woensdag 21 januari 2009

Voetbal-actie Albert Heijn in jip-en-janneketaal

.
Door gastblogger Annie M.G. Schmidt
Met een introductie door Paul Blok: Je kunt heel ingewikkeld doen over marketing. Of niet. Albert Heijn heeft - als sponsor van de eredivisie vanaf volgende week een spaaractie met voetbalplaatjes. In de commercial spelen de voetballers zelf ook een rol. Maar het principe van de actie van de kruidenier is echter niet helemáál nieuw. Voor iedereen die vindt dat de trends in marketing soms erg snel gaan, legt Annie M.G. Schmidt het idee van moderne marketing hoogstpersoonlijk in Jip en Janneke taal uit:

Moeder, roept Jip.
Wat is er?
Mag ik een pak havermout kopen?
Alweer, zegt moeder, we hebben nog een bus vol.
Hè toe nou, zegt Jip. Ik wil zo graag een kangoeroe.
Moeder lacht. In ieder pak havermout zit een plaatje. En Jip en Janneke sparen de plaatjes. Ieder plaatje is een beest. Ze hebben al een aap en een olifant en een zebra en nog veel meer, en dat alles wordt opgeplakt in een album. Maar een kangoeroe is er nog niet bij.
Vooruit dan maar, zegt moeder. Ga jij maar een pak havermout kopen. En neem Janneke maar mee.
Samen gaan ze naar de winkel.
Een pak havermout, zegt Jip. Met een plaatje. En het moet een kangoeroe zijn.
Dat kan ik niet zien, zegt de juffrouw. Het plaatje zit binnen in het pak. Je moet afwachten.
Op een drafje hollen Jip en Janneke naar huis. 
Gauw kijken, zegt Jip. Het is nu vast een kangoeroe.
Maar als ze het openmaken, dan valt het plaatje er al uit. Het is weer een aap. Jip is boos.
Alweer een aap, roept hij. Ik heb al een aap. Moeder, mag ik nog een pak havermout halen?
Nee, zegt moeder. Nou heb ik voor zes weken havermout genoeg. Als jullie morgen samen een hele teil havermout opeten, vind ik het goed. Wil je dat? Janneke, kom je morgen een hele teil havermout eten, bij Jip?
Nee, zegt Janneke. Ik vind een bord havermout al zo veel. Nou zit ik met twee apen, schreeuwt Jip.
Je moet proberen te ruilen, zegt moeder. Ruil maar met de vriendjes op straat.
Dat is een idee. Jip staat de hele middag op straat om zijn ene aap te ruilen. Maar geen een jongetje eet thuis havermout. Als Jip moedeloos terugkomt, staat Janneke aan de deur.
Kijk eens, zegt ze.
Een kangoeroe! roept Jip.
Ja, zegt Janneke. Ik mocht van mijn moeder nog een pak havermout kopen. En hij zat erin.
Fijn, zegt Jip. En nou gauw in ons boek plakken. 

  Deze bijdrage verscheen (heel veel) eerder onder de titel “Een kangoeroe in de havermout” in boekvorm

zondag 18 januari 2009

Doe eens deaudgaan, lutser

De Standaard, zaterdag 17 januari 2009

In de jaren zeventig en tachtig was het komische duo Kees Van Kooten en Wim De Bie verantwoordelijk voor een groot aantal nieuwe woorden en uitdrukkingen in de Nederlandse taal. Mettertijd is iedereen vergeten dat zij neologismen bedachten als 'doemdenken', 'oudere jongeren', 'krasse knarren' en 'positivo', en uitdrukkingen als 'stoned als een garnaal'.
Is het een teken des tijds dat de meest invloedrijke taalvernieuwers vandaag niet langer uit linkse, maar uit rechts-populistische hoek komen? Zelfs het zeer gedegen vakblad Onze taal weidde onlangs zijn hoofdartikel aan het taalgebruik op GeenStijl, met zijn typische dysfemismen, overdrijvingen en schrijfwijze. Hun invloed op de Nederlandse taal is stilaan even groot aan het worden als die van Koot en Bie destijds. Het verschil is dat die invloed nu blijft hangen aan de grens, omdat weinig Vlamingen nog intensief de Nederlandse media volgen. En dat zelfs de Dikke Van Dale woorden als fappen, hakbar en lutser erkent, zal daar niet meteen veel aan veranderen.

Wat op GeenStijl meteen opvalt, zijn de vele bewuste - en onbewuste, Nederlanders zijn het spellen verleerd - schrijffouten. Een k wordt vaak een q, en lange o wordt eau, ei wordt ey. Woorden met d, t of dt correct schrijven is voor lutsers. Je schrijft geitenneuqers, heaumeaus en mongeaulen. Soms wenst een van de minst fijnbesnaarde reaguurders hen een neqschot toe, maar dergelijke reacties worden sinds kort weggejorist door de webmaster. Zelfs GeenStijl heeft een paar minimale gedragsregels.

Ook typerend is het bewust kinderlijke taalgebruik: 'Minister doet dikke boehoe' of 'Doe eens ophouden'.

