt als de sterkste Vlaamse partij. Er is de vraag van de bedoeling van deze opeenvolgende, en bij elkaar aansluitende wetten en wetswijzigingen. Wie werd geviseerd? Het racisme bleek in de periode tussen 1981 toen de antiracismewet in werking trad en 1993, toen het CGKR werd opgericht niet zo virulent dat de wetgever er wakker van lag. Ook tussen 1993 en 1998 viel het echt wel mee, als we ten minste een onverdachte bron als mevrouw Onkelinx mogen geloven ( cfr supra haar klacht over het geringe aantal veroordelingen). Racistische groepen of verenigingen ontbraken volledig in het landschap. Racistische individuen waren kennelijk veel minder talrijk dan bijvoorbeeld handtassendieven. Aan wetgeving op maat bleek pas een behoefte te ontstaan op het ogenblik dat de electorale belangen van de traditionele partijen werden bedreigd.

POLITIEK MISDRIJF
Achteraf bekeken is het opmerkelijk hoe sommige commentatoren nog steeds met de scheiding van machten blijven schermen. Men legt een waterdicht schot aan tussen het strafrechtelijk verdict enerzijds, en de politieke en maatschappelijke oorzaken en gevolgen van dit verdict anderzijds.
Let wel, de scheiding der machten is een kostbare verworvenheid. En tot bewijs van het tegendeel moet men uitgaan van de integriteit en onafhankelijkheid van de magistratuur. Het principe houdt echter niet in dat haar vonnissen en arresten niet organisch verweven zijn met de dagelijkse realiteit.
‘Het Vlaams Blok wordt in zijn werking en financiering door dit arrest niets in de weg gelegd’, stelt D.Voorhoof in De Juristenkrant. Het Vlaams Blok heeft een misdrijf gepleegd, en is daarvoor beboet, en verder is er niets aan de hand. Dat is de redenering van Voorhoof, lid van de Liga voor Mensenrechten. We weten dat de Justitie een blinddoek draagt, maar een professor in de communicatiewetenschappen met een blinddoek is een nieuw fenomeen. Het directe gevolg van de veroordeling is dat de partij wel degelijk in haar werking en financiering wordt getroffen, of kan getroffen worden. Zij zag zich al genoopt tot het oprichten van het Vlaams Belang, een financiële aderlating. Zij zal in het federale Parlement worden geconfronteerd met een aanval op haar dotatie. Indien men de veroordeling niet als een soort Fremdkörper uit haar politieke voorgeschiedenis licht, ontkomt men niet aan deze vaststelling: het proces tegen het Vlaams Blok was, zoniet de jure, in elk geval de facto een politiek proces. Dat heeft zelfs de toenmalige voorzitter van een van de dagende partijen, de Liga voor mensenrechten, Paul Pataer aan de vooravond van de dagvaarding volmondig toegegeven. Het geding was, zo verklaarde hij, aangespannen met het doel eens en voorgoed met het Vlaams Blok af te rekenen? En hebben de voorzitters van CD&V en VLD tijdens het televisiedebat op de avond van de wetgevende verkiezingen van mei 2003 niet verklaard dat het debat met het Vlaams Blok niet in de rechtbanken maar in het parlement moest worden gevoerd? Om dieper te kunnen ingaan op de kwestie is het nuttig de diverse arresten onder de loep te nemen.
Aanvankelijk hebben twee Brussels rechtsinstanties, de correctionele rechtbank en het Hof van Beroep geoordeeld dat er sprake was van een politiek proces. Het arrest van het Hof van Beroep werd later weliswaar verbroken door het Hof van Cassatie, maar ligt hier al geen aanwijzing voor, dat de vraag naar de politieke aard van het misdrijf een heel delicate is?
De rechters moeten zich voegen naar de definitie die het Hof van Cassatie sedert decennia hanteert, namelijk dat enkel een misdrijf dat de instellingen van de staat aantast, een politiek misdrijf is. Dat is kennelijk geen eenvoudige opdracht. Het Hof van Beroep van Brussel oordeelde dat de instellingen worden aangetast door de loutere deelname aan de verkiezingen van een politieke partij die afhankelijk is van het plegen van strafbare feiten door ondersteunende organisaties. Dajo De Prins, assistent aan de UFSIA en de KUB sloot zich bij deze zienswijze aan: ‘Minstens onrechtstreeks gaat het hier dus om de strafrechtelijke beoordeling van het programma van een politieke oppositiepartij, van haar mening over de richting waarin de maatschappij zich zou moeten ontwikkelen. Dit lijkt bij uitstek het type situatie waarin de grondwetgever alleen de volksjury geschikt achtte om een oordeel uit te spreken over de vraag of de grondwet geschonden was.’ (Nieuw Juridisch Weekblad, nummer 25 van 19 maart 2003)
Het Hof van Cassatie verbrak het arrest van het Brusselse Hof in 2003, en verwierp de thesis van het politiek misdrijf een tweede maal in haar definitief arrest van 9 november 2004. Er was, zo oordeelde het hoogste rechtscollege, geen rechtstreeks verband tussen het ten laste gelegde misdrijf zelf – het louter behoren tot het Vlaams Blok – en de eventuele aantasting van de instellingen. Met andere woorden, het zijn de vzw’s die terecht staan, en zij worden zelf niet beticht van discriminatie of segregatie, zodat niet staande kan gehouden worden dat hun vergrijp de instellingen zou aantasten. Het is een mogelijke interpretatie, en in elk geval is ze niet langer aanvechtbaar. Een argwanende persoon zou kunnen besluiten dat de truc met de vzw’s zijn uitwerking niet heeft gemist. In eerste instantie liet hij toe het Vlaams Blok voor de rechter te dagen. In tweede instantie wordt de opvatting dat er geen sprake is van een politiek misdrijf geschraagd op het feit dat het Vlaams Blok zelf geen partij is in het geding. Het is hier niet de bedoeling hier juridische alle finesses en spitsvondigheden te bespreken die het debat hebben gekruid.
Het concept ‘aantasting van de staatsinstellingen’ biedt wel een steunpunt waarvan men kan uitgaan om het proces in feite kan omschrijven. En wel door de rollen om te keren, en vast te stellen dat het in feite de klagers zijn die met hun aanklacht de staatsinstellingen dreigen aan te tasten. Zij slepen een politieke partij voor de rechter met het uitgesproken doel haar te vernietigen. De aantijgingen zijn gesteund op de politieke propaganda die deze partij voert en de wetsvoorstellen die zij indient. Zij doet dat omdat de kiezer, in de uitoefening van zijn politieke rechten, haar een mandaat heeft verstrekt. Het verhinderen van het uitoefenen van dat mandaat, door bijvoorbeeld de financiële drooglegging van de partij, een van de mogelijke rechtstreekse gevolgen van de veroordeling, is een aantasting van de politieke rechten van de burger, en een ontwrichting van de parlementaire democratie, aangezien het gevaar dan dreigt dat honderdduizenden kiezers niet langer in de wetgevende organen zouden vertegenwoordigd zijn.
Dit is slechts een ‘thought experiment’ dat juridisch uiteraard niet toepasselijk is, maar dat, mijns inziens wel aantoont dat voor de vierschaar van het gezond verstand moet blijken dat dit proces beter niet was gevoerd.
Eigenaardig genoeg lijkt het Hof van Beroep van Gent, in zijn zeer uitvoerig arrest, niet ongevoelig te zijn geweest voor het uitgesproken politieke karakter van het geding: ‘De strafbaarstelling van leden of medewerkers van de groep of vereniging is immers van aard het verder bestaan of de verdere werking van de groep of vereniging op de helling te stellen (sic), in de mate althans dat de groep of vereniging verder kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt.’ Het Vlaams Blok staat voor de keuze: zijn programma opgeven, of opnieuw vervolgd worden. Duidelijker kan niet gesteld worden dat het doel van de vervolging de bestrijding van een politieke partij is.
Het Hof verkondigt verder dat ‘(…) de aantasting van de politieke instellingen, inzonderheid de politieke rechten van de burgers in de ruime betekenis van het begrip, zich desgevallend slechts zou kunnen verwezenlijken nadat de groep of vereniging, door het inspelen op de bij bepaalde delen van de bevolking bestaande al dan niet latente gevoelens van xenofobie en een hieraan te danken overweldigende verkiezingsuitslag, haar programmapunten in werkelijkheid zou kunnen omzetten (…)’
Stel dat het Vlaams Blok bij de federale verkiezingen van 2007 dertig procent van de stemmen haalt, wat door iedereen gewis als een aardschok zou worden ervaren. Stel dat zij in een coalitie stapt, zoals bepleit door de VLD-voorman Jean-Marie Dedecker, welke regering dan een aantal van haar programmapunten realiseert, zoals het afschaffen van het migrantenstemrecht en de snel-Belgwet, of het beteugelen van de misbruiken in zake gezinshereniging. Zou zij dan de politieke instellingen aantasten, terwijl de wetsvoorstellen die zij ter zake had ingediend, en die volgens het Hof van Beroep de aantasting mogelijk maken, dat niet doen?

OVER DISCRIMINATIE
Drie vzw’ van het Vlaams Blok werden veroordeeld wegens inbreuk op artikel 3 van de wet van 30 juli 1981, dat degene bestraft die behoort ‘tot een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie en segregatie bedrijft of verkondigt (…) dan wel aan zodanige groep of vereniging zijn medewerking verleent.’
Discriminatie is, zo bepaalt artikel 1 van dezelfde wet ‘elke vorm van onderscheid, uitsluiting,  beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge of kan hebben dat de erkenning, het genot, of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan, aangetast of beperkt.’
Deze definitie is zo weids dat nog nauwelijks voorzienbaar is welk gedrag wederrechtelijk is. ‘Tot gevolg kan hebben’ is een stipulatie die door de Raad van State als ongrondwettelijk werd beschouwd. De regering hield voet bij stuk, ook al stak minister van Justitie Verwilghen zijn bezorgdheid niet onder stoelen of banken: ‘Het is derhalve moeilijk verdedigbaar om de burgers een principieel verbod op te leggen waarvan de concrete inhoud niet vaststaat.’
De discriminatie ligt op de loer zodra men zich buiten de deur waagt. Onderscheid, beperking of voorkeur zijn immers schering en inslag in het dagelijks verkeer. Elke mens heeft voorkeuren, iedereen discrimineert. De sfeer van voorkeuren strekt zich concentrisch uit rondom de eigen fragiele gestalte: eerst komen het kroost en de geliefde, vervolgens de vrienden, de verwanten, collega’s en kennissen; de ideologisch gelijkgestemden en geloofsgenoten, de leden van de vereniging, club of bond waartoe men behoort, de landgenoten, de personen met wie men een cultuur, een traditie, een taal en een geschiedenis deelt; in voorlaatste instantie de mensheid en laagst in de rangorde, de Aarde compleet met aardwormen en aardvarkens. De aanbeveling van Christus indachtig discrimineert men ten bate van zijn naaste. Men hoeft geen nationalistische diehard te zijn om de voorkeur te geven aan de mensen met wie men zich verbonden voelt. Elke mens streeft naar welvaart, erkenning, aanzien, status en succes, voor zichzelf en voor zijn kinderen. In een dichtbevolkte wereld kan hij zijn doel slechts bereiken door middel van  competitie en concurrentie. De goederen en de kansen zijn immers beperkt; meestal bereikt men zijn oogmerk slechts ten koste van anderen.
In een democratie gelden ingewikkelde regels om de belangen van individuen en groepen tegen elkaar af te wegen. Deze regels strekken er niet toe de gelijkheid in te voeren, maar de ongelijkheden enigszins te beperken en hun effect te verzachten. Zij zijn de uitkomst van een pragmatische visie. Democratie is een kwestie van passen en meten, van puzzelen en schuiven, van kleine correcties in de marge. Het is al een Sisyfusarbeid om elke burger enigszins het uitzicht op een menswaardig bestaan te bieden. Het weren van elk onderscheid is onbegonnen werk. Indien men daarin slaagde zou de algemene stagnatie intreden. Onderscheid is immers de motor van de menselijke activiteit. De drang om te winnen, om boven anderen uit te tronen, vertaalt zich zelfs op kinderachtige wijze in de ontelbare televisiespelletjes. Elk vakgebied heeft zijn prijzen en onderscheidingen. In elke sector van de samenleving worden rangschikkingen en tabellen van verdienste opgesteld. Dit kan overigens tot komische effecten leiden. De Morgen publiceerde in 2003 een evaluatie van de Vlaamse parlementsleden. De vertegenwoordigers van het Vlaams Blok kregen allemaal nul punten, op Annemans na, die met 0,5 punten werd bedacht. De diversiteit van onderscheid, voorkeur, beperking en zelfs uitsluiting – staten verhinderen of beperken in principe de toegang van vreemdelingen tot hun grondgebied – is in een moderne samenleving onontkoombaar. Daarom is het ook zo hachelijk al die gedragingen te willen bestraffen.
De drift om als een ouderwetse schoolmeester de les te spellen, en te bestraffen schijnt echter onweerstaanbaar te zijn. In 2003 had de regering alweer een nieuwe wet ter bestraffing van discriminatie ontworpen. Terwijl de wet van 1981 met zijn specifieke op het zogenaamd ras etc. toegespitste toepassingsveld bleef bestaan, werd nu ten overvloede deze racistische intentie nogmaals beteugeld, benevens het verschil in behandeling dat gebaseerd is op ‘seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige en toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.’ Met al die factoren mag men geen rekening meer houden bij het leveren van goederen en diensten aan het publiek, bij de toegang tot bezoldigde als onbezoldigde arbeid, de benoeming of bevordering van ambtenaren, de vermelding in een officieel stuk, de toegang tot activiteiten toegankelijk voor het publiek. Verboden is eveneens elke vorm van directe of indirecte discriminatie bij ‘het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of enig andere drager van discriminerende uitlatingen’. Hier staat dus letterlijk dat degene die discrimineert er moet voor zorgen dat zijn discriminerend geschrift elke gegadigde bereikt.
Het Vlaams Blok was ontevreden met de nieuwe wet.. Men vond dat in de nochtans reeds indrukwekkende litanie van misdrijven de discriminatie wegens taal en politieke overtuiging niet mocht ontbreken. En ziet, het Arbitragehof was het daarmee eens. Het oordeelde dat deze wet zelf …discrimineerde! De ingreep van dit Hof was radicaal: de hele opsomming van gronden voor discriminatie werd uit de wet geschrapt. Bleef over de definitie van discriminatie als het hanteren van elk onderscheid dat niet berust op een ‘objectieve en redelijke grond van rechtvaardiging’ Maar wat is objectief en redelijk?
Nemen wij als voorbeeld het recht op huisvesting, zoals belicht door gewezen burgemeester van Antwerpen, Bob Cools, tevens oud-voorzitter van het OCMW :’Vorig jaar hebben we voor 70 procent aan allochtonen verhuurd. Hoe kan je vandaag nog een prognose maken als je aan de hele wereld verhuurt? Toenmalig minister Jaak Gabriëls (VLD) heeft in januari 2002 een circulaire uitgevaardigd die ons verplicht om ook mensen die in een asiel- of regularisatieprocedure zitten een woning toe te wijzen. Sindsdien worden de maatschappijen overspoeld door mensen die in sommige gevallen zelfs een papier hebben dat ze niet op het Belgische grondgebied mogen verblijven.’( Trends 20 mei 2004) Cools besluit: ‘Het is niet socialistisch als de armen hier moeten opdraaien voor de armsten van de wereld.’
Het is niet enkel niet socialistisch, het is gewoon discriminatie van de autochtone kansarme. Voor de circulaire van Gabriëls bestaat geen objectieve en redelijke grond. Discriminatie komt in alle geledingen van de maatschappij voor. Zij wordt door de overheid niet vervolgd, maar gedoogd, en in bepaalde gevallen zelfs ingevoerd.
De burger die netjes zijn belastingformulier invult, betaalt dertig of veertig procent en zelfs meer van zijn bruto-inkomen aan de fiscus. De fraudeur die zijn zwart geld repatrieert ontkomt met een boete van 8 procent. Voor gelijk werk ontvangt een vrouw nog altijd gemiddeld 5 procent minder loon dan een man. In het Hof van Cassatie zetelen dertig magistraten, onder wie slechts 3 vrouwen. De discriminatie van autochtonen ten voordele van allochtonen woedt niet enkel in de sector van de huisvesting., maar bijvoorbeeld ook in het onderwijs. De staat geeft voor een allochtone leerling beduidend meer uit dan voor een autochtoon. Dat is blijkbaar niet voldoende, want minister Vandenbroucke dreigt nu een (uiteraard financiële) sanctie op te leggen aan die scholen die een degelijk niveau betrachten, en uit dien hoofde enkel de leerlingen aanvaarden die op dat niveau kunnen functioneren.
Het ontstaan van de ‘zwarte scholen’ zou dan weer als discriminatie én segregatie van allochtonen door autochtonen kunnen getypeerd worden. De situatie vormt een …schoolvoorbeeld van de onduidelijkheid, de misverstanden en de hypocrisie die door een algemeen, ongespecificeerd verbod op discriminatie kunnen ontstaan. Hier zien we hoe autochtonen massaal een onderscheid hanteren tussen hun eigen, en de allochtone kinderen. Dit onderscheid heeft tot gevolg dat de allochtone kinderen niet dezelfde toegang hebben tot
het kwaliteitsonderwijs. Het fenomeen is simpel: in scholen door een aanzienlijk allochtonen worden bezocht, zakt het peil van kennisverwerving. De leraren horen de moeilijkheidsgraad van hun onderricht immers af te stemmen op de zwakste leerlingen, die worstelen met een cultuur- en taalachterstand. De ouders van de autochtone kinderen zien de kansen van hun kroost op een interessant diploma slinken, en wensen dat hun kind liefst in aanraking komt met schoolgenoten die dezelfde waarden hanteren waarin het zelf is opgevoed. Ze sturen het naar een school met een gering aantal, of geheel zonder allochtonen. De Antwerpse senator Mimount Bousakla (SP-a) die ik in november 2002 sprak naar aanleiding van de rellen in Borgerhout vertrouwde me toe: ‘Mijn eigen zuster zou haar kinderen nooit naar een concentratieschool sturen. De leraren worden daar uitgelachen in het Arabisch en in het Berbers.’
Sommige gezinnen verhuizen zelfs om in een randgemeente de juiste school te vinden. De leider van de Nederlandse socialisten, Wouter Bos, laat er geen twijfel over bestaan dat hij het welzijn van zijn dochter primeert boven de multiculturele correctheid: ‘Ik heb het ouders nooit kwalijk genomen dat ze hun kinderen naar witte scholen sturen. Je mag het ouders niet aanrekenen dat ze het beste willen voor hun kind. Dat zal straks ook voor mij gelden.’ En hij besluit met de waarschuwing: ‘Het is mijn meisje en daar moet de rest van de wereld afblijven.’(Elle, oktober 2004) De Rotterdamse wethouder van Onderwijs, de christen-democraat Leonard Geluk, pleit voor meer contacten tussen allochtone en autochtone jongeren, zendt zijn dochter nochtans naar een witte school: ‘ Je denkt: je kind verzuipt op zo’n zwarte school.’ (HP/De Tijd, 3 december 2004) Al deze ouders, Wouter Bos en Leonard Geluk incluis, discrimineren. Ze stemmen als het ware met hun voeten. Ze verlaten de onderwijsinstellingen, die hen niet bevallen, en zoeken hun heil elders. Zo laten ze de allochtone kinderen alleen achter in instituten waar het peil zakt naarmate de ‘witten’ vertrekken. De kansen van de kleine allochtonen nemen af. Het onderscheid, gemaakt door de autochtonen, wordt de allochtonen nefast. Zij blijven achter in hun ‘zwarte’ gesegregeerde school. Maar wie zal die ouders de eerste steen werpen?
De VRT zond enkele maanden geleden een documentaire uit over een school in de Gentse volksbuurt Muide, die twintig jaar geleden homogeen ‘wit’ was. Tien jaar geleden werd ze nog uitsluitend door Turkse en Marokkaanse kinderen bezocht. Anno 2004 zijn zij ook alweer vervangen door Tsjetjenen , Kosovaren, en andere asielzoekers. De Turkse en Marokkaanse ouders zagen geen heil meer voor hun kinderen in een school waar allengs het gros der leerlingen helemaal van nul moest beginnen.
Is de zogeheten ‘positieve’ discriminatie van allochtone werklozen gerechtvaardigd? De minister van Werkgelegenheid Renaat Landuyt vaardigde een hele waslijst van maatregelen uit. Bedrijven krijgen geld om allochtonen aan te werven. Allochtonen ontvangen binnenkort 2.500 voor extra opleiding en begeleiding. Landuyt fungeert zelfs als voetbalmakelaar. Op kosten van de belastingbetaler heeft hij acht allochtone zaalvoetballers uit Borgerhout een profcontract aangeboden.
In het algemeen zijn de voorwaarden voor het verweven van subsidies gunstiger voor allochtone (jeugd)verenigingen. Ze moeten minder leden tellen en minder activiteiten organiseren. De positieve discriminatie wordt verantwoord door verwijzing naar de kansarmoede van de allochtoon. Het beleid van Landuyt en zijn collega’s is bedoeld om die situatie te verhelpen. Maar zouden zij niet moeten proberen alle kansarmoede, zonder onderscheid van zogenaamd ras, huidskleur etc. te compenseren? De cijfers van de VDAB tonen aan dat niet de allochtonen, maar de oudere werklozen en de gehandicapten de geringste kansen hebben op de arbeidsmarkt. Overigens, hoe ontstaat de kansarmoede van allochtonen? De aanhangers van de multiculturele samenleving zien hen als slachtoffers. Dat is in zeker opzicht juist: zij zijn de slachtoffers van de bewindslieden die alsmaar meer vreemdelingen tot het grondgebied hebben toegelaten zonder na te gaan of ze aan de elementaire vereisten voldeden om op enige wijze te kunnen functioneren in onze samenleving. Het kan niet de bedoeling zijn dat illegalen, al dan niet geregulariseerd, fictieve asielzoekers (negentig procent van het hele contingent), grootmoeders en importbruiden per tijdmachine uit de Middeleeuwen naar het postmoderne tijdvak gestraald, hier in de ‘sociale hangmat’ (copyright Wouter Bos) komen hangen.
Is de kansarmoede niet deels ook het gevolg van de opvattingen over opvoeding in de schoot van het Marokkaanse gezin, waar de zonen ruime vrijheid genieten, weinig of niet gecontroleerd worden, en de school wel eens meer links laten liggen, ten gunste van boeiender activiteiten? Een sanctie op het spijbelen zou misschien een paar zoden aan de dijk zetten. Maar misschien zou dat volgens de politiek correcte bijbel wel discriminatie zijn.  Integratie is een zeer geleidelijk proces. Zij wordt ondergraven wanneer de overheid geen paal en perk stelt aan de omvang en de misbruiken van de gezinshereniging, aan het fenomeen van de import bruidegoms en bruiden, en bovendien nog eens overgaat tot regularisatie van tienduizenden illegalen, per definitie onaangepaste lieden die in het beste geval hun brood verdienen als zwartwerkers, maar vaak genoeg leven van de openbare liefdadigheid, of zich aan criminaliteit overgeven.
Concluderend: wie de discriminatie wil uitroeien wordt geconfronteerd met de paradoxale taak een onderscheid ten maken tussen diverse vormen van discriminatie, de wettelijke, de ‘positieve’, de gedoogde, de maatschappelijk aanvaarde, en de onvermijdelijke. En de discriminatie sui generis van het Vlaams Blok.
Docent arbeidsrecht Marc De Vos over de wet tot bestraffing van discriminatie: ‘Wat wel of niet voor ‘objectief’ en ‘redelijk’ kan doorgaan, mag Joost weten. Het algemene discriminatieverbod geeft een blanco cheque aan de rechtbanken die de wet moeten toepassen. Ayatollahs van de gelijke behandeling kunnen de antidiscriminatiewet onder het mom van ‘redelijkheid’ tot fundamentalistische hoogten tillen.’ (De Standaard, 14 oktober 2004).
Uit dit alles blijkt dat het wellicht verstandig zou zijn discriminatie slechts strafbaar te stellen in flagrante, en welomschreven gevallen. Strafrecht is iets anders dan filosofie, die, uitgaand van  twijfel, vele mogelijkheden aftast. Strafrecht hoort nauwkeurig, transparant en trefzeker te zijn, zodat de rechter zich niet hoeft over te leveren aan byzantijnse bespiegelingen noch aan semantische waaghalzerij.