Bashen: agressief aanpakken, beledigen
Breezah: jong meisje
Reaguurders: vaste bezoekers van de site, die guur reageren
Weggejorist: van de site verwijderd (de webmaster heet Joris von Loghausen)
Kleuterneuqer: pedofiel
Gestopt met roken: gestorven
Fin: Noord-Afrikaan
Kudt!: uitroep van teleurstelling
Hakbar: extremistische moslim (verbastering van Allah Akbar)
Lutser: tussen loser en prutser
Handtasje: aanstellerige heaumeau
Kaalkopje: skinhead
010: Rotterdam (naar de telefoonzone)
020: Amsterdam
020 Gaza: Bijlmer (Amsterdamse wijk)
Fappen: onomatopee voor masturberen
Kapottrekken: neuken
Zuight: lijkt nergens op ('sucks')
Dode boom-media: kranten (spottend)
Komt die, boom (of paal, of muur, enz.): vaste uitdrukking als iets au dreigt te gaan doen

(Swaffelen is geen neologisme van GeenStijl, maar reaguurders zaten wel achter de verkiezing tot Woord van het Jaar.)

VAN ONZE REDACTEUR
STEVEN DE FOER
.

maandag 12 januari 2009

De onzichtbare kerk van Marokko

.
Die Welt
27. Dezember 2008

Marokkos unsichtbare Kirche
Von Ilya U. Topper

Viele Bürger treten zum Christentum über,
dürfen ihren neuen Glauben aber nicht zeigen.

Rabat - Die Weihnachtsfeier ist geheim: ein Haus in Casablanca, dessen Adresse nicht preisgegeben wird. Einige Dutzend Leute werden erwartet, man wird christliche arabische Lieder singen, die Bibel lesen und beten. Möglichst leise. Denn die Nachbarn werden kaum verstehen, dass man Marokkaner und Christ zugleich sein kann. "Wir leben wie die frühen Christen", sagt Ahmed F., der oft solche Versammlungen organisiert. Diesmal will er riskieren, Journalisten mitzubringen, obwohl niemand unter den Gläubigen seinen Namen gedruckt sehen möchte. Selbst Telefonkontakte stoßen auf großes Misstrauen. In letzter Minute ist Ahmed verhindert. Wer nicht schon einmal dabei war und die Adresse kennt, muss Weihnachten allein feiern.

"Es ist wie unter den Römern: Der Gottesdienst wird immer zu Hause abgehalten", sagt auch Abdelhalim B., ein etwa 40-jähriger Marokkaner, der während seines Studiums in Europa zum Protestantismus übertrat. Abdelhalims Wohnzimmer in der Küstenstadt Kenitra dient der kleinen örtlichen Gemeinde als Kirche. Nur ein kleines gesticktes Kreuz an der Wand und ein paar weihnachtliche Engel weisen darauf hin. "Wir brauchen keine Äußerlichkeiten, wichtig ist die Lehre", sagt Abdelhalim.

Fast kein marokkanischer Christ geht in eine der offiziellen Kirchen, die es in fast jeder Stadt gibt: Niemand will erkannt werden. Die freie Ausübung des Glaubens ist zwar in der Verfassung verankert, doch auf den Kirchenbänken sieht man fast nur Europäer und Einwanderer aus afrikanischen Staaten. Es kommt vor, dass Marokkaner an der Kirchentür von der Polizei angehalten und ausgefragt werden, sagt Jean Luc Blanc, evangelischer Pfarrer in Casablanca, selbst wenn sie nur zum Begräbnis eines christlichen Freundes kämen. Dabei ist es nicht verboten, Christ zu sein, nur Missionieren ist untersagt: Wer "einen Muslim in seinem Glauben zu erschüttern oder ihn zum Übertritt zu einer anderen Religion zu bewegen versucht", kann zu sechs Monaten Gefängnis verurteilt werden. Das Gesetz wird selten angewandt, zuletzt gegen Sadek Noshi Yassa, einen Deutsch-Ägypter, der 2006 in Agadir verhaftet wurde, weil er Bibeln und CDs an Jugendliche verteilte. Aber, versichert Abdelhalim, natürlich sei der Polizei bekannt, wer Christ sei. "Doch solange wir uns nicht sichtbar machen, haben wir keine Probleme." Dahinter steht die Angst vor den islamischen fundamentalistischen Bewegungen: Würden die Übergetretenen offiziell als Christen anerkannt, würde die islamistische Presse Sturm laufen gegen die "ketzerische" Regierung.

Die Scharia, die in Marokko nicht angewandt wird, sieht für den Abfall vom Glauben eigentlich die Todesstrafe vor. Daher versucht der Staat, die Debatte einfach zu umgehen. Allerdings seien die Sympathien klar, meint Abdelhalim: "Im Gegensatz zu den Islamisten stellen wir keine Gefahr für den Staat dar: Wir sind königstreu und fühlen uns voll als Marokkaner." Hinter den Kulissen gebe es viele Kontakte. "Kürzlich hielten wir für unsere Gemeinde ein Seminar über Aids-Vorbeugung ab, die Polizei rief mich später an, um mir zu sagen, wir sollten doch ein ähnliches Seminar für Muslime organisieren", sagt Abdelhalim. "Wir lassen dazu Experten aus Ägypten kommen, protestantische Kopten. Außerdem machen wir Sozialarbeit mit Armen, Workshops für Behinderte, gesundheitliche Versorgung, immer in Zusammenarbeit mit der Regierung."

Wie wird man Christ, wenn es kaum Missionare gibt? Eine große Rolle spielen christliche TV-Stationen, die arabische Programme ausstrahlen, wie al-Hayat, Sat 7 oder Miracles und viele Radiosender, fast immer von nordamerikanischen protestantischen Kirchen finanziert. Al-Hayat sendet von Zypern aus, die Belegschaft besteht größtenteils aus ägyptischen Kopten. "Im Programm wird eine Telefonnummer mitgeteilt, wenn man dort anruft, wird geprüft, ob man tatsächlich ein tiefes Interesse an Christus hat, und später bekommt man Kontakt zu anderen Christen."

So erging es Ahmed F. "Ich kannte das Christentum aus dem Radio und weil ich sehr viel las. Ich trat 1982 über, aber ich dachte jahrelang, ich sei der einzige marokkanische Christ. Später half mir der Radiosender, Kontakt zu anderen Glaubensbrüdern zu bekommen." Eine klare Hierarchie gibt es in diesen protestantischen Kirchen nicht. "Allerdings lassen wir oft studierte Theologen aus anderen Ländern kommen, damit sie uns unterweisen", sagt Abdelhalim. Bibeln und Gesangbücher könne man in manchen Buchläden kaufen oder über die anerkannten Kirchen beziehen. Allerdings lernen die Kinder rasch, ihren Glauben vor den Schulkameraden zu verbergen.

Genaue Angaben über die Zahl der marokkanischen Christen liegen nicht vor. Laut Abdelhalim gehören etwa 1500 zu dem Netz, das regelmäßig Versammlungen abhält, allerdings dürfte es weitere Familien geben, die sich aus Angst nicht zu erkennen gäben. "Es gibt sieben Hauskirchen in Casablanca, acht in Marrakesch und mindestens eine in fast jeder marokkanischen Stadt, von Tanger bis zum Rand der Wüste", sagt er. Bestimmte amerikanische Webseiten beziffern die Übertritte auf jährlich 3000 bis 3500. Für Jean Luc Blanc, Pfarrer der protestantischen Kirche in Casablanca, ist das übertrieben. "Vielleicht treten wirklich Tausende über, aber die meisten geben nach ein paar Monaten wieder auf. Eher stimmt die halboffizielle Schätzung der Regierung, nach der es insgesamt zwischen 800 und 1000 Übergetretenen gibt", sagt Jean Luc. "Wir wollen keine Mission treiben, aber wir wollen, dass die Glaubensfreiheit anerkannt wird", sagt der Pfarrer. Denn noch könne man verurteilt werden, wenn man an den falschen Richter geriete: "Es kommt ganz auf die Auslegung des Gesetzes an, manche Juristen sind der Ansicht, sich als christlicher Marokkaner zu bekennen, erschüttere bereits den Glauben der Bürger."

Juden haben mehr Rechte

Mit gewissem Neid schauen die christlichen Marokkaner auf ihre jüdischen Mitbürger: Diese sind als Minderheit offiziell anerkannt, brauchen ihren Glauben nicht zu verbergen und dürfen sogar im Ramadan öffentlich essen. Eine ähnliche Regelung schwebt manchen Christen vor. Ahmed F. träumt davon, eine "Nationalkirche" zu errichten. "Marokko war christlich, bevor der Islam kam, doch leider gab es damals keine organisierte Kirche, daher verlor sich der Glauben. Das wollen wir jetzt vermeiden", sagt der Berber aus dem tiefen Süden. Ganz verloren ist die Erinnerung allerdings nicht: In vielen berberischen Dörfern ist noch bekannt, dass man vor Jahrhunderten Christ war, manche Volkslieder beziehen sich auf die Auferstehung Jesu, und in einigen Koranschulen haben die Kinder donnerstags - statt freitags - frei, "denn so hat es Jesus gelehrt". So ist der Übertritt für manche Berber eine Rückkehr zu den eigenen Wurzeln.

Wie sieht die Zukunft aus? Abdelhalim hofft, dass die wirtschaftliche Entwicklung Marokkos die Glaubensfreiheit begünstigt. Die kleinen Gemeinden sind umtriebig: Es gibt Fortbildungskurse für christliche Familien, theologische Seminare und sogar Treffen, bei denen sich ledige Christen kennenlernen können. Denn wie soll man sonst heiraten? Mischehen sind zwar möglich, aber von der Regierung nicht anerkannt: Wer eine Marokkanerin heiraten will, muss Muslim sein oder werden. Selbst wenn die Marokkanerin sich zum Christentum bekennt. Für Christen ist Unsichtbarkeit oberste Bürgerpflicht.
.

zaterdag 10 januari 2009

Ophouden met Kakelen

HANS RIEDER had de commotie rond de uitspraak van het Gentse hof van beroep verwacht maar de meeste reacties vindt hij maar 'gekakel' van neofieten, maar ook van specialisten die eigenlijk niet weten waarover het gaat.

Laat ons dus eerst beginnen met: 'waarover gaat het?'. Nadat de wetgever met een arrest van het Grondwettelijk Hof op de vingers was getikt voor onbehoorlijk wetgevend werk slaat diezelfde wetgever de handen aan de ploeg en stemt een aanpassing van de wet op de bijzondere opsoringsmethoden (de zogenaamde BOM-wet). Die nieuwe wet bepaalt: '(…) De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal. Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde (…).'