HET ZOGEHETEN ZONDEBOKMECHANISME
De vzw’s die als enige beklaagden terecht stonden, hebben discriminatie bedreven noch verkondigd. Zij werden veroordeeld wegens het louter’ behoren’ tot de groep die wel discriminatie zou verkondigd hebben. Treft hen dan schuld, gewoon omdat ze bestaan? Is er geen opzet vereist? Het Hof van Beroep van Gent stelt dat zij, vanaf het in werking treden van de wet op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersonen ‘dienden te weten’ dat het verder ‘behoren tot’ of het verder ‘verlenen van medewerking aan’ de politieke partij het Vlaams Blok strafrechtelijk beteugelbare daden zouden opleveren.
Hoezo dan wel? Stond het vanaf 1999 vast dat het Vlaams Blok discriminatie verkondigde? Natuurlijk niet. Dat staat, in rechte, pas vast vanaf 9 november 2004. We zullen zien dat de veroordeling op zeer wankele gronden berust. Hoe dit ook zij, de vzw’s konden niet met zekerheid weten dat zij ‘beteugelbare daden’ stelden.
Het Hof van Cassatie heeft nochtans deze interpretatie klakkeloos overgenomen. Dit zijn niet oninteressante overwegingen in rechte. De kernvraag van het geding luidt uiteraard: hoe bewijst men het verkondigen van discriminatie?
Verkondigen is bekendmaken. Uit het bewijsmateriaal blijkt dat in sommige publicaties van het Vlaams Blok twee soorten gegevens worden bekendgemaakt: 1° betreffende de overlast die door de instroom van vreemdelingen wordt veroorzaakt, en de onrechtmatigheid van het beleid dat die instroom duldt of bevordert. Deze teksten vallen niet zelden op door hun schrille toon, die als een weerklank kan worden opgevat van de reacties in de volkswijken van de grote steden, waar de bewoners eerst en vooral geconfronteerd worden met de ongemakken van een multi-etnische samenleving; en 2° betreffende voorstellen om het beleid te wijzigen en de ongemakken te verhelpen.
Wat de eerste categorie betreft, worden, zoals reeds aangestipt, de feitelijke gegevens niet betwist. Weerhouden wordt enkel de strafbare intentie, de omstandigheid dat de verkondiging is ingegeven door racisme en xenofobie. Hoe wordt die intentie bewezen? Het Hof van Beroep ontwaart een ‘zogenaamd zondebokmechanisme’. Deze term komt noch in de tekst van de wet, noch in andere wetteksten, noch in de rechtsspraak voor. Men kan het Hof de gave der creativiteit niet ontzeggen. Het mechanisme wordt als volgt omschreven: ‘Er wordt in de aldus naar het groot publiek toe gevoerde propaganda een hatelijk beeld van de ‘vreemdelingen’ opgehangen, teneinde bij de bevolking (al dan niet latent reeds aanwezige) gevoelens van vreemdelingenhaat aan te wakkeren, te onderhouden en op de spits te drijven…’
De bedoeling van het Vlaams Blok , zo gaat het Hof verder, is niet ‘de bevolking louter te informeren of op te komen tegen bepaalde wantoestanden, hetgeen uiteraard is toegelaten, doch wel degelijk, gelet op de systematische en eenzijdige wijze waarop deze gegevens worden aangebracht en op de daarbij gehanteerde slogantaal of sarcasme, de bevolking aan te zetten tot vreemdelingenhaat en deze ook warm te maken voor discriminerende maatregelen.’
Een partij voert uiteraard propaganda om te informeren, haar standpunten toe te lichten en de kiezer van haar gelijk te overtuigen. Dat de auteurs van de gewraakte teksten de bedoeling koesterden haat te zaaien, kan gewoon niet bewezen worden. Tenzij men in de harten en nieren van de stellers kan lezen. Haat is een gevoel, en een veel voorkomende, zij het vervelende menselijke trek. Haat is echter geen misdrijf, geen verboden handeling. Aanzetting figureerde in het Belgisch strafrecht tot dusver enkel in verband met zware misdrijven, en wel zo dat het misdadig opzet van de aanzetter kon bewezen worden zonder een beroep te doen op byzantijnse hermeneutiek.
Hoe kan een rechter aanzetting tot haat bewijzen, als hij niet weet of de aanzetting ook effect heeft gesorteerd? Een tekst die misstanden zoals verloedering, profiteurschap, criminaliteit, en overlast aanklaagt kan veel verschillende gevoelens oproepen: afkeer, irritatie, verontwaardiging, onbehagen, angst, of berusting, maar ook instemming met degene die de overheid hekelt omdat ze in gebreke blijft.  Over het effect van een tekst kan men enkel speculeren. Speculatie hoort niet thuis in rechtbanken en hoven. Het Hof leidt de strafbare intentie – het zaaien van haat – af uit 1° ‘de systematische en eenzijdige wijze waarop deze gegevens worden aangebracht’ en 2° slogantaal en sarcasme. Let wel, geen van de afzonderlijke uitingen die in het arrest worden besproken, geven aanleiding tot toepassing van de antiracismewet. Beledigingen vallen daar niet onder en informatie is niet verboden. Wat bestraft wordt is de herhaling. Men neme een handvol appelen, voege ze samen, en hokus pokus, ziedaar een mand citroenen.
Dat een partij geregeld of zelfs voortdurend haar standpunten verkondigt in zake een programmapunt, namelijk het vreemdelingenbeleid dat, samen met het realiseren van de Vlaamse onafhankelijkheid, haar reden van bestaan vormt, is een toch een normale zaak? De eenzijdige wijze van informeren, kan het Hof alleen afleiden uit de teksten die in de dagvaarding zijn vermeld. Het gaat om zo’n driehonderd ongetwijfeld met zorg gekozen maar zeer vaak uit het verband gerukte citaten. Het Hof heeft een nog veel strengere selectie uitgevoerd. Het bespreekt slechts zestien citaten. Het Vlaams Blok verspreidt jaarlijks vele honderden publicaties waarvan men toch een representatief staal zou moeten gelezen hebben om te kunnen oordelen dat de propaganda eenzijdig op het vreemdelingenprobleem is afgestemd, en dan ook telkens een hatelijke inslag heeft.
Dat is vanzelfsprekend niet zo. Consultatie van de inhoud van het E-magazine, een weekblad dat bericht over het programma en de werking van de partij, en dat overigens opvalt door een veel beschaafder stijl dan gehanteerd in de meer militante en polemische druksels waarover het Hof zich boog, leert dat het vreemdelingenprobleem in gemiddeld een bijdrage op zeven aan bod komt, en niet op een wijze die als beledigend of discriminerend kan worden opgevat. Maar het Hof kent het E-magazine niet.
Een aanzetting tot haat is, zo merkt het Hof op, vooral verwerpelijk omdat ze op het ‘grote publiek’ mikt. Hoe bereikt men de massa? Via de televisie. Toch hebben de klagers niet eens de moeite genomen om hun aantijgingen met televisiefragmenten te staven. Het zou ook niet mogelijk geweest zijn. Het Vlaams Blok heeft zich, ongetwijfeld om tactische redenen, op het scherm steeds gemanifesteerd als een bedaarde en bedachtzame gesprekspartner, die niet reageerde op provocaties.
Over de onwelvoeglijke en polemische taal, die in lokale kranten en pamfletten wordt aangetroffen, door het Hof als ‘slogantaal en sarcasme’ aangeduid het volgende: slogantaal is zo gebruikelijk geworden dat de politici spin-doctors aanwerven om one-liners voor hen te verzinnen, en coaches om te leren ze te debiteren. En sarcasme is kwetsende spot, die vooralsnog niet verboden is, al manen de Nederlandse toestanden tot voorzichtigheid.
Aan welke uitdrukkingen neemt het Hof aanstoot? Aan ‘invasie’. Aan zinnen zoals ‘Honderdduizend niet Europese vreemdelingen overspoelen de Europese steden en gemeenten.’ Herman Decroo mag wel uitkijken. Aan ‘smeltkroes’. Wat is een stad anders, die zoals Antwerpen 130 nationaliteiten herbergt? Aan ‘vuilbakgemeenschap’. Worden illegalen dan niet gedumpt in krotten?
De citaten in het arrest komen niet altijd overeen met de tekst van de dagvaarding. In bepaalde gevallen werden ze door het Hof aangevuld, of zelfs gewijzigd.
Zeer ernstig bezwaar kan worden gemaakt tegen het amalgaam dat het Hof van Beroep creëert, door artikel 3 van de racismewet, te combineren met het artikel 1. Artikel 3 beteugelt het behoren tot een vereniging die discriminatie verkondigt. Artikel 1 viseert degene die aanzet tot discriminatie, haat of geweld. Verkondigen is iets anders dan aanzetten tot haat. De vzw’s werden enkel op grond van artikel 3 vervolgd. Toch steunt het Gentse Hof van Beroep zijn ‘zogenaamd zondebokmechanisme’ op aanzetting tot haat, terwijl de dagvaarding hen niet had beticht van een inbreuk op artikel 1.
Het Hof van Cassatie maakt korte metten met de bezwaren van de beklaagden. Het decreteert dat haat of geweld wegens ras, afkomst etc. ‘gradaties van discriminatie’ zijn. Gradaties van discriminatie? Volgens welke graadmeter? Of, meer terzake doend, volgens welke wettekst? Artikel 1 van de antiracismewet geeft een zeer uitgebreide definitie van discriminatie. Daarin komt de uitdrukking ‘aanzetting tot haat of geweld’ niet voor. Dat er in de optiek van de wetgever een duidelijk verschil bestaat tussen aanzetting tot haat, en verkondigen van discriminatie blijkt uit de afzonderlijke vermelding van beide handelwijzen, in de strafbepalingen van hetzelfde artikel 1.
De theorie van het zogeheten zondebokmechanisme staat kennelijk nog niet helemaal op punt. Het mechanisme, indien het al bestaat, is zelf ook niet echt efficiënt gebleken. Indien het Vlaams Blok werkelijk systematisch en eenzijdig heeft aangezet tot vreemdelingenhaat, dan is het in zijn opzet zelfs deerlijk mislukt. Het zijn niet de Vlamingen geweest die van rassenhaat hebben blijk gegeven. Het zijn in de afgelopen jaren vooral de ‘jongeren’ geweest, in weldenkende kring ook bekend als ‘ kutmarokkaantjes’ die hun haat ten opzichte van de autochtonen hebben gedemonstreerd, niet door middel van publicaties, maar door ze te bespuwen, aan te vallen, te bestelen, en in elkaar te slaan. Het zijn de fundamentalistische imams geweest die de haat tegen de ‘ongelovigen’ hebben aangewakkerd. Het zijn fanatieke moslims die, door een boek als ‘ De weg van de moslim’ te verspreiden, aanzetten, niet enkel tot haat, maar tot moord op homo’s die op bevel van Allah de barmhartige van terrassen moeten worden gegooid. Het zijn de leden van de allochtone sportverenigingen, die de heer Landuyt zo nauw aan het hart liggen, die met hun kreten ‘Hamas, Hamas, joden aan het gas’ lucht geven aan hun racistische haatgevoelens.
De Vlamingen houden zich gedeisd. Haten ze? Ze laten het in elk geval niet blijken. Volgens een’ sociologische’ studie, in de kwaliteitskranten gepubliceerd tijdens de verkiezingscampagne van 2003, zijn de kiezers van het Vlaams Blok bange wezels, die zich nauwelijks op straat durven komen, behept als ze zijn met een ‘subjectief gevoel van onveiligheid’.