'Afzonderlijk' ('op dezelfde wijze') werd door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent terecht gelezen zoals ieder Nederlandskundige dat zou lezen. 'Afzonderlijk' wil zeggen 'niet samen'. De partijen, openbaar ministerie, burgerlijke partij en inverdenkinggestelde werden afzonderlijk, dus niet samen gehoord. Het Hof van Cassatie heeft daar nu een andere uitleg aan gegeven en, naar ik vermoed op soevereine wijze, beslist dat, om Europeesrechtelijk en Grondwettelijk conform te zijn, de wet diende geïnterpreteerd te worden dat de partijen samen worden gehoord, zo kunnen ze tenminste beperkt tegensprekelijk voor de kamer van inbeschuldigingstelling een min of meer zinnig debat voeren.

Die bekritiseerde uitspraken van de kamer van inbeschuldigingstelling en het Hof van Cassatie zijn dus alleen en uitsluitend het gevolg van wetgevend werk dat niet voldoet aan de Europees rechtelijke en Grondwettelijke vereisten.

Terecht heeft het Hof van Beroep te Gent de strafvordering - die het Hof in strijd achtte met de Europeesrechtelijke en Grondwettelijke principes - ontoelaatbaar verklaard met als vervelend gevolg dat eventueel schuldige mensen worden vrijgesteld en met als bijkomend vervelend gevolg dat de burgerlijke partijen op strafrechtelijke vlak in de kou blijven staan.

De publieke opinie en kakelende advocaat moeten niet schieten op de rechter en de advocaten die de pertinente argumenten hebben beoordeeld en aangebracht maar op de wetgever die schromelijk in gebreke bleef en blijft.

Want laten we het nog even hebben over de argumenten van die kakelende advocaat, Paul Quirynen.

Volgens die advocaat zouden 'Proceduregevechten (…) de facto volledig abstractie van rechten en waarheid (maken)'. Procedureregels zijn er alleen om de burger te beschermen tegen een arbitrair optreden door de overheid (lees politie). Zij mogen dus niet uitgehold worden en zeker niet vervangen worden door 'goede trouw'. Ik raad de betrokken ongelijke kansen en racisme bestrijdende advocaat aan het boek van Jonathan Littell, Les bienveillantes (in het Nederlands De welwillenden) te lezen. Het hoofdpersonage, SS-officier Maximilian Aue argumenteert met zijn andere SS-collega's gedurende lange pagina's over het feit of de Bergjuden in de Kaukasus nu al dan niet Joden zijn die mogen worden uitgeroeid. Hun discours is het discours van mensen die denken dat ze te goeder trouw zijn. Ze zijn overtuigd van hun gelijk. Omdat er geen Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was en omdat er geen door een Grondwet gewaarborgde rechten waren hebben die in hun ogen goedmenende nazi's hun gang kunnen gaan en zonder vorm van proces ontelbare medeburgers voor een gemeend goed doel kunnen vermoorden.

Ik geef dit extreme voorbeeld om het nu voor eens en altijd duidelijk te maken dat goede trouw, goedmenende mensen, gerechtigheid, rechtvaardigheid en andere willekeurig in te vullen filosofische termen niet als rechtsnorm kunnen gelden. Wie dat kakelt stelt de deur bewust of onbewust (hopelijk) op een kier voor autoritair optreden. Zijn dat de gelijke kansen en het antiracisme waarvoor men staat?

Het is de verantwoordelijkheid van de wetgever om ervoor te zorgen dat er duidelijke, evenwichtige rechtsregels zijn die moeten verhinderen dat Europeesrechtelijke normen en Grondwetnormen worden geschonden. De wetgever moet daarbij ook oog hebben voor de mens die wordt opgepakt en die geacht wordt onschuldig te zijn tot zijn schuld is bewezen, evenzeer als er aandacht moet zijn voor de rechten van het slachtoffer en de gemeenschap in haar geheel.

In onze dierbare liberale democratie wordt de wetgever gecontroleerd door het Grondwettelijke Hof. De rechters passen dat recht toe. Al die rechters hebben terecht alleen oog voor de checks and balances'. Dat is de democratische rechtsstaat en the rule of law (de heerschappij van het recht). Daardoor zijn we vandaag nog min of meer vrij en zijn we voorlopig gespaard van autoritair optreden. Niet aanvaarden dat dit systeem af en toe ook vervelende gevolgen heeft is gevaarlijk populistisch. Autoritaire regimes schakelen altijd in eerste instantie de advocaten en de onafhankelijke rechterlijke macht uit.

We hebben opnieuw begeesterende redenaars nodig die de burger kunnen overtuigen van het waardevolle karakter van de rechtsstaat met haar gebreken.

Om het nu ook eens populistisch te zeggen: 'Hou u minder bezig met telefoneren naar rechters en procureurs, studeer in eenzaamheid en maak goede wetten en kom ze passioneel als democraat verdedigen in het plenum van het Parlement.'

Hans Rieder is advocaat.
.

De juridische vloek van een hersenloze

.
De Standaard, 7 januari
Kil en meedogenloos

PAUL QUIRYNEN heeft het er moeilijk mee dat zware criminelen soms door procedurefouten vrijkomen. Gelijk halen is voor sommige juristen blijkbaar belangrijker dan recht doen zegevieren, en dat soms met zware gevolgen.

Als raadsman van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding heb ook ik gisteren in Gent bijna lijdzaam moeten toezien hoe enkele criminele mensenhandelaars - zwaar gestraft in eerste aanleg door de correctionele rechtbank in Dendermonde - de vrijheid krijgen na een bittere procedurebetwisting die beslecht werd in het voordeel van de daders en die leidt tot hun onmiddellijke vrijheid.

Slachtoffers van misdrijven ondergaan helaas grotendeels deze proceduregevechten en niemand heeft oog en oor voor het feit hoe kwetsend en pijnlijk het kan zijn voor slachtoffers die nu ook nog worden geconfronteerd met daders die glorieus zegevieren na een procedurestrijd.

Als jurist heb ik een bepaalde waardering voor het analysevermogen en de juridische spitstechnologie van enkele advocaten , die steeds het voortouw nemen bij 'procedureoorlogen' met het Openbaar Ministerie en wiens overwinningen bejubeld worden door confraters die deze resultaten aanwenden ten voordele van hun cliënten en daders.

Als mens blijf ik worstelen met de ideologie van de procedurepleiter die bij gelegenheid van het proces-Van Noppen werd verwoord door confrater Hans Rieder (DS 8 juni 2002): 'Het kwaad fascineert me niet. Ik ben een echte technicus. Ik heb geen gevoel bij mijn werk. Ik beschouw mijn optreden in de rechtszaal als het ingrijpen van een chirurg tijdens een operatie. Wie daar ligt en hoe dat zo gekomen is, en wat die patiënt of zijn familie daarover denkt, laat mij ijskoud. Interesseert me niet. Dat is werk voor andere mensen. Iedereen moet bij zijn vak blijven. Ik blijf bij mijn wetboek.'

Als advocaat moet ik iedere dag belangwekkende keuzes maken bij het spreken met mensen en het behandelen van dossiers. Is het mijn aanvoelen als mens dan wel als jurist dat mij moet bezielen en inspireren. Mijn overtuiging is dat ook elke advocaat een vorm van maatschappelijke verantwoordelijkheid blijft behouden.

De opdracht van ieder advocaat wordt omschreven in artikel 444 van het gerechtelijk wetboek: 'Ter verdediging van het recht en de waarheid…' Proceduregevechten maken de facto volledig abstractie van 'recht en waarheid' omdat ze enkel gefocust zijn op de vraag of iedere 'regel' correct is nageleefd zoals wettelijk bepaald. Zoals mijn computerprogramma screent naar fouten binnen het systeem, worden gerechtelijke procedures uitgevlooid tot de laatste punten en komma's.

Men eist de perfectie als norm van iedere actor van justitie en van ieder mens en/of orgaan dat plichtsbewust zijn taak heeft willen vervullen binnen het kader van justitie. Men vergeet daarbij dat uiteindelijk recht spreken een taak is van 'mensen' en dat oordelen over vaak tragische situaties niet éénduidig is. De mogelijkheid dat mensen zich te goeder trouw vergissen wordt niemand meer gegund. Wie intellectueel eerlijk is, doch een verkeerde inschatting maakt, wordt genadeloos afgestraft.

Gewone mensen verstaan niet dat een beoordelingsfout kan leiden tot de vrijlating van misdadigers. Er is een fundamentele discrepantie tussen oorzaak en gevolg. Met deze procedureoorlogen verliest de samenleving andermaal vertrouwen in de justitie, omdat het toch moeilijk te aanvaarden is dat mensenhandelaars en andere topcriminelen 'zomaar' in vrijheid worden gesteld. Dit gebeuren is fundamenteel onrechtvaardig en ook onwaar. Een samenleving mag verlangen dat zware criminelen niet zomaar ontsnappen aan hun straf. Ook moet nagedacht worden over het onevenwicht tussen de aard van sommige vergissingen - vaak onbewust en ook te goeder trouw gebeurd - en de verstrekkende en soms onrechtvaardige gevolgen.

Uiteraard pleit ik niet tegen het legaliteitsprincipe doch wil ik alleen mijn zorg verwoorden dat justitie alleen werkbaar blijft vanuit het besef dat fouten kunnen gebeuren, maar dat we ook in die omstandigheden gerechtigheid en rechtvaardigheid dienen na te streven. Een juridisch systeem om een samenleving leefbaar te houden voor medemensen is slechts gemaakt op mensenmaat en juist daarom niet perfect. Als er dan toch een procedurefout gebeurt kan dan beter in verhouding gesanctioneerd worden dan met de onmiddellijke vrijlating van zware criminelen.

Wie is anders nog bereid om binnen de politiek en/of justitie verantwoordelijkheid op te nemen wanneer haviken toezien dat ieder discussiepunt steeds weer aanleiding is voor bittere betwistingen? Is er vandaag nog wel respect voor een mens die op integere wijze zich wil engageren binnen de wereld van de justitie of de politiek? Fundamenteel beleid naar de toekomst toe wordt erg moeilijk wanneer het handelen of spreken van iemand steeds 'destructief' wordt benaderd en men iemand de kans zelfs niet meer geeft om zijn eigen handelen op genuanceerde wijze te rechtvaardigen. Het kille principe 'ik heb gelijk' primeert vandaag op het alternatief 'laat ons samen zoeken naar een rechtvaardig vergelijk.'

Paul Quirynen is advocaat en plaatsvervangend vrederechter.
.

woensdag 7 januari 2009

En waarom zouden wij elkaar geen vijanden noemen?

.
En waarom zouden wij elkaar geen vijanden noemen?