EEN MULTICULTUREEL MANIFEST
Het arrest van het Hof van Beroep heeft veel weg van een multicultureel manifest. Enkele staaltjes:
1°’Vervolgens wordt erop gewezen dat door de grote aanwezigheid van Turken en Marokkanen in het onderwijs onze ‘eigenheid’ in het gedrang zou komen.’ So what? Hebben de Gentse magistraten nog nooit van zwarte scholen gehoord? En wat is er mis met eigenheid.? Het is een van die termen die door de politiek correcte taalbezoedeling werd aangetast.
2° ‘De toestand van de vrouw in de Islam wordt hierbij duidelijk niet aangebracht om de bevolking te informeren of om op enigerlei wijze op te komen voor de toestand van de vrouwen in de islamwereld, doch wel enkel om het imago van de ‘allochtone medemens’ zoals deze spottend wordt genoemd, als onethisch en barbaars te kunnen bestempelen en aldus bij te dragen tot de gevoerde haatcampagne.’
Dit is een commentaar bij een artikel in ‘t Blok in Aalst, over de verhouding tussen echtgenoten in de moslimcultuur. Hierin worden alom bekende feiten aangehaald: dat een man zijn vrouw mag slaan en verstoten. Dat een vrouw die verkrachting aangeeft wordt opgesloten, etc. En ‘Niets kan de minachting voor de vrouw beter illustreren dan de besnijdenis.” Volgt een beschrijving van dit ritueel.
Onethisch en barbaars, dat kan het Hof niet ontkennen. Het schrijft de steller van het artikel wel de intentie toe haat op te wekken. Ligt het niet veel meer voor de hand dat het zijn of haar bedoeling was te waarschuwen voor dergelijke praktijken, ook hier te lande? De algemene consensus te vertolken dat ze onaanvaardbaar zijn? Is het effect van dergelijke berichtgeving op de lezer niet verontwaardiging én deernis met de slachtoffers? Is de waarschuwing overbodig? Helemaal niet. Het is het streven van menige iman de sharia, de islamitische wet, in te voeren in het westerse personenrecht. In Canada hebben de moslims daartoe strekkende wetsvoorstellen gedaan.
Een treffender commentaar bij deze kwestie leverde Mia Doornaert: ‘…het is ieders volste recht om te zieden van verontwaardiging om meisjes en vrouwen die in de naam van de islam worden gegeseld, gestenigd, opgehangen omdat ze een heel klein stukje vrijheid opeisen of soms om redenen die slechts in de wildste verbeelding van mannen bestaan. En het is ieders recht bezorgd te zijn om het obscurantisme dat zo’n groot deel van de islamitische wereld in een toestand van achterlijkheid gevangen houdt, en schrik te hebben dat het in onze maatschappijen wordt geïmporteerd onder het mom van ‘respect voor de culturen’.(De Standaard, 15 september 2004) 3° ‘t Blok in Aalst, een blad waar het Hof niet genoeg kan van krijgen, schrijft: ‘Een groot deel van de vreemdelingen voelt zich nog altijd in de eerste plaats Turk of Marokkaan, ook al hebben ze een Belgisch paspoort. Ze blijven hier louter om economische redenen.’ Commentaar van het Hof: ‘Met andere woorden enkel een financieel profitariaat weerhoudt hen hier.’ Economische redenen worden vertaald als financieel profitariaat. Straffen wordt een kwestie van vocabulaire. Alle beetjes helpen wanneer men, om anderen van beeldvorming te betichten, zelf aan beeldvorming doet. Weet het Hof misschien ook welke andere redenen een groot deel van de vreemdelingen hier weerhouden? De gehechtheid aan de democratie wellicht, en aan de scheiding van kerk en staat? De onvoorwaardelijke verkleefdheid aan de rechten van de vrouw? De bewondering voor onze kunstschatten?
4° Het Hof poneert: ‘Deze uittreksels tonen aan dat ook anno 2000 door het Vlaams Blok nog steeds onophoudelijk op de ‘vreemdelingenproblematiek’ wordt teruggekomen.’ Deze zestien uittreksels tonen dat niet aan. Zij zijn uit honderden publicaties geselecteerd om dat aan te tonen. (zie supra). Het aankaarten van die problematiek is overigens niet strafbaar. Hier hanteert het Hof het taboe, of zullen we zeggen de omerta, dat jarenlang de bespreking van het vreemdelingenbeleid onmogelijk heeft gemaakt.
5° Het Hof poneert’ In het vijfde uittreksel wordt het taalgebruik van de ‘allochtone’ jongeren (waarmede jongeren van vreemde herkomst; doch van Belgische nationaliteit worden bedoeld), die met messen in autobuszetels kerven of andere baldadigheden zouden plegen, gehekeld. Het geheel wordt sarcastisch afgesloten met de zin: ‘Een echte verrijking, die Nouveaux Belges!’ Het Hof werpt zich nog maar eens op als beschermer van de allochtoon. Laat zelfs twijfel bestaan over wat ontelbare keren wordt vastgesteld: die met messen ‘zouden’ kerven. Wij vermoeden dat de magistraten zich nimmer per bus verplaatsen. Enzovoort.
Door onophoudelijk de termen haat, hatelijk, haatcampagne en haatgevoelens te herhalen overtuigt het Hof in elk geval zichzelf, als door een mantra, dat de aanklacht van aanzetten tot haat gegrond is. Soms worden citaten verkeerd geïnterpreteerd. De redacteur van het veelgelezen blad ‘Het Vlaams Blok in Erpe-Mere’ schrijft: ‘In plaats van meer integratie, kregen we echter steeds meer vandalisme, meer criminaliteit, en meer drugs.’ Het Hof neemt het de steller kwalijk ‘integratie te hebben geassocieerd aan ‘meer vandalisme, meer criminaliteit en meer drugs.’ Dat is onjuist. Het is niet de integratie die geassocieerd wordt met meer vandalisme etc., maar de mislukking van de integratie. Het Hof beweert dat de vreemdelingen in het omstreden proza als ‘onintegreerbare fanatiekelingen’ worden afgeschilderd, terwijl deze term nergens in de besproken teksten voorkomt.

EEUWIGE EN ONAANTASTBARE RECHTEN
Wat de tweede categorie geïncrimineerde teksten betreft, die aangehaald worden om te bewijzen dat het Vlaams Blok discriminerende (wets-)voorstellen verdedigt heeft het Hof van Gent zich ook weer een paar kunstgrepen veroorloofd.
Zo verwijst het Hof naar het Oranje Boekje uit 1992, dat in de dagvaarding niet is vermeld. De raadslieden van de vzw’ voerden in hun cassatiemiddelen aan dat het Hof van Beroep zodoende twee rechtsbeginselen had geschonden. Een rechtbank zich enkel kan uitspreken over feiten die door de dagvaarding aanhangig zijn gemaakt, en mag geen gebruik maken van eigen vaststellingen buiten de rechtspleging gedaan, en van feitelijke gegevens waarover de gedaagde partij geen tegenspraak hebben kunnen voeren.
Het Hof van Cassatie billijkte evenwel het procédé van het Hof van Beroep: ‘Overwegende dat de rechter die oordeelt op grond van de neergelegde stavingsstukken, niet oordeelt op grond van eigen vaststellingen die buiten de rechtspleging zijn gedaan.”
Waarom heeft de beroepsrechter dan die eigen vaststellingen, bv. zijn lectuur van het Oranje Boekje, in zijn arrest vermeld?
Benevens de uittreksels uit lokale publicaties wendt het Hof het politiek programma, zoals vervat in het zeventig puntenplan van 1996, als bewijsmateriaal aan. Aangezien de beklaagden slechts vervolgd worden voor misdrijven gepleegd vanaf 2 juli 1999, de dag waarop artikel 5 van het strafwetboek over de strafbaarheid van rechtspersonen weer van kracht werd, tot 29 januari 2001, dag van de dagvaarding, lijkt het logisch enkel bewijsmateriaal uit deze periode te hanteren. Zeker nu algemeen is bekend dat het Vlaams Blok een aantal van haar standpunten sedertdien heeft gewijzigd of bijgesteld. Het Hof van Cassatie heeft dit argument verworpen, aan de hand van het – klaarblijkelijk fictieve – onderscheid tussen het Vlaams Blok en de vzw’s, die tijdens de debatten uit het oog waren verdwenen, maar nu voor de gelegenheid weer uit de coulissen te voorschijn worden gehaald.
De vzw ‘s behoren tot de vereniging die verkondigt, dat is hun vergrijp, en wanneer die vereniging heeft verkondigd heeft geen belang. Dit terzijde. De kern van de zaak is dat het Hof van Beroep zich op politiek terrein begeeft. Het veroordeelt het programma van een politieke partij. En het verbiedt het houden, in het openbaar, van ‘een pleidooi voor een discriminerende wetswijziging’. Tal van wetten voeren nochtans een onderscheid tussen bepaalde categorieën van burgers in. Hun rechten kunnen gewijzigd worden, ook in een ongunstige zin. Maar de allochtoon beschikt, indien men de vroede magistraten van Gent goed heeft begrepen, over eeuwige en onaantastbare rechten! En geen partij mag kiezers werven voor haar voorstel die rechten te wijzigen. De Moslimexecutieve afschaffen, zoals SPA senator Bousakla voorstelt, zou dus neerkomen op een schending van de antiracismewet? Aan de snel-Belgwet, waarvan Stevaert voorzichtig de ‘evaluatie’ bepleit, mag niet getornd worden? De verplichting tot inburgering mag niet worden ingevoerd? Het staat, in een democratie, elke partij vrij de wetsvoorstellen in te dienen, die zij nuttig acht met het oog op een efficiënt beleid. De bevoegdheid om deze voorstellen te verwerpen, is het exclusieve voorrecht van het Parlement. Hieraan tornen is een schending van een van de pijlers van de democratie, de scheiding van de machten. Als de oppositie haar mond moet houden, kan men het Parlement beter afschaffen.
Overigens, en dit in ondergeschikte orde, stelt men vast dat in buurlanden zoals Nederland een aantal maatregelen, die ook door het Vlaams Blok worden aangeprezen, worden toegepast of overwogen. In verband met het terugkeerbeleid, dat het Vlaams Blok propageert met de slogan’ aanpassen of terugkeren’, de grote doorn in het oog van het Hof, kunnen wij volstaan met een uitspraak van de Amsterdamse wethouder Aboutaleb : ‘Voor mensen die de gezamenlijke kernwaarden niet delen is er geen plaats in een open samenleving.’ Wat het verkondigen van uitsluiting betreft, stelt men vast dat de Nederlandse regering plannen ontvouwt om migranten de eerste tien jaar uit te sluiten van deelname aan de verzorgingsstaat.
In eigen land is de politiek na de aardschok van 13 juni 2004 uit de multiculturele droom ontwaakt. Men ziet plotseling de problemen, die men altijd ontkend of verdoezeld heeft. Men suggereert behoedzaam oplossingen die sporen met wat het Vlaams Blok al jaren ‘verkondigt’: een restrictief beleid.
Marc van Peel, die onlangs nog vaststelde dat er gedurende dertig jaar geen vreemdelingenbeleid was gevoerd (was dat maar waar! cfr snel-Belgwet, migrantenstemrecht etc) durft het volgende te opperen: ‘Het zijn nu illegalen die Noord-Antwerpen overspoelen. Wat we nodig hebben is een inkomensdrempel.’ Bob Cools, die in tegenstelling tot zijn partijgenoten nooit een blad voor de mond heeft genomen, schetst de toestand in Antwerpen-Noord: ‘ Problemen als sluikstorten, huisjesmelkerij, criminaliteit, drugsmisbruik en prostitutie vergallen het woonklimaat.’ In progressieve kring denkt me nu eensklaps na over de noodzaak van een veiligheidsbeleid waar het Vlaams Blok sedert jaar en dag op aandringt: ‘Dat is er vandaag nog niet, omdat nog steeds zowat iedere politicus kippenvel krijgt als het woord wordt uitgesproken, bang als hij is door de links-intellectuele eigenaars van het grote marxistische gelijk als rechtse zak te worden uitgekreten.’ (Jos Bouveroux in het boekenkatern van De Morgen, 10 november 2004) Minister van Inburgering Marino Keulen: ‘De integratiesector is er te veel op gericht om mensen de weg naar het OCMW te wijzen.. (…) Vijftien jaar lang hebben we niets durven doen omdat je ofwel een naïeveling was, ofwel een crypto-Blokker.’ De minister heeft ook ontdekt dat in een stad als Beringen alle sociale woningen naar allochtonen gingen, terwijl alleenstaanden en bejaarden uit de boot vielen. Mieke Vogels constateert tot haar ontsteltenis dat de gezinshereniging misbruikt wordt. Allochtone grootouders worden overgevlogen en na een paar maanden bij het OCMW afgeleverd. Het Vlaams Blok fulmineert al jaren tegen de misbruiken van de gezinshereniging en in de sociale sector is iedereen ervan op de hoogte. Vogels was gedurende drie en een half jaar Vlaams minister voor Gelijke Kansen. Ze vertoonde zich wel eens, getooid met een hoofddoek. En ze liet een studie maken over die grootouders. Er was niets aan de hand, zo bleek.. Begrijpelijk toch dat kinderen hun ouders laten overkomen om ze te laten genieten van een goede gezondheidszorg. ‘We moeten ophouden te zwijgen over dat soort problemen,’ zegt ze nu, haar stem verheffend in het rouwende koor van degenen die op 13 juni van het politiek correcte paard zijn gebliksemd.

DE VRIJE MENINGSUITING
De vrije meningsuiting, annex het recht op vrije vergadering en vereniging, is het tweede democratische grondbeginsel dat door de veroordeling van het Vlaams Blok werd geschonden. Met deze vrijheden staat of valt de democratische rechtsorde. Zij kunnen derhalve slechts beperkt worden om zwaarwichtige redenen.
Het Hof van Beroep van Gent erkent dat er aan de vrijheid van meningsuiting niet mag getornd worden, indien er geen ‘dwingende noodzaak’ bestaat. Om die ‘dwingende noodzaak aan te tonen verwijst het Hof naar de parlementaire voorbereidingen van de wet van 30 juli 1981. Daar werd gewezen op ‘het toenemend gevaar van racisme’. De cijfers die mevrouw Onkelinx in1999 bekendmaakte (zie supra) bewijzen dat het gevaar eerder denkbeeldig was.
Is de inbreuk tegen artikel 3 van de racismewet zo zwaarwichtig? Deze bepaling stelt geen daden van discriminatie of segregatie strafbaar, enkel meningen. Het straft niet eens degene die de mening verkondigt, enkel zijn medewerkers. En zijn uitwerking is twijfelachtig. Sottiaux en Vrielinck merken op: ‘Indien een strafrechtelijk verbond op discriminatie en racistische uitingen niet werkelijk bijdraagt tot meer gelijkheid en minder racisme, weegt het belang van de vrijheid van mening door en moet van penale repressie worden afgezien. Het is immers lang niet zeker of de bestraffing van meningen leidt tot de uitroeiing van het onderliggende gedachtegoed.’ Deze auteurs gaan verder: ‘Het verbieden van meningsuitingen is niet meer dan symptoombestrijding. Het leidt daarenboven de aandacht af van de sociale oorzaken van gevoelens zoals vreemdelingenhaat.’
Hoe denkt de minister van Justitie, mevrouw Onkelinx, over de vrijheid van meningsuiting? In de Kamer werd zij geïnterpelleerd naar aanleiding van de verschijning in de boekhandel van twee boeken, de Gids voor islamitische opvoeding en De weg van de moslim. In het eerste wordt  aangezet tot het mishandelen van kinderen die niet willen bidden. De straf voor overspel, zo leert deze opvoedende publicatie, is steniging, tenzij men getrouwd is. Dan volstaan honderd zweepslagen. Deze teksten kan men, zonder veel spitsvondigheid aan de dag te leggen, interpreteren als aanzetting tot mishandeling en moord. Het tweede boek heeft veel ophef veroorzaakt, vanwege de aanbeveling homo’s met het hoofd naar beneden van terrassen te gooien. Het zet tevens aan tot het voeren van de heilige oorlog. Moeten dergelijke boeken niet verboden worden?
Mevrouw Onkelinx repliceert: ‘Gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is de vrijheid van meningsuiting, zoals vermeld in artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, een absolute vrijheid, waarop alleen restrictief geïnterpreteerde uitzonderingen mogelijk zijn.’ Zij ziet geen aanleiding om de werken te verbieden, of vervolgingen in te stellen. Dat is een juiste beslissing. De auteur van De weg van de moslim heeft het recht zijn ideeën, hoe verwerpelijk ook, kenbaar te maken. A fortiori heeft het Vlaams Blok het recht om zijn veel minder verwerpelijke, zij het in grove, sarcastische of choquerende taal gestelde, polemische geschriften te verspreiden.

CONCLUSIES
Het proces tegen het Vlaams Blok was een politiek proces.
Het artikel 3 van de wet van 30 juli 1981 schendt het beginsel van de vrijheid van meningsuiting.
Het arrest is niet gemotiveerd in rechte. Het veroordeelt de beklaagden op grond van artikel 1 van de Racismewet, dat aanzetting tot haat beteugelt, terwijl de beklaagden gedaagd werden op grond van artikel 3, dat medewerking aan de verkondiging van discriminatie bestraft.

Het arrest is niet gemotiveerd ten gronde daar het noch de intentie – het opzettelijk aanzetten tot haat – noch het schadelijk effect van het vermeende misdrijf aantoont.

zondag 4 september 2016

Islam en Slavernij


Inleiding

Wie naar het elektronische archief van de befaamde New York Review of Books surft, en daar het woord “slavery” intikt, krijgt een massa hits. Begin dit jaar waren het er 995. Dat is begrijpelijk, want het archief beslaat meer dan vijftig jaar, bevat duizenden boekbesprekingen en essays, en slavernij is een brede en vage term. Behalve in de gewone betekenis van het woord, kan iemand tenslotte ook de slaaf zijn van kansspelen, nicotine, mode, email en duizend andere dingen.
Met het booleaanse commando “slavery AND islam”, blijven er van de kleine duizend nog maar 74 treffers over. Goed 7 percent dus. Als je die nakijkt blijken van die 74 er ongeveer 70 over fenomenen zoals de Black Muslim-beweging in de Verenigde Staten te gaan, een beweging die is ontstaan mede uit de terechte wrok over de plantageslavernij in het christelijke Zuiden van de VS. Met andere woorden: ook deze artikelen behandelen, rechtstreeks ofwel zijdelings, enkel de Europees-Amerikaanse Atlantische slavernij.
Van de bijna duizend artikelen, blijven er hooguit een paar over die het onderwerp behandelen dat hier aan de orde zal zijn: de 15 eeuwen van slavernij in de islamlanden, en het eventuele verband van dit verschijnsel met deze godsdienst of ideologie zelf.
Ook wie andere tijdschriften- of krantenarchieven nakijkt, zal een soortgelijke verhouding aantreffen: enkel bij hoge uitzondering gaat het over de Arabische of islamitische slavernij.
Een westerse leerling zal in zijn lessen geschiedenis ongetwijfeld het een en ander vernemen over de Atlantische slavernij en de befaamde driehoekshandel, maar zeer zelden iets over die andere en oudere slavernij. Een niet-westerse leerling zal meestal helemaal niets vernemen over de islamitische slavernij, en mocht hij toch iets vernemen dan is: “…op een schaarse uitzondering na, alle werk dat door Arabieren en moslims wordt geleverd apologetisch en polemisch van aard.”[1]
Zonder nu al te vervallen in “the numbers game”,[2] en zonder een morele schaal te gebruiken, zijn nochtans alle moderne auteurs het erover eens dat de Arabisch-islamitische slavernij zowel een groter tijdvak beslaat, als ook grotere aantallen slaven betreft.
Wat ook moet opvallen is dat de islamitische slavernij –als zij überhaupt ter sprake komt– in Westerse geschiedenisboeken en romans vaak gunstig wordt voorgesteld. Zij zou veel humaner zijn dan de Atlantische ooit was.
In het Westen, in Engeland, Frankrijk, ook Duitsland en de Verenigde Staten was er al vanaf de XVIIIde eeuw een groeiende abolitionistische beweging, en gaandeweg wist deze de publieke opinie te overtuigen van de immoraliteit van slavenhandel en slavenhouderij.
Christelijke groepen zoals de Methodisten, Unitariërs of Quakers speelden hier een pioniersrol, en zij gingen tekeer tegen de Church of England, die wel heil zag in de slavernij. Zulke groepen hebben in moslimlanden nooit bestaan. Later werden deze voorlopers gevolgd door vele dichters en auteurs. Van deze laatsten is wellicht de Amerikaanse Harriet Beecher Stowe (1811–1896) de belangrijkste, want met haar Uncle Tom’s Cabin (De Negerhut van Oom Tom) van 1851 bereikte zij miljoenen lezers, en had ze bijgevolg een enorme invloed op de publieke opinie, zodat politici niet langer onverschillig konden blijven.
Bij de geletterde Westerse bevolking was romanfictie een sterk wapen in de maatschappelijke strijd, misschien effectiever dan historisch of journalistiek werk. Zo dacht bijvoorbeeld ook Multatuli, die de islamitische slavernij goed kende, en in zijn Havelaar de collaboratie hiermee vanwege de Nederlandse overheid aan de kaak wilde stellen. Over Beecher Stowe schreef hij:
“Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of –om af te dalen tot meer gelykheid met myn boek– mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak uitmaakt van de Negerhut, omdat er misschien nooit een Evangeline bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk pleidooi –onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door strekking en indruk zal men tot haar zeggen: ‘ge hebt gelogen, de slaven worden niet mishandeld, want... er is onwaarheid in uw boek: het is een roman!’ […] Zou haar boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een processtuk? Is 't haar schuld –of de myne– dat de waarheid, om toegang te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?”[3]
Na een definitie van wat slavernij en de status van slaaf betekenen, en na een korte en onvermijdelijk zeer onvolledige schets van de Arabisch-islamitische slavenhandel en slavenhouderij, zullen wij bekijken of er in de ideologie van de islam zelf misschien elementen zitten die hebben belet dat er in die wereld een abolitionistische beweging op gang kwam, en vervolgens zullen wij proberen een uitleg te vinden voor de blinde vlek die de meeste Westerse historici, filosofen, leraren, auteurs en krantenredacteurs vertonen, wat betreft de grootste mensenhandel in de geschiedenis.


Wat maakt iemand tot slaaf?

De staat van slaaf, schrijft de Franse antropoloog Claude Meillassoux, is het resultaat van een reeks wederwaardigheden die samen een individu, of liever een subject opleveren dat in het geheel geen aanknopingspunten meer heeft. De slaaf heeft geen afstamming, geen familiale of vriendschapsbanden, zelfs geen nabuurschap, en is dus rijp voor uitbuiting.
Olivier Pétré-Grenouilleau beaamt dit: de staat van slaaf is het tegendeel van verwantschap, en precies omdat een slaaf geen verwante is, en het ook niet kan worden, heeft hij een bepaalde geld- of ruilwaarde.[4]
Vreemdelingen die met geweld uit hun eigen gemeenschap zijn weggehaald, worden makkelijk getransformeerd tot compleet serviele ondergeschikten. Het trauma van de gevangenneming en de ontworteling gaat altijd ook met groot fysiek en psychisch lijden gepaard, en bij de slachtoffers ontstaat een gevoel van machteloosheid en weerloosheid.
Verder wordt de onderworpenheid van de nieuwe slaven verzekerd, zegt Murray Gordon, door mogelijke of reële lijfstraffen, die een onvermijdelijk onderdeel zijn van hun conditioneringsproces bij de nieuwe eigenaar.[5]
Abu al-Faraj b. al-Jawsi (gestorven in het jaar 1201) situeerde zulke bestraffing in een breder kader: ‘het is passend voor de vrouw om mishandeling door haar man te ondergaan, net zoals een slaaf dat hoort te doen”[6]
De overgang tot de staat van slaaf wordt vervolledigd met het verlies van elke persoonlijke identiteit, want de betroffenen worden gedwongen om een nieuwe naam te aanvaarden, een nieuwe religie en gedragscode. Door de manier waarop zij in de ontvangende gemeenschap worden binnengebracht, en door de exclusieve en eenduidige band met hun meester worden zij gedeciviliseerd, eventueel gedepersonaliseerd, zegt Meillassoux nog.
Deze processen bepalen het statuut van de slaaf. Dit statuut is origineel, in de zin dat de slaaf geen andere oorsprong meer kan aanwijzen. Het is zodoende permanent en blijvend aan de gevangene gehecht.
Als gevolg van dit initiële en onuitwisbare stigma kunnen slaven, zodra zij aan een meester toebehoren, voor gelijk welke taak worden ingezet, wat hun leeftijd of geslacht ook weze, en dit zonder dat uit hun werkvoorwaarden ook een echt of nieuw statuut zou voortvloeien. Slaven kunnen vrouwelijke of mannelijke taken verrichten, ongeacht hun eigen geslacht. Zelfs kunnen zij sociale of politieke en militaire functies bekleden, zonder dat deze promotie in hun opdrachten hen van het stigma van slaaf kan bevrijden. “Statuut en functie zijn onderscheiden zaken, die met elkaar niet communiceren.”[7]
Meillassoux, als neomarxist, maakt nog een nuttig onderscheid tussen de productiewijze die gebruik maakt van slaven, en deze met lijfeigenen: “…temeer daar Marx en Engels –en vele andere auteurs– de neiging hebben om deze twee gelijk te stellen”.
Voor hem zit het onderscheid voornamelijk in de wijze van reproductie van de populatie: lijfeigenen worden niet op de markt aangekocht, zijn niet aan de meester maar aan het landgoed gebonden, en reproduceren zich door demografische aanwas. Bijgevolg moeten zij, tot onderhoud van de volgende generatie, kunnen beschikken over dat deel van de landbouwproductie dat zijzelf in overschot voortbrengen. Om nu, altijd volgens Meillassoux, een eenvoudige reproductie te verzekeren –voor elkeen die de productie verlaat moet een vervanger klaarstaan, terwijl ook oudere lijfeigenen nog in leven blijven– dient het overschot dat de actieve lijfeigen populatie produceert minstens gelijk te zijn aan het verbruik van een even grote populatie die voorlopig niets voortbrengt. Om daarenboven nog een rente over te laten voor de meesters, is het noodzakelijk dat de productiviteit voldoende hoog ligt, zodat het onderhoud van de jonge kinderen niet het volledige overschot opeist. Het rendement moet hier in elk geval hoger liggen dan bij een slavenmaatschappij. “Daar staat enkel tegenover, dat bij lijfeigenschap er geen kosten gemaakt worden voor de aankoop van nieuwe slaven.”[8]
Door de inplanting in een bepaalde landstreek en op een vast landgoed, vertoont een lijfeigen bevolking grote stabiliteit. Ze leeft daarenboven ook in een familiale structuur. Die factoren geven aan zulke bevolking mogelijkheden tot weerstand, die zij ook gebruikt. Revoltes van lijfeigenen zijn een constante in de feodale geschiedenis; slavenopstanden zijn er weinig. Dit heeft een gevolg voor de maatschappijordening: “Meer nog dan in een slavenmaatschappij moet de heersende feodale klasse repressief zijn, bewapend, en gericht tegen het volk.”[9]
Pétré-Grenouilleau legt het accent anders dan Meillassoux: “Laten wij een kat een kat noemen. Het woord ‘slaaf’ verwijst naar de vreemdeling die met geweld in een maatschappij wordt binnengebracht. Daarin bestaat inderdaad, veel meer dan in de aard van de levensomstandigheden, het onderscheid tussen een lijfeigene en een slaaf.”[10]