* Angstapen

Een documentaire op TV over apen. Bij alle andere dieren in het woud lijkt de angst voor andere diersoorten te berusten op een ‘objectieve’ inschatting van hun sterkte. Ze zijn terecht bang. Als ze zich niet vlug uit de voeten maken worden ze gegrepen en opgepeuzeld. Apen, blijkbaar omdat ze intelligenter zijn, laten zich bang maken door belachelijk kleine zoogdieren of vogels die het helemaal niet op hen gemunt hebben. Als deze in de buurt zijn wagen ze het bijvoorbeeld niet, ook al zijn ze halfdood van de dorst, een plas water te naderen. Deze angst dient nergens toe, valt niet te verklaren vanuit een overlevingsinstinct. Ze kwellen zichzelf door te sidderen voor een illusoir gevaar. Hoe slimmer men is, hoe meer men aan anderen kwaadaardige intenties toeschrijft, en dus hoe hoe banger. Hoe slimmer hoe dommer. Vallen reeds apen ten prooi aan de fatale Dialektik der Aufklärung?

* Racisme en islamofobie

Met bekneld hart aanhoren we geregeld berichten over het groeiende racisme en de islamofobie. Het lijkt alsof deze toevoeging inhoudelijk niets toevoegt maar ons er enkel op wil attenderen dat islamofobie vandaag in Europa de meest voorkomende vorm van racisme is. Toch valt het moeilijk te ontkennen dat islamofobie niet zomaar een voorbeeld is van racisme, maar dat deze term een verschuiving aanbrengt in het begrip racisme zelf. Dit laatste wordt meer bepaald opgerekt. Deze oprekking heeft iets dreigends. Het is alsof men, de 'lessen van de geschiedenis indachtig', preventief te werk wil gaan. Er wordt korter op de racistische man of vrouw gespeeld, we worden immers aangesproken in een fase waarin we ons nog niet als racist kenbaar hebben gemaakt omdat we er ons zelf nog niet van bewust zijn. Niet onze opvattingen worden ons kwalijk genomen, maar een kwaal waaraan we lijden: een 'fobie'. Racistisch, en derhalve moreel en politiek verwerpelijk, is hier niet zomaar dat een bepaalde categorie van mensen expliciet als minderwaardig wordt afgeschilderd, maar een gevoel, met name een gevoel van angst. Ontoelaatbaar is het om bang te zijn voor de genoemde religie en dus voor de manier waarop we vermoeden dat die religie een bepaalde groep in haar greep heeft. Nu is het inderdaad nogal scholastisch om een gevoel voor een 'spontaan', cognitief of ideologisch neutraal iets te houden. Gevoelens zijn symbolisch geladen, ze zijn gemarkeerd door collectieve 'beeldvorming'. Al wie een vage angst of verontrusting voelt opkomen wanneer 'de Islam' ter sprake komt, is dus reeds medeplichtig aan een bepaalde perceptie van de Islam die vooral door de media wordt gevoed, niet in de laatste plaats door al die reportages die willen aantonen dat moslims 'mensen zoals iedereen' zijn, want met een bevolkingsgroep waarvan steeds weer de normaliteit moet worden bewezen is er vast iets mis. Emotie en (voor)oordeel, de angst voor de Islam en de overtuiging dat de Islam een gevaarlijke godsdienst is en zijn aanhangers dus potentieel gevaarlijk, kunnen dan ook niet zomaar van elkaar worden losgemaakt. Islamofobie is op zich reeds bedenkelijk, en dat degene die erdoor aangestoken is zijn fobie met allerlei feiten ('samenlevingsproblemen') kan rechtvaardigen, maakt haar niet minder bedenkelijk. Dit is nu juist eigen aan de neurose: wanneer bijvoorbeeld een door jaloersheidswaan gekwelde man ernstige redenen heeft om zijn echtgenote van ontrouw te verdenken, maakt dit zijn waan niet minder ziekelijk. De neuroticus, in tegenstelling met de waanzinnige, zuigt zich graag vast aan 'objectieve feiten' om het obsessionele van zijn gedachten en handelingen niet te hoeven zien. (In die zin onderscheidt de hedendaagse islamofobie zich misschien van het antisemitisme van de nazi's dat een soort psychotische waan was: de dreiging die uitging van het 'Internationale Jodendom' was een hersenschim.) Tenzij er, zoals het darwinisme lijkt te suggereren, in het domein van het menselijke zoiets als een 'rationele' of 'puur functionele' angst zou bestaan, is islamofobie niet louter een 'normale', instinctieve reactie van wezens die zich in hun bestaan bedreigd voelen. Zoals elke fobie overdrijft islamofobie de dreiging die van het gevreesde uitgaat, alsof de islamofoob baat heeft bij wat hem bedreigt, al was het om ermee te verbergen dat er bij hemzelf iets niet in de haak is. Maar zo is er aan oneindig veel dat des mensen is iets verdachts dat de mogelijkheid van het ergste in zich draagt, hoe onschuldig het er vaak ook uitziet. Dit is nog geen reden om het te willen betrappen overal waar het de kop opsteekt, zodat het kan worden aangeklaagd en veroordeeld. De westerse angst voor de Islam is zo oud als de Islam. Pas toen het gevaar helemaal was geweken, is onze verhouding tot de Islam dat bekende mengsel geworden van minachting en exotische fascinatie. Van dit als romantiek verhulde racisme zijn we nu ondertussen tenminste af. Misschien neemt onze hedendaagse fobische blik de Islam serieuzer dan we hem ooit genomen hebben. Getuigt het, wanneer je een religie voor een geduchte tegenstander of rivaal houdt, niet meer van respect dan wanneer je haar reduceert tot een exotisch curiosum of tot één van die vele religies die onder de zachte dwang van de secularisering, een zachte dood zullen sterven? Het probleem van het moraliserende discours over 'islamofobie' is dat het van islamofobie niets wil weten behalve dat het iets verwerpelijks is dat eigenlijk helemaal niet zou mogen bestaan. Maar fobieën dienen niet om meteen moreel geschandvlekt en verboden te worden, maar om serieus genomen te worden. Zo lijd ik bijvoorbeeld aan een Amerikafobie, en ook aan een Israëlfobie. Dat komt onder meer omdat ik de Amerikaanse internationale politiek desastreus vind, en vind dat de Amerikaanse burgers daar tot op vandaag nog altijd verregaand in mee gaan en zich bijvoorbeeld om de verkeerde redenen tegen de oorlog in Irak hebben gekeerd, of omdat ik de manier waarop Israël de Palestijnen noch gelijke burgerrechten noch een eigen staat gunt, misdadig vind. Zoals dat gaat met fobieën koester ik ze, ik zoek naar signalen die ze bevestigen, ik herteken, sculpteer en vergroot in mijn verbeelding voortdurend het object van mijn fobie. Tevens wantrouw ik deze fobieën, omdat ik misschien te veel de typische neiging heb van Europese intellectuelen om tegen de VS te zijn en omdat mijn verontwaardiging over de Amerikaanse arrogantie me blind maakt voor de lafheid en impotentie van Europa, of omdat er in mijn gehamer op Israëls misdaden misschien een onbewuste rest van antisemitisme verscholen zit, of een diepe wens om eindelijk ontlast te zijn van onze loodzware morele schuld tegenover de joden. Zo probeer ik ook, samen met miljoenen anderen, op een zo lucide mogelijke manier met mijn 'islamofobie' om te gaan, en het zelfreflexieve wantrouwen hoort daarbij. Maar ik denk er niet aan om een petitie te ondertekenen tegen racisme en islamofobie. Mijn islamofobie is bedenkelijk, maar ik laat me haar niet zomaar afnemen. Het is niet omdat ze schuldbeladen is, de mogelijkheid van verblinding en exces in zich draagt, dat ik toelaat dat ze systematisch wordt geculpabiliseerd. Dit is misschien de actualiteit van het aloude zondebegrip: het leidt tot niets goeds om zich van de zondigheid te willen reinigen. Beter is het om je zonden op je te nemen. 'Islamofobie', in zoverre er alleen wordt op gehamerd dat het dom en ontoelaatbaar is, functioneert als één van die termen waarmee een probleem aan de kant wordt geschoven opdat het maar niet zou moeten worden gesteld. Het is een fobische, uit angst geboren term, die ons verbiedt onze angst ter sprake te brengen en dus gebiedt voor die angst alleen maar angstig en doodbeschaamd te zijn.