Enkele fragmenten en taferelen uit de geschiedenis

Al vanaf de vroege VIIde eeuw, de tijd van Mohammed zelf –althans volgens latere islamitische bronnen– werden vanuit verschillende landen slaven geïmporteerd in de Arabische wereld. In die vroege tijd kwamen de slaven vanzelfsprekend uit pas veroverde gebieden – uit Egypte, Iran en Noord-Afrika, Centraal-Azië, Indië en later Spanje.
“De meesten van deze slaven hadden een cultureel peil dat minstens zo hoog was als dat van hun Arabische meesters, en door bekering en vrijlating gingen zij al snel op in de grotere populatie.”[11]
In de vroege tijden van de islam waren de slaven dus, net zoals dat in Rome en in Byzantium het geval was, blanken.[12] Wel was er aan de Oostkust van Afrika al een beperkte, maar groeiende handel in zwarten, Zanj genaamd.[13]
De IXde eeuwse Arabische dichter en geograaf Ibn-al-Fakih schrijft: “Van de Westelijke zeeën komen in het Oosten de mannelijke slaven aan. Romeinen, Franken, Lombarden. Vrouwen komen uit Rome of Andalusië.”
Aanvankelijk diende inderdaad Europa als bron van slaven, en zij werden in de moslimwereld op prijs gesteld als soldaten, concubines en vooral als eunuchen.[14] Zowel Venetië als Genua verkochten “Slaven”: Georgiërs, Circassiërs en Armenen. Joodse handelaren boden in moslim-Spanje slaven aan.
De Xde eeuwse reiziger en geograaf Ibn Hauqal bevestigt eenvoudigweg: “…het beste artikel dat uit Spanje komt zijn de slaven, meisjes en mooie jongens, die zijn opgegroeid in het rijk van de Franken of in Galicië. Alle slaaf-eunuchen die men op aarde vindt zijn uit Spanje aangevoerd, en zodra zij aankomen worden ze gecastreerd. Daar zorgen de joodse handelaars voor.”[15]
Voor dit laatste is er een verklaring. De islamitische wet verbood moslims om deze operatie zelf uit te voeren en bijgevolg moest de castratie door ongelovigen gedaan worden, en wel in hun eigen land. “De eindeloze stroom van ‘ready made’ ontsekste jongens kwam te voet uit de geboortelanden in Europa of later Afrika, of zij werden per boot of karavaan aangevoerd.”[16]
Vanuit de sharia waren er bezwaren tegen castratie, niet enkel omdat de islam verminkingen verbiedt, maar ook omdat die castratie vaak aanleiding gaf tot homoseksuele uitbuiting van slaven “die hun jongensachtige en baardloze voorkomen behielden”.
Seksuele betrekkingen met deze jonge slaafjes waren dus in tegenspraak met de heilige wetten, maar ze werden in de praktijk vaak door de vingers gezien. Noord-Afrikaanse kapers onderhielden echte harems van “mannelijke concubines”, en ook kwam prostitutie voor.[17]
Tegen de aankoop van castraten had de wet weer geen bezwaar, en zo zouden later onder meer de Kopten instaan voor de castratie van zwarte slaven.
De trafiek van blanke slaven liep sterk terug door het verzet vanuit de Europese christenheid, die niet langer aanvaardde dat haar volk tot slaaf kon worden gemaakt, vooral niet door de verachte moslims. Toch duurde het nog tot het eind van de XIXde eeuw, voor de handel in blanke slaven zo goed als verdwenen was. Een uitzondering was het Arabisch schiereiland, waar ook in de XXste eeuw nog blanke slaven en slavinnen voorkwamen.[18] Kaukasiërs werden nog geruime tijd aangevoerd, over de landbrug tussen de Zwarte en de Kaspische Zee, en voornamelijk in Aleppo en Mosul verkocht.
In groten getale kwamen zwarte slaven inderdaad pas later –ook al had volgens de overlevering Mohammed zelf een zwarte slaaf, of misschien wel meerdere– en zij werden over verschillende routes massaal de islamitische wereld binnengevoerd. Vanuit West-Afrika, door de Sahara naar Marokko en Tunesië, vanuit Tsjaad door de Libische woestijn, vanuit Oost-Afrika via de Nijl tot in Egypte, en over de Rode Zee en de Indische Oceaan, naar Arabië en de Perzische Golf. Turkse slaven uit de steppen werden verhandeld in Samarkand en andere moslimsteden in Centraal-Azië, en van daaruit geëxporteerd naar Iran, de vruchtbare halve maan en nog verder.
Precieze gegevens hierover ontbreken echter: “Wij weten alles en nog wat over de Atlantische slavenhandel van de Westerlingen, over die van de Portugezen van Lissabon en Sao Tomé in de jaren 1520, over die van de reders van Nantes en La Rochelle in de XVIIIde eeuw, maar van de Oost-Afrikaanse handel weten wij niets, totaal niets”, schreef nog voor een paar jaar Jacques Heers.[19]
De laatste tijd lijkt hier enige verbetering te zijn opgetreden, maar de cijfers omtrent de omvang van de islamitische slavenhandel blijven wankel. Van de Atlantische handel weten wij inderdaad uit logboeken, handelsregisters en dergelijke dat er ongeveer 11 à 12,5 miljoen slaven zijn overgebracht naar Noord- en Zuid-Amerika en naar de Caraïben. De aantallen van de gedeporteerden lagen in werkelijkheid overigens een stuk hoger, want bij hun inscheping was het gevaarlijkste stuk van de tocht al voorbij: de grootste mortaliteit trad op bij de mars door het Afrikaanse binnenland, tijdens het verblijf in wachtkampen aan de kust, en in de eerste dagen van de overtocht.
“De handel was voornamelijk een moslimbezigheid: Arabieren gingen ofwel zelf op slavenjacht in de weidse Afrikaanse vlakten, of zij kochten de slaven van [zwarte] makelaars om ze op hun beurt weer door te verkopen.”[20]
Vaak werden in één raid grote aantallen slaven gemaakt door min of meer geregelde legereenheden, bv. ter gelegenheid van een officiële jihad.[21]
Hoe dat werkte, lezen wij onder meer bij Meillassoux, die Al-Idrisi (1154) laat uitleggen hoe bijvoorbeeld de krijgers van Ghiyaro zo’n razzia aanpakten:
“De manschappen berijden uitstekende kamelen; zij bevoorraden zich met water, marcheren ’s nachts, komen bij het aanbreken van de dag ter bestemming. Nadat zij hun buit hebben binnengehaald, keren zij terug met het aantal slaven dat, met Gods toelating, hun is toegevallen ter verdeling.”[22]
Vaak echter waren het kleine bendes van particulieren die op slavenjacht gingen. Ook deze razzia’s vereisten een goede organisatie. Men moest een voldoend grote groep mannen bijeenbrengen, in staat om minstens één of twee etnische en taalgrenzen over te steken en vervolgens een dorp aan te vallen, liefst niet te vaak hetzelfde. Deze slavenraids werden niet zelden gekenmerkt door primitieve wreedheden tegen de gevangenen.
“Diegenen die ongewenst waren of onverkoopbaar, door ouderdom of handicap, werden ter dood gebracht. Niet zelden gebeurde dat in naam van de religie. […] En al kunnen de precieze cijfers nooit nog worden achterhaald, de tol van deze jihads of pseudo-jihads moet geweldig hoog zijn geweest.”[23]
Joseph-M Cuoq: “Je heb geen idee van de listen en de vindingrijkheid van de Moren als het er om gaat negers te vangen. Ze gaan met een man of vijftien-twintig op pad, en houden halt op een mijl van het dorp dat zij willen plunderen. Ze laten hun paarden in het bos achter, en houden zich schuil bij een bron, bij een pad naar het dorp, of in de nabijheid van de gierstvelden die door de kinderen bewaakt worden. Daar blijven zij dagen- en nachtenlang geduldig wachten, plat op hun buik, en zij kruipen van de ene plek naar de andere. Zodra zij iemand zien, storten zij zich op hem, stoppen hem de mond en nemen hem mee. Dit gaat des te makkelijker omdat de jonge meisjes en kinderen in groepjes naar de bronnen en de velden gaan, en die liggen vaak ver van het dorp verwijderd. Dat maakt de negers niet wantrouwiger: de moren gebruiken altijd dezelfde listen, en die slagen altijd. Deze strooptochten leveren hen veel meer kinderen op, dan vrouwen of mannen. Als zij hun vangst naar de opkopers brengen, naakt vastgebonden op hun paarden, zijn ze met wonden overdekt, uitgeput van honger en dorst, en overgeleverd aan de meest wrede angsten.” [24]
De gevangenen, die bijvoorbeeld bestemd waren voor de markten in Noord-Afrika, werden vervolgens naar de Sahel (Arabisch voor “kust”) gebracht, en van daaruit ging de tocht door de Sahara.
Men heeft het aantal slaven dat jaarlijks de Saharatocht maakte, ingeschat op gemiddeld 12.000. Anderen spraken van 20.000 per jaar, maar dat cijfer wordt veelal verworpen. Dat een zo groot aantal mensen getransporteerd kon worden, is een bewijs voor de grote kennis en vaardigheid van de karavaanleiders, die gebruik konden maken van een netwerk van handelsroutes door het gevaarlijke landschap. Voor de slaven was de tocht, die gewoonlijk zestig tot zeventig dagen duurde, een beproeving die velen niet overleefden. Precieze cijfers kunnen er niet gegeven worden, omdat niet geweten is hoeveel slaven de tocht aanvatten. Uit een aantal getuigenissen blijkt dat voor elke slaaf die de tocht overleefde, er onderweg drie of vier stierven. Zij stierven door de hitte overdag, of door de bittere koude ’s nachts, of door honger, dorst, uitputting en ziektes. Diegenen die ziek of gekwetst waren, of te zwak om het tempo van de anderen te volgen, werden op de piste gewoon achtergelaten of terplekke gedood.[25]
Dat er tijdens de tocht door de Sahara drie of vier slaven stierven voor elke overlevende lijkt overdreven, want de zaak moest wel winstgevend blijven. In elk geval was de sterftegraad volgens alle auteurs gemiddeld hoger bij de Oosterse dan bij de Atlantische slaventransporten, en Ralph Austen schat hem tussen de 6 en 20% in de XIXde eeuw.[26]
Deze hoge tol, zo suggereert Pétré-Grenouilleau, was wellicht mede het gevolg van de geringe aankoopprijs van de gevangenen, door het grote aantal razzia’s. De investering was niet bijzonder groot, en grote zorg dus overbodig. Bijvoorbeeld supplementaire rustdagen, die voor sommigen nodig waren, zouden onvermijdelijk ook de duur van het traject verlengen, en de risico’s voor de groep als geheel verhogen. Moraal is niet de eerste bekommernis van slavendrijvers.[27]
In de loop der eeuwen werden de gevaren er niet minder op. Nog in 1805 kwam een karavaan van 2000 man en 1800 kamelen om van de dorst, op de route van Timboektoe naar de zoutmijnen van Teghazza – geen man of dier overleefde. “In de omgeving van bronnen ligt het vaak bezaaid met skeletten van kamelen en mensen.”[28] Soms werden karavanen ook getroffen door epidemieën, en net als schepen moesten zij dan “in quarantaine” blijven rondzwerven, zonder toegang tot de oases.
Vele trans-Saharaanse karavaanroutes leidden naar de zout- en kopermijnen, waar het harde werk door zwarte slaven werd verricht. Andere waren de bedevaartroutes, die vaak Cairo passeerden. Naarmate de islam oprukte, konden de slavenhandelaars meer en meer gebruik maken van de voorzieningen die er ten gerieve van de bedevaarders kwamen, zoals handelsposten en waterputten.
De invoer van slaven was inderdaad een routinezaak, zegt weer Meillassoux, want vele eigentijdse auteurs maken er melding van zonder de indruk te geven over iets uitzonderlijks te willen berichten: al-Biruni rond 1050, al-Zuhri rond 1154-1161, al-Sharishi rond 1223, Ibn Khaldun rond 1375.
Bij een bepaalde reis die hij maakte, van Takedda naar Tuat, merkt Ibn Battuta (XIVde E.) terloops op dat de karavaan waar hij mee reist, zeshonderd slavinnen meevoert. Die opmerking is daarom interessant, omdat zij aantoont wat voor capaciteit een volgens Ibn Battuta heel gewone karavaan aankon.[29]
In 1416 signaleert al-Makrisi dat er “een karavaan uit Takrur kwam, voor de bedevaart, met 1700 slaven, mannen en vrouwen, en een grote hoeveelheid goud”, bestemd om in Mekka verkocht te worden. “Zelfs al zouden deze auteurs elkaar napraten, dan nog zouden ze dat niet doen als niet ook de feiten zich herhaalden.”[30]
Over de aantallen slaven die buitgemaakt werden en verhandeld, in de veertien of vijftien eeuwen van de islam, bestaat zoals gezegd grote onzekerheid. Pétré-Grenouilleau en Clarence-Smith citeren ter verklaring van deze onzekerheid onder meer de historica Janet J. Ewald, die zegt dat de Oosterse slavernij veel diffuser verliep, complexer was en veel ouder dan de Westerse, wat volgens haar weer aanleiding gaf tot een eveneens “diffuse kennis”. “Maar vooral” zegt zij nog, “heeft deze slavernij nooit, zoals in het Westen wel het geval was vanaf de XVIIIde en XIXde eeuw, de aandacht van moslimintellectuelen getrokken.”[31]
Een misdadige mentaliteit kan inderdaad onopgemerkt blijven, en tot de volslagen normaliteit behoren, zoals in een ander verband ook Hannah Arendt ons leerde.
Elke grote stad had een “tentoonstellingsplein” (ma’rid) of slavenmarkt, gewoonlijk aangeduid als suq erraqiq. Slaven werden aangeduid als “koppen” (ru’us raqiq), een term die ook voor het vee werd gebruikt. De slavenmarkt in de IXde eeuwse Egyptische stad Samarra werd beschreven als een uitgestrekte vierhoekige ruimte, doorsneden met gangen, en afgeboord met lage huizen. De slavenverkoper, gewoonlijk aangeduid als “importeur” (djallab), of “veeverkoper” (nakhhas), bracht de slaven naar de open markt waar zij aan het publiek ter keuring werden aangeboden. Slaven van betere kwaliteit werden vaak in private huizen verkocht, of door bemiddeling van hoog aangeschreven verkopers. Jonge attractieve vrouwen, die als concubines gegeerd waren, konden in de regel in privéwoningen geïnspecteerd worden.[32] Hetzelfde gold voor eunuchen, die tegen een veel hogere prijs van de hand gingen dan normale mannelijke slaven.
Een bekende hadith (overlevering) waar vaak naar wordt verwezen, is de uitspraak dat de slavenverkoper “de slechtste van alle mensen is”. Misschien is, alle verhoudingen in acht genomen, de afkeer die hieruit spreekt te vergelijken met de roep die veeverkopers ook bij ons soms hebben, omdat weinig mensen alle details van hun beroep wensen te kennen. Maar moslimgeleerden, beslagen in de casuïstiek, hebben er altijd op gewezen dat volgens de heilige teksten weliswaar de verkoop van slaven verwerpelijk was, maar dat er met de aankoop niets mis is.
Aanvankelijk, dat wil zeggen tot 1970 ongeveer, hield het Westerse historisch onderzoek het nog op 11 à 12 miljoen betroffenen in deze Arabisch-islamitische handel. Op een klein percentje na was dit getal gelijk aan de Atlantische handel, merkte een onderzoeker schamper op.
Naarmate er meer onderzoek werd gedaan, stegen echter de geschatte aantallen. Patrick Manning gaat uit van minimaal 14 miljoen eenheden.[33] De historicus Ralph Austen, volgens velen de uitgesproken specialist van dit cijfermateriaal, sprak van 17 miljoen.[34] Bij Chebel lezen we: “Als ik de schattingen bij elkaar neem, die de auteurs voor de veertien eeuwen van de islam naar voren hebben gebracht, voor elk type van slavernij, dan kom ik aan een totaal van tussen de 21 en 22 miljoen slaven.”[35]
Er worden ook nog grotere getallen genoemd, maar laten we “the numbers game” over aan de onderzoekers, die stilaan en langzaam toegang krijgen tot enig archiefmateriaal. De meeste bronnen blijven echter tweedehands, of zelfs ontoegankelijk, betreuren alle auteurs.
“De grootste mensenhandel in de geschiedenis”: daar is intussen iedereen het over eens. Weinigen zullen de uitspraak van de Franse historicus Henri Brunschwig nog ernstig nemen, toen die beweerde: “De oude Aziatische of trans-Saharaanse slavenhandel, wat de grootte ervan ook was, lijkt meer een emigratie met de druppelteller te zijn geweest, als we hem vergelijken met de geregelde en ononderbroken stroom die meer dan drie eeuwen lang Afrikanen naar de Amerika’s bracht.”[36]

Had de Islam als maatschappijmodel een bepalende invloed?


O gij die gelooft
houdt niet voor verboden
de deugdelijke dingen
die God u heeft veroorloofd.
(Koran V, 87-90)

God heeft sommigen uwer
boven anderen begenadigd
in levensonderhoud
doch niet geven zij die
begenadigd zijn
hun onderhoud weder
aan wat hun rechterhanden
bezitten[37]
zodat zij daarin gelijk zijn.
Ontkennen zij dan de
weldaden Gods?
(XVI, 73)

De bestraffing van hun Heer
is niet iets waarvoor zij
veilig zijn
die hun eerbaarheden
wél bewaren
alleen niet jegens hun
echtgenoten
en wat hun rechterhanden
bezitten[38]
want dan zijn zij niet te laken.
Doch wie daarenboven
nog begeerte hebben
dat zijn de overtredenden
(LXX, 28-31) (ook XXIII, 1-7)


Zoals Etienne Vermeersch opmerkte[39] moeten noch de joden noch de christenen hoog van de toren blazen wat slavernij betreft, want in hun heilige boeken, zoals in die van de moslims, komen er passages voor die bezwaarlijk anders dan als immoreel bestempeld kunnen worden.
Voor mohammedanen is de betekenis van teksten echter heel verschillend van wat –een aantal uitzonderingen daargelaten– joden of christenen er in deze tijd nog onder verstaan. Bovendien, zoals Jacques Heers ons waarschuwt: “Wij weten allemaal dat wie bij de studie van samenlevingen zich houdt aan wat er in de teksten geschreven staat, zonder de praktijk te bestuderen, een zeer slechte methode gebruikt.”[40]
Wat nu die praktijk betreft echter, blijft de islam in morele zin ver achter bij de oudere “godsdiensten van het boek”, tenminste wat de laatste eeuwen betreft.
Onder de islamitische wet zijn er twee voorgeschreven manieren om slaven te maken. De ene is zoals gezegd de jihad, of heilige oorlog, en de tweede is de afstamming. Kinderen geboren uit slaven zijn zelf ook slaaf. Door deze twee methoden was het enerzijds mogelijk om zowel veel slaven te hebben, als tegelijk ook te verzekeren dat enkel niet-moslims slaaf gemaakt werden.
De eerste methode, de jihad, is een praktijk die alleen in de islam bekend is.
Een jihad kan theoretisch enkel gevoerd worden als het doel daarbij is om de islamitische levenswijze en wetten veilig te stellen en te verbreiden. Alle andere vormen van oorlog (harb), waarbij bv. moslim tegen moslim in het strijdperk zou treden, zijn uit den boze. Zij worden als brutaal en zondig beschouwd, omdat zij enkel aardse belangen dienen.[41]
Een jihad is dus geen gewone plundertocht van rovers en wettelozen, maar een oorlog die vooraf is goedgekeurd of zelfs aanbevolen door de religieuze leiders. Minstens in naam moet geloofsverbreiding het hoofddoel zijn. Dat het om een “heilige oorlog” gaat blijkt ook hieruit: een vijfde van de buit, “het godsdeel”, behoort naar weeskinderen, armen en “reizigers” (bedoeld wordt: bedevaarders) te gaan.
Volgens de islamwet kon een moslim dus nooit een geloofsgenoot tot slaaf maken; die status was voorbehouden voor ongelovigen en heidenen. Dit verbod had zijn oorsprong ongetwijfeld in de oudtestamentische wet, volgens welke het Israëlieten verboden was om andere Israëlieten tot slaaf te maken.[42]
Het verbod om medemoslims tot slaaf te maken werd echter al snel hinderlijk, als gevolg van de grote gebiedsveroveringen en de snelle islamisering van omliggende landstreken.[43]
Wat wel nog kon, was “slechte moslims” slaaf maken. De islamisering was soms oppervlakkig en gebrekkig, en dan bleven oude rituelen vaak in gebruik. De Engelse ontdekkingsreiziger Denham schreef in de vroege jaren 1870, dat het voor slavenjagers vaste regel was om volkeren te beschuldigen van afvalligheid, om hen alsnog gevankelijk te kunnen afvoeren.[44] Aan deze handelwijze zaten ook racistische kantjes, en niet enkel religieuze, want het ging in zulke gevallen altijd om zwarten, nooit om “witten” (Arabieren). Van de kalief Omar zou het woord zijn: “Een Arabier in eigendom houden is ongeoorloofd”.
Geen enkele morele verwerping kleefde er aan de slavernij, want de koran keurde deze goed. Jihads worden ook volkomen complexloos beschreven: “Zij namen talloze mooie jongens en meisjes gevangen, staken de dorpen van de ongelovige honden in brand.”[45]
Nog in de loop van de XIXde en XXste eeuw, had de beslissing van de meeste Arabische staten om de slavernij gaandeweg af te schaffen, weinig van doen met overwegingen van ethische aard. Grote druk van de Westerse mogendheden, de introductie van een geldeconomie, en het inzicht dat de instandhouding van de slavernij de Arabische landen voorgoed zou weren uit de beslissingsorganen van de internationale gemeenschap geven een betere verklaring voor hun politieke intentieverklaringen.
“Dat slavernij en slavenhandel een inherent kwaad waren, en om die reden afgeschaft dienden te worden, waren gedachten die bij Arabische staatshoofden of hun gevolg niet opkwamen. […] het eeuwigdurende karakter van deze sociale instelling berustte uiteindelijk op religieus geïnspireerde waarden – een standpunt dat weinig Arabieren wilden betwisten. […] In zo’n moreel klimaat gaven slavernij noch slavenhandel ooit aanleiding tot een publiek protest of een crise de conscience.”[46]
Nochtans had Mohammed volgens de overlevering de gelovigen ertoe aangespoord om slaven vrij te laten. Manumissie was zelfs een manier om zonden uit te boeten, en Mohammed zelf –zeggen de vrome teksten– wilde deze regel in praktijk brengen met zijn eigen slaven, maar zij weigerden de vrijlating. Er zijn in de geschiedenis enkele moslimgeleerden geweest, die deze intentie van Mohammed wilden zien als een aanmoediging om ook het instituut zelf van de slavernij geleidelijk af te schaffen. Zij vonden geen gehoor.
Veel overtuigender is het argument dat Mohammed de slavernij juist legitimeerde door er de morele autoriteit van de islam aan te verlenen. Sir William Muir noteerde dat de profeet “door ze losser te maken, de ketenen beter vastsloeg.”[47]
Zelfs vonden velen de aanmaning van de profeet juist een reden om de slavernij te behouden, aangezien men moslims de kans niet mocht ontnemen om goede daden te stellen, en men de slaven ook gelegenheid moest geven om de islam te leren kennen.
In 1911 publiceerde het Syrische blad al-Haqa'iq een artikel van zekere gezaghebbende Muhammed Ragheb. Deze schreef dat als god had gewild dat de slavernij werd afgeschaft, hij zijn intentie zou hebben gereveleerd. De Europeanen waren er volgens hem enkel op uit om verdeeldheid te zaaien onder de moslims, en de uitbreiding van de islam door bekering tegen te gaan, wat elk jaar ongeveer 100.000 mensen de kans op eeuwige redding ontnam.[48]
Nog in 1977, toen generaal Zia ul-Haqq de macht greep in Pakistan, en er de sharia invoerde, grepen sommigen de gelegenheid aan om te zeggen dat de aanbeveling om slaven de vrij te laten "betekent dat de slavernij niet kan worden afgeschaft, want in dat geval wordt aan komende generaties de gelegenheid ontzegd om de deugdzame daad van de vrijlating te stellen."[49]
Volgens koran en traditie bleef manumissie wel beter voorbehouden voor moslimslaven, niet voor diegenen die buiten het geloof bleven. Dat er überhaupt moslimslaven waren, kwam inderdaad door bekering. Als een slaaf de geloofsbelijdenis aflegde, bracht dit immers niet zijn vrijlating mee.
In de wettelijke bepalingen (fatwa’s) die de Marokkaan Ahmad al-Wancharīsī in de XVde eeuw verzamelde vindt men een antwoord op de vraag of het is toegestaan om een zwarte slaaf te kopen of te verkopen, als deze zegt moslim te zijn. Het antwoord hierop luidt, dat weliswaar enkel een ongelovige tot slaaf mag worden gemaakt, maar dat, als er onzekerheid bestaat over het moment waarop de slaaf zich heeft bekeerd, de verkoop of het bezit van de man of vrouw niet betwijfeld mag worden. Hij voegt daaraan toe dat het statuut van slaaf een “vernedering” is, te wijten aan ongeloof, “huidig of verleden”. Of zo iemand wordt vrijgelaten hangt enkel af van de wil van de meester, al verhoogt bekering wel de kans daartoe.[50]
Waar vrijlating actief werd bevorderd, bijvoorbeeld in de overwegend christelijke Balkanlanden, gebeurde dat enkel met slaven die zich tot de islam bekeerden, waardoor de aangroei van de vrije moslimbevolking in die streken bevorderd werd.[51]
Manumissie was ook enkel een aanbeveling, zeker geen verplichting: aalmoezen geven (sadaqa) was te verkiezen boven het vrijlaten van een slaaf (‘itq). Sadaqa werd beloond met kwijtschelding van de verdoemenis. Ook de geloofsbelijdenis (er is maar één god) stond hoger aangeschreven. Zulke bevestiging, tienmaal herhaald, kwam overeen met de bevrijding van vier slaven. “Deze uitstekende mogelijkheid droeg ertoe bij dat menige slavenhouder meer tijd doorbracht met het aanroepen van Allah, en met “symbolische vrijlatingen”, dan met het daadwerkelijk vrijlaten van een of twee slaven.”[52]
De vrijlating van een slaaf mocht dan een verdienstelijk gebaar zijn, er werd niet afkeurend gedaan over het tot slaaf maken van een vrije man of vrouw. Een tegenstelling tussen devotie en slavenhouderij is er ook nu nog niet: “Dat slavernij zo lang meeging in de moslimwereld –Saoedi-Arabië schafte ze pas af in 1962, en Mauritanië zelfs in 1982­– is zonder twijfel te wijten aan de diepe verankering ervan in de islamitische wet.”[53]
Niettemin heeft elke samenleving, dus ook een islamitische, een bepaalde vorm van morele justificatie nodig als de bevolking in haar geheel betrokken moet worden bij gruwelijkheden, zoals de slavernij er een is. Ook in een slavenmaatschappij willen zowel verkopers als kopers zich kunnen beroepen op een bepaalde legitimiteit.
Religie of ideologie moeten dan soelaas brengen, waar de gewone menselijkheid zich geschokt zou kunnen voelen, want ook al is er in elke fase van de slavernij –gaande van gevangenneming over transport, tot verkoop en exploitatie– telkens maar een klein aantal betrokkenen: toch is op den duur zo’n maatschappij als geheel betrokken, en heeft zij dus nood aan een ideologisch apparaat.
De slaven een deel van hun menselijkheid ontzeggen, hen in een bepaalde subcategorie onderbrengen kan dan helpen, en ook al is de koran op zich niet racistisch, en zelfs al gaat de joodse bijbel volgens de islamitische leer door voor “vervalst”, een religieuze rechtvaardiging vond men toch in Genesis, waar Noah een vloek uitspreekt over zijn zoon Cham en diens afstammelingen (Kanaan), omdat Cham zijn dronken vader naakt had gezien en hem bespot had.[54]
“Het volstond nu, en de moslims waren de eersten om dat te doen, om alle zwarten tot afstammelingen van Cham te verklaren,[55] en men kon hen allemaal als potentiële slaven zien. De Westerse christenheid heeft deze “vloek van Cham” pas later overgenomen, om haar eigen slavenhandel theologisch te verrechtvaardigen.”[56]
Behalve religieuze, kunnen dus ook puur racistische overwegingen dienen, en zodoende ontwikkelde zich, tegelijk met de slaven- en bedevaartsroutes in de richting van Arabië, ook een racisme ten opzichte van speciaal de zwarten.[57]
Daar zijn talloze voorbeelden van te geven. Bekend is de hadith waarin de profeet zegt dat “een zwarte die honger heeft steelt, en een die gegeten heeft hoereert”. Ongetwijfeld legt de hadith een bestaand Arabisch spreekwoord eenvoudig in de mond van Mohammed, een spreekwoord dat trouwens nu nog leeft: Ka’l-Zanjī in jā’a saraqa wa’in shabi’a zanā.[58]
De XIIIde eeuwse geleerde Naşīr al-Din Tusi merkt op dat de Zanj zich van de dieren slechts onderscheiden “doordat hun twee handen de grond niet raken”. Bovendien, voegt hij toe: “velen hebben al opgemerkt dat een aap sneller leert dan een Zanj, en over meer verstand beschikt.”[59]
Specifieker over Zanj negerinnen weet Ibn Bûtlan (?1000-1063) een en ander:
“Zij vertonen allerlei kwade neigingen en hoe zwarter ze zijn, des te lelijker en des agressiever zijn hun tanden. Ze kunnen maar voor weinig dienen en hun kwaadaardige temperament is hen de baas. Hun obsessie is het om alles kapot te maken. Tegenover hun banale en grove voorkomen staat wel een talent om te zingen en te dansen… Zij hebben de witste tanden van alle volkeren omdat zij veel speeksel produceren, en hebben veel speeksel omdat hun spijsvertering slecht is. Zwaar werk kunnen ze best aan, maar hen als vrouw benaderen geeft geen plezier, door de geur van hun oksels en de grofheid van hun lijven.”[60]
In de XIVde eeuw aarzelde de grote Ibn Khaldoun niet om te schrijven dat “in de regel de negervolkeren slavernij zeer dociel aanvaarden, omdat zij weinig bezitten van alles wat typisch menselijk is, en eerder de kenmerken vertonen van redeloze dieren”.[61]
Natuurlijk zijn er ook buiten de islamitische wereld talloze zulke uitspraken te vinden, maar ze tonen wel aan dat de islam niet vrij is van racisme, zoals vaak wordt beweerd, overigens niet enkel door de mohammedanen zelf.
De diepe verankering van de slavernij in de islamideologie, blijkt uit alles. Zo waren de heilige steden Mekka en Medina altijd grote slavenmarkten. Ook de “hadj”, de bedevaart was en is vaak nog, een dekmantel voor slavenhandel. De Volkenbond, waar Saoedi-Arabië aansluiting bij zocht, klaagde eind jaren 1920 nog aan dat de bedevaart een van de grote bronnen van de slavenhandel was.[62]
In een beroemde redevoering voor het Hogerhuis (14 juli 1960)[63] sprak Lord Shackleton over het “onafgebroken voortbestaan van slavernij, vooral in Afrika en Arabië”:
“Een Franse dominee ging na geruchten over slavernij in Frans Afrika op onderzoek uit, en hij bracht in 1955 rapport uit over wat hij had gevonden. Bij zijn rapport zat een bericht van de Franse ambassadeur in Saoedi-Arabië. Deze beweerde dat slavenhandelaars in Saoedi-Arabië Afrikaanse gezanten naar Afrika uitstuurden, om slaven te werven. Zij deden zich daar voor als moslimmissionarissen, en boden Afrikanen aan om een gratis bedevaart naar Mekka te maken, want, zegden zij, die werd betaald door rijke moslims die op deze manier boetedoening zochten voor hun zonden. Vele Afrikanen zijn de laatste jaren op die manier in de val getrapt. Bij hun aankomst in Saoedi-Arabië worden zij gearresteerd omdat zij het land binnenkomen zonder geldig visum. Ze worden gevangen gezet en aan de slavenhandelaars uitgeleverd. De Franse ambassadeur schatte hun aantallen in op enkele honderden per jaar. […] Er is inderdaad een massa bewijsmateriaal, ook van dezelfde bron afkomstig, betreffende Afrikaanse moslims die de bedevaart maken, vergezeld van een aantal dienaars die zij bij hun aankomst verkopen, en als levende traveller’s cheques gebruiken.”
Ook later nog werden er Toearegs gesignaleerd die enkele slaven verkochten om tegemoet te komen aan de kosten van hun pelgrimstocht.[64]
Ook Malek Chebel schrijft:
“Nog in de jaren 1980 rapporteerden vele reizigers het voortbestaan van deze praktijken, zichtbaar door de aanwezigheid van eunuchen, die op de heilige plaatsen de zware taak hebben om de mannen en vrouwen gescheiden te houden, en te waken op de goede zeden van de bedevaarders.”
Nog rond de laatste eeuwwisseling was dit zo:
“De prinselijke stad Ta’if, bijgenaamd ‘het paradijs van Arabië’ of nog ‘de tuin van Mekka’, op een honderdtal kilometer van de heilige stad, kan erop bogen ook vandaag nog een groot aantal slaven te tellen. […] Hetzelfde geldt voor de havenstad Djedda, voor Ryad, de politieke hoofdstad van het land, en zelfs voor de preutse steden Medina en Mekka, waar een korps van eunuchen werd gesignaleerd en gefotografeerd, nog geen tien jaar geleden.”[65]
En ook al had de profeet de vrijlating van slaven misschien aanbevolen, zelfs onder grote druk van de Westerse landen was afschaffing van de slavernij als zodanig nauwelijks mogelijk.
Vanuit het oogpunt van de moslims namelijk, is het verbieden van wat God heeft toegelaten een bijna even grote overtreding als het doen van wat hij verboden heeft – en slavernij was, zoals wij hebben gezien gereglementeerd en toegelaten door de heilige wet.
William Gervase Clarence-Smith gaf ons in 2006 een beknopt overzicht[66] van de bevindingen inzake de samenhang tussen islam en slavernij waar Westerse onderzoekers in de loop van bijna twee eeuwen zoal toe gekomen zijn:
Etienne Berlioux was van oordeel dat islam en slavernij één en hetzelfde waren. Thomas Hughes dacht dat ‘de afschaffing van de slavernij de codes van de mohammedanen in hun fundamenten zou treffen’. Voor Lucy Garnett was slavernij ‘onontbeerlijk voor een systeem’ dat op de harem gebaseerd was. David Margoliouth verzekerde boudweg dat ‘de gedachte aan afschaffing van de slavernij nooit was opgekomen in het hoofd van de profeet’. Tussen de twee wereldoorlogen verklaarde Robert Roberts ‘dat er in het geheel niets is in de islam, dat naar de afschaffing van die vloek neigt’. Garret DeJong was van oordeel dat ‘de afschaffing van de slavernij de omverwerping van heel het systeem van de islam zou inhouden’.
Ook eigentijdse auteurs zitten op die lijn. John Hunwick en Eve Troutt Powell beweren met klem dat ‘er nooit sprake was van enige formele beweging voor de afschaffing van de slavernij, of zelfs voor de beteugeling van de slavenhandel in moslimlanden.’ Rodney Stark affirmeert dat ‘het fundamentele probleem waar moslimtheologen voorstaan in verband met de moraliteit van slavenhouderij, is dat Mohammed slaven kocht, verkocht, buitmaakte en bezat’. Patricia Risso houdt vol dat ‘omdat de koran het instituut van de slavernij goedkeurt, geen menselijke wet dit kan afschaffen.’ Historici van Afrika en Zuidoost-Azië beamen dit laatste.
Paul Lovejoy zegt: ‘strikte naleving van wet en traditie sluiten de idee van afschaffing uit’. Suzanne Miers en Richard Roberts stellen dat ‘afschaffing geen eigen Afrikaans concept was …complete afschaffing was een West-Europese idee die haar oorsprong vond in de XVIIIde eeuw en in de ontplooiing van het kapitalisme’. Anthony Reid was van mening dat de afschaffing van de slavernij in islamlanden ‘weinig van doen had met een ”groeiende gevoeligheid” van het morele bewustzijn.’
De sterkste tegenstand tegen hervormingen kwam uit conservatief-religieuze hoek, meer bepaald vanuit de heilige steden Mekka en Medina: “Dat de heilige mannen en de heilige steden opdoken als de laatste verdedigings­bastions van de slavernij is hoogstens een schijnbare paradox. Zij hielden een instituut hoog dat geheiligd was door de schrift, de wet, en de traditie, en dat in hun ogen noodzakelijk was om de sociale structuur van een moslim­samenleving in stand te houden.”[67]
De afschaffing van de slavernij werd algemeen gezien als een Westers complot dat het geloof probeerde te ondermijnen, om op die manier de islamitische landen te onderwerpen, en des te meer “…bestond er een behoefte aan slaven, om de geleerden tijd en gelegenheid te geven zich te concentreren op studie en gebed.”[68]
Illustratief voor de samenhang tussen islam en slavernij is nog het antwoord dat de sultan van Marokko in 1842 gaf aan de Britse consul, toen die informeerde naar de maatregelen die eventueel al genomen waren tegen de slavenhandel in zijn land. Uit zijn antwoord sprak een onbevangen verwondering: “…de handel in slaven is een zaak waar alle sekten en landen zich altijd bij hebben kunnen vinden, al sinds de tijd van Adams zonen tot op de dag van vandaag.” De sultan verklaarde verder dat hij “…geen weet had van een wettelijk verbod binnen welke sekte ook, en dat niemand die vraag hoefde te stellen, want het antwoord was voor iedereen van hoog tot laag duidelijk, en vroeg om niet meer bewijzen dan het daglicht.”[69]


Waarom sloot de Westerse geschiedschrijving hier een oogje?