* Een moedige oude vrouw met het hart op de tong

Oriana Fallaci's De woede en de trots, waarvan miljoenen exemplaren werden verkocht, is één langgerekte scheldtirade tegen de moslims en natuurlijk ook tegen het linkse, ‘politiek correcte’ establishment dat in een tijd waarin onze beschaving wordt bedreigd, tolerantie blijft prediken. Het boek dankt zijn buitensporig succes aan zijn schijnbaar volstrekt on-ideologisch, want 'puur emotioneel' karakter. Kun je Fallaci verwijten dat ze nu eenmaal voelt wat ze voelt, dat ze woedend is op ‘de moslims', en dat ze trots is op wat de Italiaanse, Europese en Amerikaanse cultuur nog aan integriteit hebben behouden? Fallaci, die al meer dan een halve eeuw de wereldpolitiek volgt, verwaardigt zich niet om nog maar de geringste aanzet te geven tot een politieke, historische of theologische analyse. Analyses en argumenten zijn bekritiseerbaar of weerlegbaar, lijkt ze te denken, maar emoties en hun uitingen niet, die zijn er gewoon, ze zijn even 'authentiek' als natuurrampen. Juist hierom moet de kritiek op Fallaci niet zijn dat ze te emotioneel is en meer haar verstand moet gebruiken, maar dat ze het overduidelijk ideologische karakter van haar betoog verhult door te doen alsof ze alleen haar gevoelens op een blad laat overstromen. Zelden heeft iemand op een zo ongenuanceerde manier het Verlichte en democratische Westen en de Achterlijke en gewelddadige Moslimwereld tegenover elkaar geplaatst en daarbij nog eens zo schaamteloos gevariëerd op het klassieke racistische motief van de bezoedeling van de zuivere eigenheid door kwaadaardige krachten. Maar omdat ze doet alsof ze wordt meegesleurd door een onstuitbare emotionele vloedgolf, weet ze hiermee zelfs talloze 'progressieven' en 'virulente antiracisten' respectvolle reacties te ontlokken in de trant van: ‘we zijn het natuurlijk radicaal oneens met de inhoud van wat ze zegt, maar de manier waarop ze het zegt is toch authentiek. Wat ze zegt is niet waar maar wel waarachtig, want ze heeft geen strategie, zoekt niet naar macht, heeft nergens belang bij, ze gaat er gewoon voor, ze is eerlijk, recht voor de raap, je weet wat je aan haar hebt.' (Dezelfde teneur valt soms te beluisteren bij mensen die Céline zijn antisemitisme willen vergeven omdat het 'visceraal' zou zijn geweest en niet doctrinair.) Als ze hiermee, in de vorm van een Verneinung, al niet verraden toch te sympathiseren met Fallaci's hate speech, trappen ze in elk geval in de retoriek waarmee ze de indruk wekt met haar emotie samen te vallen. In onze tijd waarin emotionaliteit onophoudelijk wordt gepromoot, lijkt Sartres theorie over emotie als strategische zelfbedwelming meer dan ooit actueel. Zich narcistisch verschansend in haar imago van oude en kwetsbare maar sterke vrouw die de moed heeft te zeggen wat ze voelt, genietend van haar heilige verontwaardiging die haar een aura geeft van Integriteit, neutraliseert ze bij zichzelf elke neiging tot zelfreflectie die voor het ultrarechtse bewustzijn sowieso niet méér kan zijn dan een synoniem voor moreel flagellantisme en zelfvernedering. Deze keuze niet te reflecteren geeft haar discours iets ondoordringbaars, massiefs, fascinerend ongenaakbaars - waarmee ze de gelijke is geworden van haar imaginaire vijand, de Moslim. Fallaci vormt binnen het vigerende racistische discours geen atypisch fenomeen, maar bevindt zich juist in het centrum ervan. Hoe irrationeler de ideologie, hoe meer ze zich als ideologie verbergt en het nodig heeft te worden geïncarneerd in een intimiderende stem, vol 'authentieke' toorn en morele verontwaardiging.