De geschiedenis van de Arabisch-islamitische slavernij heeft, zoals gezegd, in de betrokken landen nooit op grote aandacht kunnen rekenen. Geschiedschrijving in het algemeen heeft er een verdacht reukje want de theologen zien er een mogelijke concurrent in. Theologie ­–laat staan theocratie– en wetenschap zijn kwade vrienden. “Enkel wat bijdraagt aan de bloei van de islam, mag als geschiedenis gelden.”[70]
Verwonderlijk is wel dat de Westerse geschiedschrijving evengoed in gebreke is gebleven. Men mag zelfs zeggen dat tot de jaren zeventig van de vorige eeuw wetenschappelijk onderzoek vrijwel onbestaande was.
Ongetwijfeld waren er factoren van puur praktische aard, die historici hebben ontmoedigd om onderzoek te doen naar de slavenhandel en de slavenhouderij in de moslimwereld. Alle auteurs betreuren het gebrek aan documenten, persoonlijke getuigenissen en betrouwbare gegevens. “Overheidsarchieven betreffende de slavenhandel zijn er simpelweg niet, of ze zijn niet toegankelijk.”[71]
Er zijn echter nog andere redenen voor de merkwaardige stilte bij Westerse historici, die door Murray Gordon zelfs een “samenzwering van stilte” is genoemd.
Bij Bernard Lewis lezen wij: “Misschien de belangrijkste reden voor het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek naar de islamitische slavernij, is dat het onderwerp extreem gevoelig ligt. Dit brengt mee dat het voor een jonge onderzoeker moeilijk, en soms professioneel gevaarlijk is, om zijn aandacht hieraan te wijden. […] De islamitische slavernij blijft een obscuur en tegelijk erg gevoelig onderwerp, en de enkele vermelding ervan wordt vaak gezien als een bewijs voor slechte bedoelingen.”[72]
Ehud Toledano schrijft ongeveer hetzelfde: “Mijn eigen oordeel –en dat van anderen– is in de loop van de laatste twee decennia geëvolueerd. In de vroege jaren 1980, toen mijn eerste werk over de beteugeling van de Ottomaanse slavenhandel verscheen, was ik mij scherp bewust van de gevoeligheid van dit onderwerp, en zocht ik actief naar formuleringen die geen van mijn lezers zouden beledigen.”[73]
Zonder dat iemand hen deze aanvankelijke voorzichtigheid kwalijk mag nemen, geven zulke bekentenissen toch een bijzondere invulling aan het adagium “sine ira nec studio”, dat alle historici van Tacitus hebben meegekregen.
Olivier Pétré-Grenouilleau geeft, in een artikel van 2003,[74] enkele redenen aan voor de merkwaardig tactvolle houding van de Westerse historici. Eén ervan noemt hij “la légende dorée”.[75]
Deze mooie legende bestaat erin, dat zowel de duur als de omvang als de wreedheid van de Arabisch-islamitische slavenhandel geminimaliseerd worden. De legende is van puur Westerse makelij en diende Westerse doeleinden: in de XVIIIde eeuw prezen de Filosofen van de Verlichting graag de islam, die zij in scherp contrast met het christendom tekenden. De islam kende immers geen priesters, en volgens hen ook geen inquisiteurs en andere vervolgers. Dit geïdealiseerde islambeeld was voor hen een stok om Westerse tekortkomingen mee te slaan.
Ook de Europese joden speelden hier een rol. In de vroege XIXde eeuw waren zij nog maar pas (en partieel) geëmancipeerd, en beriepen zich graag op een legendarisch gouden tijdvak in het Moorse Spanje, waar een volkomen tolerantie en symbiotische harmonie hadden geheerst.[76] Dit idyllische beeld van Andalusië leeft ook nu nog sterk, en men hoort het vaak herhalen.[77]
Nochtans had bij de islamitische tijdgenoten zelf van de Xde tot de XIIIde eeuw Andalusië nooit speciaal aanzien genoten. Het zwaartepunt van hun cultuur lag elders: “In het begin van de XVIde eeuw maakt Al-Maggari nog even melding van Andalusië, maar daarna was er in de traditionele Arabische bronnen geen sprake meer van. De ‘grandeur’ is een mythe, waarvan men het ontstaan kan terugbrengen tot de XIXde eeuw”, zegt Marc Ferro. De ontdekking van deze grandeur was “het werk van de Engelsen, die Al Maggari toen opnieuw uitgaven, en ook melding maakten van de ‘tolerantie’ van de Arabieren, een overdreven oordeel ongetwijfeld, dat evenwel school heeft gemaakt, vooral omdat het lot van de joden er beter in leek dan hetgeen zij in de christenheid aan vervolgingen moesten verduren.”[78]
Een tweede reden die Pétré-Grenouilleau geeft voor het merkwaardige stilzwijgen van de Westerse historici, is de notie van het “achtergestelde Zuiden”, zwart zowel als Arabisch, dat solidair moet zijn tegenover het “ontwikkelde Noorden”. Hij noemt dit een “ideologische perspectief­vervorming”, want de verschillen tussen de rijke oliestaten en de arme Afrikaanse landen geven weinig aanleiding tot solidariteit.
Murray Gordon noemt nog een andere perspectiefvervorming, meer van literaire aard, die echter ook ideologische implicaties heeft.
De trans-Saharaanse handel, en de handel over de Indische Oceaan, roepen namen op van zulke exotische plaatsen als Kilwa, Zanzibar, Fezzan, Sur, Tripoli, Alexandrië, Timboektoe, Kairouan. Voor Westerlingen zijn dat sprookjesnamen. “Dat er slavernij zou voorkomen op zulke plekken kan nauwelijks hun verontwaardiging wekken. Zulke praktijken maken immers deel uit van de sprookjes van Duizend-en-een-nacht, en die mythes hebben tenslotte gezorgd voor wat hier bestaat aan kennis over die plaatsen en beschavingen.”[79]
Sommige auteurs gingen erg ver in het verdedigen van de slavernij. Soms werd slavernij –islamitische, maar ook Atlantische– zelfs vergoelijkt en beschreven als ronduit gunstig voor de slaven zelf.
Beroemd is hier wat Hegel zei in zijn Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte, die hij hield in de jaren 1821 tot 1823, en waarin hij enkel de Atlantische slavernij noemt:
“De negers vertonen een volkomen verachting voor de mens… de waardeloosheid van mensen grenst voor hen aan het ongelooflijke; tirannie ervaren zij niet als een onrecht, en mensenvlees eten wordt als normaal beschouwd en komt algemeen voor… De negers zien hierin niets ongepasts voor henzelf… Want het is een hoogtepunt voor de koningen als zij hun gevangen vijanden, of ook hun eigen onderdanen verkopen, in zoverre dat de slavernij zelfs meer menselijkheid heeft gewekt bij de negers. De lering die wij trekken uit deze toestand van slavernij bij de negers… is die welke wij kennen uit de Idee, dat de natuurlijke toestand zelf er een is van absoluut en veralgemeend onrecht. Elke overgangstoestand tussen deze toestand en de realisatie van een behoorlijke staat kent evengoed nog momenten en aspecten van ongerechtigheid… Zoals zij nu voorkomt in de staat, is zijzelf een moment van vooruitgang… een moment van opvoeding, een manier om deelachtig te worden aan een hogere zedelijkheid, en de daarmee samenhangende beschaving. Slavernij op zich is een onrecht, want vrijheid behoort tot het wezen van de mens, maar daartoe moet hij eerst tot rijpheid komen. Bijgevolg is de geleidelijke beëindiging van de slavernij adequater dan haar plotse afschaffing.”[80]
Bij de grote Nederlandse Arabist Christiaan Snouck Hurgronje lezen we een echo hiervan (in “Über seine Reise nach Mekka” van 1887): “…de publieke opinie in Europa is, wat betreft moslimslavernij, misleid door de verwarring tussen Amerikaanse en Oosterse omstandigheden … De werkelijkheid is, dat voor de meeste slaven hun ontvoering een zegen was… Zijzelf zijn ervan overtuigd dat pas de slavernij hen tot menselijke wezens heeft gemaakt… Alles bij elkaar, en de situatie kennende, is wat mij betreft de anti-slavernijcampagne in de hoogste mate inconsequent.”[81]
Ook getuigenissen zoals die van Arabische prinses Emily Ruete[82] hadden grote invloed in het Westen. In haar memoires schreef ook zij dat men de Oosterse slavernij niet mocht vergelijken met de Amerikaanse, want “eens zij hun bestemming hadden bereikt, werden de slaven in elk opzicht goed behandeld”. Zij voegde er wel aan toe dat “de neger zeer lui is, en niet geneigd tot vrijwillige arbeid, zodat hij streng in de gaten moet worden gehouden.” Gevangenisstraffen waren evenwel niet aangewezen, aangezien de zwarten dat “…als een vrijstelling van arbeid beschouwden. …Zweepslagen vindt men in zekere wereldvreemde Westerse kringen inhumaan …maar laat iemand eens een alternatief verzinnen.”[83]
Op het moment dat zij dat schreef, stierven er op haar plantages in Zanzibar jaarlijks 20 tot 30 procent van de gevangenen.
Ook hedendaagse auteurs komen nog met varianten op de “gelukkige slaaf-hypothese”. Catherine Coquery-Vidrovitch: “In tegenstelling met de trans-Atlantische, was de trans-Saharaanse trafiek niet louter een factor van plundering. Zeker, het ging om evenveel slaven, zo niet meer, maar ook om koopwaar en ideeën.” Bij Yves Bénot, schrijver en journalist, heet het nog sterker dat de trafiek in negers “een zaak van vrijwillige handel was, niet door geweld opgedrongen …In ruil krijgt Afrika weefsels, ijzerstaven, glasparels en andere snuisterijen uit de Maghreb. Alles bij elkaar een evenwichtige handel.”[84]
Wat ook speelt, is dat Westerse reizigers en reporters in de islamwereld meestal maar één type van slavernij zagen, de stedelijke huisslavernij.
Zeker waren plantageslavernij of mijnarbeid onvergelijkbaar veel harder, maar ook de huisslavernij was ongemeen hard, zoals blijkt uit de vele ontsnappingspogingen van slaven, slavinnen en zelfs eunuchen. Schrijvend over het Ottomaanse Rijk, zegt Toledano dat eunuchen nochtans zelden op de loop gingen: “Nog minder dan anderen hadden eunuchen iets te verwachten van de wereld buiten de harem, aangezien zij gehandicapt waren, vaak geen zwaar werk konden verrichten, en in de onmogelijkheid verkeerden om een familie te stichten en in de maatschappij te integreren. Tegelijk werden zij binnen het systeem op prijs gesteld, waren een gegeerd goed, genoten zij vaak comfort en weelde, en beschikten zij als vertrouwenspersonen over heel wat macht.”[85]
Al waren het er dus weinigen, ook haremslaven, de best beschermde en comfortabelst levende slaven, verkozen toch de vrijheid en ondernamen acties om die te verwerven, alle risico’s ten spijt, “…en al waren de Britten terughoudend om hen hierbij te helpen”.[86]
Seksuele kwelling was bijvoorbeeld geen uitzondering in de huishoudens, en gedwongen seks kwam wellicht frequent voor. De kwestie van de toestemming valt ook moeilijk te definiëren in die omgeving. Zeker waren ook mannen kwetsbaar in dit opzicht, maar de indruk die de documenten geven, zegt Toledano, is toch dat zij dat in veel mindere mate waren dan de vrouwen, en zich beter teweer konden stellen. “Maar het is ook denkbaar dat zij minder geneigd waren om zulke incidenten te melden.”
Maar afgezien van enige arbeid in de bouwnijverheid, had de belangrijkste economische uitbuiting van de slaven plaats op het platteland, ver weg van de steden, en zoals alle andere aspecten van het plattelandsleven, is ook hier weinig van gedocumenteerd.
“Wij blijven onwetend over wat er buiten de steden omging, tot aan de XVIde eeuw, wanneer voor de eerste keer de nog resterende Ottomaanse archieven ons toelaten om enige details te zien van het leven en het werk van de plattelandsbevolking – en met de ontsluiting van dit materiaal is nog maar nauwelijks begonnen. De algemene indruk, dat de islamitische slavernij voornamelijk huiselijk en militair was, zou eerder aan de eenzijdigheid van ons bronnenmateriaal kunnen liggen, dan aan de werkelijkheid.”[87]
Toch treft men hier en daar meldingen aan van grote groepen slaven, zwarten meestal, die in de landbouw werkten, of in de mijnen, of die ingezet werden voor zulke speciale projecten als het droogleggen van moerassen of het draineren van zoutvlakten, bijvoorbeeld in Zuid-Irak. Tienduizenden werkten in de zoutmijnen van de Sahara en de goudmijnen van Nubië. In de Sahara, in Noord-Afrika en in de sahelzone ten Zuiden werden de slaven ingezet bij de aanleg en het onderhoud van de irrigatiesystemen, speciaal in de foggara’s, de enorme onderaardse gangen waar men het water opving.[88] De slaven deden ook dienst bij het ontginnen van nieuwe landbouwgrond, het onderhoud van de palmbomen, de pluk van de dadels.
Zij werden in grote slavenhutten ondergebracht, en werkten meestal in een ploegenstelsel. Waren stedelijke huisslaven, concubines, eunuchen, of slaven die in de handel werkten, nog relatief goed af,[89] de grote meerderheid van de slaven werkte en stierf in erbarmelijke omstandigheden. “Van de zoutmijnen in de Sahara werd gezegd dat geen slaaf er meer dan vijf jaar in leven bleef.”[90]
Er is nog een aspect dat de Westerse kijk op de Arabisch-islamitische slavernij heeft vertekend.
In de Nieuwe Wereld komen er nu grote groepen zwarten en mulatten voor, en die gemeenschappen zijn in de loop van de geschiedenis gegroeid. In de Arabische en Ottomaanse gebieden zijn er natuurlijk ook nog resten van de zwarte slavenbevolking te vinden, hier en daar zelfs bestaan er zwarte enclaves, maar van grote populaties zoals die in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen, is er in Arabisch, Perzisch of Turks gebied geen sprake.
Een reden hiervoor is overduidelijk de grote proportie eunuchen onder de zwarten in het land van de islam. Een andere reden is het hoge sterftecijfer en lage geboortecijfer bij de slaven. De populatie slonk dus, omdat de slavinnen een veel lagere fertiliteitsgraad hadden dan de brede bevolking. De demografische aangroei viel ver onder het vervangingsniveau.
In Constantinopel, zetel van het Ottomaanse rijk, waar het voor heren van stand normaal was om een groot aantal concubines te hebben, zag men zelden een mulat. De nakomelingschap van zulke relaties werd over het algemeen slachtoffer van infanticide. Kindermoord werd, volgens een rapport van de Anti-Slavery Reporter, het orgaan van de Britse Anti-Slavery Society (verschenen op 1 september 1856), “…op grote schaal toegepast in Stamboul, als vanzelfsprekend en zonder het minste medelijden of afgrijzen.”[91]
Voortplanting van de slavenbevolking werd nergens bevorderd. Slaven en slavinnen werden vaak strikt gescheiden gehouden, want investeren in een jonge generatie van kind-slaafjes werd als onrendabel gezien.
Meillassoux schrijft: “De houding van de meesters ten opzichte van slavenkinderen lijkt niet te wijzen op een grote bezorgdheid om de voortplanting. Hogendorn[92] meldt over slavinnen die werkten op de plantages van Sokoto, dat hun kleine kinderen onder een boom bijeen werden gezet, en dat de moeders hen enkel mochten zogen met toelating van een garde. In Gumbu begroef men hen tot aan de hals in het zand, zodat ze stil bleven. Een getuige, ondervraagd door R. Mougham (1961) verklaart dat de Touaregs kinderen die te luid schreeuwden in de woestijn achterlieten. De islamitische code betreffende zwangerschap van een slavin stelt zwangerschap gelijk met een aandoening die ‘koopvernietigend werkt, als de verkochte negerinnen zich in die toestand bevinden’.”


Besluit

Het slechte geweten van het Westen ­–gevolg van de eigen beschamende staat van dienst wat betreft de Atlantische slavernij– mag geen reden zijn om niet ook die andere slavernij, en haar achterliggende ideologie te onderzoeken.
Tenslotte is die ideologie onbedoeld ook verantwoordelijk voor de achterlijkheid van de islamwereld van vandaag, achterlijkheid waar behalve deze wereld zelf ook het Westen de consequenties van ondervindt.
Voor een flink deel heeft het Westen zijn huidige moeilijkheden immers aan zichzelf te danken zegt, meent Tidiane N’Diaye:
“Enkel al tussen 1864 en 1890 betekende de Arabisch-muzelmaanse slavenhandel voor het continent een aderlating die meer mensen betrof dan er daarvoor door de Westerlingen waren afgevoerd in een volle eeuw. Een regelrechte maritieme blokkade van het Arabisch schiereiland door de Europese mogendheden had volstaan om op definitieve manier een eind te maken aan de invoer van Afrikaanse gevangenen in de Arabisch-muzelmaanse wereld. De stopzetting van deze handel had vast en zeker een gedragsverandering tot gevolg gehad. De Arabieren van dat sinistere tijdvak zouden dan hebben geleerd om fatsoenlijk werk te verrichten, op eigen krachten, zonder nog de behoefte te voelen om het zwarte continent te ontvolken om op die manier een bestiaal slavensysteem in stand te houden.”[93]

Bibliografie

Chebel, Malek. L’esclavage en terre d’islam. Paris: Fayard, 2007

Clarence-Smith, William Gervase. Islam and the abolition of slavery. London: Hurst & Company, 2006

Davis, Robert C.. Christian slaves, Muslim masters: white slavery in the Mediterranean, the Barbary Coast, and Italy, 1500-1800. London: Palgrave MacMillan, 2004

N'Diaye, Tidiane. Le génocide voilé: enquête historique. Paris: Gallimard, 2008

Dufourcq, Charles-Emmanuel. La vie quotidienne dans l'Europe médiévale sous domination arabe. Paris: Hachette, 1978

Elias, Jamal J.. Islam. London: Routledge, 1999

Ferro, Marc. Comment on raconte l’histoire aux enfants à travers le monde. Paris: Éditions Payot, 1981

Ferro, Marc. L'histoire sous surveillance, science et conscience de l'histoire. Paris: Calmann-Lévy, 1985

Gordon, Murray. Slavery in the Arab world. New York: New Amsterdam Books, 1992

Heers, Jacques. Les négriers en terre d'islam: la première traite des noirs VIIe-XVIe siècle. Paris: Perrin, 2003

Hegel, Georg Wilhelm Friedrich. Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte. Stuttgart: Universal-Bibliothek, 1961

Kramers, J.H. (vert.). De Koran uit het Arabisch vertaald. Asad Jaber en Johannes J.G. Jansen, bew. Amsterdam: Arbeiderspers, 1997

Lewis, Bernard. Race and slavery in the Middle East: an historical enquiry. New York: Oxford University Press, 1992

Lovejoy, Paul E.. Transformations in slavery: a history of slavery in Africa. New York: Cambridge University Press, 2000.

Meillassoux, Claude. Anthropologie de l'esclavage. Paris: PUF, 1998

Mirzai, Behnaz, Ismael Musah Montana and Paul E. Lovejoy (eds.). Slavery, Islam and diaspora. Asmara: World Press, 2009

Multatuli. Max Havelaar. Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1959

Pétré-Grenouilleau, Olivier. Les traites négrières: essai d'histoire globale. Paris: Gallimard, 2004

Pétré-Grenouilleau, Olivier . La traite des noirs. Paris: PUF, 1998 (samenvatting van het bovenstaande)

Pétré-Grenouilleau, Olivier. Nantes au temps de la traite des noirs. Paris: Hachette, 1998

Ruete, Emily. Memoirs of an Arabian princess from Zanzibar. New York: Dover, 2009

Toledano, Ehud R.. As if silent and absent: bonds of enslavement in the Islamic middle east. New Haven& London: Yale University Press, 2007

Wirz, Albert. Sklaverei und kapitalistisches Weltsystem. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1984




[1] Toledano, p.15. Over schoolboeken in Frans Afrika zegt de historicus Marc Ferro in zijn “Comment on raconte l'histoire aux enfants à travers les âges” (Hoe men, door de eeuwen, de geschiedenis aan de kinderen vertelt): “De hand heeft gebeefd, eens te meer, zodra het erom ging de misdaden te beschrijven die Arabieren hebben begaan […] terwijl, overigens zeer terecht, de inventaris van de misdaden van de Europeanen vele bladzijden beslaat.” (p. 47 )
[2] Ook al is dat “geenszins een banale twist over aantallen”, zoals Paul Lovejoy meer dan eens zegt. Een overzicht van de literatuur over “the numbers game” bij: Pétré-Grenouilleau, 2004, p.454.
[3] Multatuli, p.285
[4] Pétré-Grenouilleau, 2004, p.512
[5] Gordon, p.23
[6] Clarence-Smith, p. 4
[7] Meillassoux, p.100
[8] Meillassoux, p.90
[9] Meillassoux, p.93
[10] Pétré-Grenouilleau, 2004, p.515
[11] Lewis, p.11
[12] Maar ook eeuwen later werden nog blanke slaven geïmporteerd (waaronder bv. Fra Filippo Lippi en Cervantes). Fernand Braudel meende nog dat het om onbeduidende aantallen ging, maar Robert C. Davis schrijft: “Het totaal komt dus, voor de tijdspanne tussen 1530 en 1780, op bijna zeker een miljoen, en mogelijk op een miljoen en een kwart Europese christelijke slaven, geïmporteerd door de moslims van de Kaperskust”. Davis, p.23.
[13] “Al in de VIIde E. werden Zanj-slaven naar China geëxporteerd.”; Gordon p.117.
[14] Gordon, p.107
[15] Heers, p.12. Het werk van lbn Hauqal (De kaart van de wereld) werd gepubliceerd door M. J. de Goeie (Leiden, 1873). Wellicht verkeerdelijk plaatst Heers de auteur Haukal in de XIIde, begin XIIIde E. Misschien, zo vermoed ik, heeft hij zich vergist doordat er van het werk van Hauqal een samenvatting verscheen in 1233 (Het boek van wegen en provincies).
[16] Gordon. p.92
[17] Clarence-Smith, p.83
[18] Lewis p.82
[19] Heers, p.132
[20] Gordon p.9
[21]Jihad”, of “Heilige Oorlog” komt in het volgende hoofdstuk aan de orde, en diepgaander ook in het essay van Remi Hauman in dit boek.
[22] Meillassoux, p.45
[23] Gordon, p.131
[24] Cuoq J-M : Recueil des sources arabes concernant l’Afrique occidentale du VIIe au XVIe siècle, Paris, 1975 (in : Heers p.64)
[25] “Anders zouden ze zich allemaal wel ziek melden”, zo citeert Murray Gordon een Arabische auteur.
[26] Pétré-Grenouilleau, 2004 p.144
[27] Zoals het gebed van kapitein van Koek, in het gedicht “Het Slavenschip” van Heine, ook illustreert:
Spaar hun leven om Christus’ wil,
Die voor ons allen gestorvenen is!
Want blijven er mij geen driehonderd stuks,
Dan gaat mijn handel naar de haaien.
[28] Heers p.132
[29] Gordon, p. 114
[30] Meillassoux p. 45
[31] American Historical Review, april 1992, p.467
[32] Gérard de Nerval beschrijft zulke scene in zijn “Voyage en Orient”, (in het hoofdstuk “Les femmes du Caire”; Paris, Flammarion, tome I, pp.233 e.v.), waarbij hem eerst een vijftal jonge kindjes te koop werd aangeboden, die “geïnfibuleerd” waren, zo verzekerde hem de verkoper (besneden en dichtgenaaid). Dit wekte bij de Nerval grote weerzin op: “Wat je ook doet om begrip te hebben voor de Oriëntaalse levenswijze, je blijft Fransman.” Hijzelf kocht niets, maar zijn reisgezel, Joseph de Fonfrède, kocht een achttienjarige Javaanse slavin, die volgens de verkoper gegarandeerd nog maagd was.
[33] Slavery and African Life. Cambridge University Press, 1990, p.47 (in: Pétré-Grenouilleau 2004)
[34] African Economic History. London, James Currey 1987, p.275 (in: Pétré-Grenouilleau 2004). Austen heeft zijn cijfer later teruggebracht tot 9 miljoen.
[35] Chebel, p.91
[36] N’Diaye p.152. Brunschwig is een der auteurs van de monumentale Encyclopaedia of Islam (Leiden: Brill)
[37] Omschrijving voor slaven.
[38] Seksuele omgang met slavinnen wordt expliciet toegestaan. Voor het typisch islamitische instituut van het concubinaat bestond er geen parallel in het christendom, noch in het jodendom. Voor het Oosterse christendom bv. was seksueel contact met een slavin gelijkgesteld aan hoererij, en bijgevolg strafbaar met excommunicatie.
[40] Heers, p.9
[41] Gordon, p.24
[42] Statenvertaling: 2Ch 28:10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk? Bij ulieden zijn schulden tegen den HEERE, uw God. 11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder, die gij van uw broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.
[43] “In de praktijk toonden de strijders zich in Afrika vaak terughoudend in hun bekeringsijver, omdat hun reservoir van potentiële slaven niet droog mocht vallen.” Murray Gordon (p.28) citeert hier de Duitse ontdekkingsreiziger Gustav Nachtigal (1834-1885).
Ook werden christenen en joden vaak niet tot slaaf gemaakt, noch verplicht om zich te bekeren, ook niet als zij zich in het “huis van de islam” bevonden, als zij tenminste bereid waren om de status van dhimmi aan te nemen. Zij betaalden dan een taks (jizya). Hun immuniteit voor slavernij raakten zij echter kwijt als zij, na beloofd te hebben te zullen betalen, toch probeerden om weg te komen naar een niet-moslimland. “Moslimheersers waren niet altijd erop uit om zelfs ongelovigen tot slaaf te maken, zolang zij van hen geld konden losmaken (kharaj). ‘Umar, de tweede kalief, stond erop dat de bevolking van het veroverde Syrië en Irak ‘in vrijheid werd gelaten’, en de taks betaalde, eerder dan hen tot slaaf te maken.’ ” (Gordon, p.25, citeert hier: Majid Khadduri, War and peace in the law of islam, Baltimore: The John Hopkins Press, 1955, p.132)
[44] Gordon, p.32
[45] Heers p.22 (hij citeert uit I. Melikoff-Sayar, “Le Destin d’Umur Pacha”, Paris, 1954)
[46] Gordon, pp. xi en 14
[47] William Muir (1819–1905) Schotse Arabist; Clarence-Smith, p.16.
[48] Clarence-Smith, p.141
[49] Elias, p.108
[50] Pétré-Grenouilleau 2004, pp.39-40
[51] Clarence-Smith, p.69
[52] Gordon, p.40
[53] Gordon, p.44
[54] Genesis 9:21 En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent. 22 En Cham, Kanaans vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen. […] 25 En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen! 26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaan zij hem een knecht!
[55] In Genesis is hier geen sprake van huidskleur.
[56] Pétré-Grenouilleau 2004, p.81
[57] Pétré-Grenouilleau 2004, p.37. “De voorstelling alsof etnocentrisme een bijzonder kenmerk van de Europese geschiedschrijving zou zijn, of van de Westerse, is op zich een nieuwe vorm van particularisme”, schrijft Marc Ferro (L'histoire sous surveillance, p.58).
[58] Lewis, p.115
[59] Lewis, p.53
[60] Heers, pp.152-3
[61] in: J. Hunwick & E. Trout Powell (Editors), The African diaspora in the Mediterranean lands of Islam. Princeton 2002, te vinden bij http://books.google.com
[62] Clarence-Smith, p. 182
[64] Gordon, p. 135
[65] Chebel, pp.144-5
[66] Clarence-Smith, pp.16-7
[67] Lewis, p.79
[68] Clarence-Smith, p. 145
[69] Lewis, p.3
[70] Ferro, 1981, p. 110
[71] Gordon, p.10
[72] Lewis, p. iv
[73] Toledano, p. 18
[74] «La traite oubliée des négriers musulmans» (Revue L’Histoire, N°280)
[75] Legenda Aurea, de middeleeuwse verzameling van heiligenlevens.
[76] Bij Heinrich Heine bijvoorbeeld zijn er prachtige bladzijden te vinden, o.a. in zijn Romanzero van 1851, en verder ook in zijn proza.
[77] In de essaybundel Eindstrijd (Uitgeverij Van Praag, 2009), samengesteld door Hans Jansen en Bert Snel, doorprikt Mat Herben dit idyllische beeld met een essay getiteld: ‘Andalusië: de imaginaire islamitische heilstaat’.
[78] Ferro, 1981, p.126. Jacques Heers zegt nog scherper: “Op de Frontera, die in Castilië, in de Levant en in Andalusië de grens vormde tussen de gebieden die de christenen heroverd hadden, en die welke nog in handen van de mohammedanen waren, stond de bevolking aan beide kanten angsten en pijn uit. Hun akkers waren verwoest, hun huizen afgebrand, vrouwen, mannen en kinderen met geweld afgevoerd. Spreken, zoals men gedaan heeft en zoals enkele gelegenheidshistorici het nog doen, over een beschaving en een samenleving “van de drie culturen”, mohammedaans, joods en christelijk, is een teken van onwetendheid of van mystificatie, en gewoonlijk van beide samen.” (Heers, p. 13)
[79] Gordon, p.9
[80] Hegel, pp.158 e.v.
[81] in: Lewis, p.82
[82] geboren Sayyida Salme, prinses van Zanzibar en Oman (1844-1924). Zij leefde in Duitsland, was Zanzibar ontvlucht met een Duitse zakenman. In 1886 publiceerde zij haar “Memoiren einer arabischen Prinzessin”, werk dat onmiddellijk in vele talen werd vertaald. Ik vond de Duitse tekst niet meteen en gebruikte de Engelse uitgave.
[83] Ruete, p.187
[84] Coquery-Vidrovitch: Négoce Blanc en Afrique noire. Paris, SFHOM 2001, p.323.
Bénot: La Modernité de l’esclavage. Paris, La Découverte, 2003, pp.36,38. Beide citaten in Pétré-Grenouilleau, p.177 sqq.
[85] Toledano, p. 64
[86] Toledano, p. 69
[87] Lewis, p.14
[88] De lengte van een dergelijk irrigatienetwerk, enkel in de oases van Touat (Algerijnse Sahara) werd geschat op 2500 kilometer (Pétré-Grenouilleau, p.542). Behalve noodzakelijk voor het overleven van de bewoners zelf van de oases, waren deze systemen vanzelfsprekend ook onontbeerlijk als schakels in de handelsroutes tussen zwart Afrika en de Arabische wereld.
[89] Ook Gustave Flaubert maakte een ‘Voyage en Orient’. Bij zijn reis door Egypte beschrijft Flaubert vluchtig ook de slavenschepen die de Nijl afvaren, met aan boord toekomstige concubines., wier lot natuurlijk niet te vergelijken was met dat van bv. mijnslaven. Hij wijst even op een voorziening bij deze transporten, die wij tegenwoordig zelfs bij ‘human ressources’ zouden onderbrengen: “Op al die schepen zitten er tussen de vrouwen ook oude negerinnen, die voortdurend deze reis heen en weer maken. Zij troosten de nieuwe slavinnen en spreken hen moed in, en leren hen dat ze maar beter kunnen berusten, en ze doen ook dienst als tolk tussen hen en de koopman, die Arabier is.” (Voyage en Orient ,1849-1851. Paris; Gallimard 2006, p.152)
[90] Lewis, p.14
[91] Gordon, pp.16-7
[92] Meillassoux, p.83-4. Hij citeert: “Hogendorn J.S. 1977, The Economics of Slave Use on two «Plantations» in the Zaria Emirate of the Sokoto Caliphate, Int. Jl of Afr. Hist. Stud. 10, 3 ; 369-383”,
en ook: “Daumas, Gén. E., Le Grand Désert (suivi du Code de l’esclavage chez les musulmans) Paris, M. Levy Frères, 1857”
[93] N’Diaye, pp.154-5