* Chantage

Tot de Verlichting en het Europese beschavingsideaal behoort hun ongenadige zelfkritiek, van Rousseau tot en met Adorno en Horkheimer. Deze kritiek viseerde nooit alleen maar bepaalde ontsporingen, maar ook altijd, zonder daarom de Verlichting als zodanig te verketteren, de grondslagen van de Verlichting en daarmee een oorspronkelijke mogelijkheid tot ontsporen. Als er iets is waar we niet aan toe mogen geven, dan is het aan de volgende chantage, ook al erkennen we, door hier zo op te hameren, dat we er eigenlijk al aan hebben toegegeven: 'in het licht van de obscurantische krachten waaraan de Europese beschaving vandaag blootstaat, is het wel helemaal onverantwoordelijk geworden om de Verlichting verdacht te maken'. Alsof de zelfkritiek van de Verlichting een soort luxe is die ze zich enkel in goede tijden mag permitteren, alsof we niet meer dan ooit moeten beseffen dat in de wijze waarop de Verlichting zich schrap zet tegen wat haar bedreigt, dat reeds in de retoriek waarmee van die dreiging wordt gewaagd, het gevaarlijke, (zelf)destructieve dat in haar sluimert manifest wordt. Dit is geen loze speculatie. Al één keer is Europa fascistisch geworden om zich tegen het kwaad (het communisme) te verzetten. Het is onverantwoord niet bang te zijn, maar niet minder onverantwoord onze angst niet grondig te wantrouwen.

* 'Gematigde moslims'

Het is goed om weten dat de voorkeur die altijd weer wordt uitgesproken voor 'gematigde moslims' van islamofobie getuigt. Het zou vreemd zijn als dit moslims niet mateloos zou irriteren. Altijd weer moeten ze aanhoren: 'wees gerust moslim, maar alsjeblieft niet teveel!' Er wordt gesuggereerd dat je de graad van moslimgelovigheid kunt uittekenen op een schaal die gaat van de grootste gematigdheid tot de grootste radicaliteit. De eerste neemt zijn geloof - 'God zij dank!' - niet te ernstig. Hij is nauwelijks praktizerend, hangt zijn geloof nog louter uit gewoonte aan, uit loyauteit aan zijn familie, omdat het al met al gezellig is. De tweede soort is een terrorist. Buiten deze schaal valt dus elke moslim die niet tot geweld geneigd is, maar zijn denken en doen grondig door zijn geloof laat doordringen, bijvoorbeeld door vroomheid en inzet voor de gemeenschap.

* 'Denken in termen van wij en zij'

Een debat met een moslim, voorzitter van een vereniging voor moslims, naar aanleiding van de heisa rond de Mohammedcartoons. Herhaaldelijk spreekt hij me vaderlijk toe dat we ons moeten bevrijden van vijandbeelden, moeten ophouden te denken in termen van 'wij' en 'zij', terwijl ik ondertussen door alles wat hij beweert de kloof tussen ons steeds meer een afgrond voel worden. Hij vindt dat godsdienstkritiek in principe toegelaten is, maar 'zo maar een beetje lachen met de godsdienst, zoals Voltaire deed', dat kan niet door de beugel. Hij geeft geestelijke ondersteuning aan zijn geloofsgenoten die nog altijd niet bekomen zijn van Rushdies Duivelsverzen, terwijl ik vind dat het zijn taak is hun uit te leggen dat deze roman één van de mooiste geschenken is die de Islam de laatste jaren heeft gekregen. Hij is behoorlijk geërgerd als ik me nogal schamper uitlaat over de Saoedische prinsen die religieuze tolerantie prediken, en ik ben geërgerd over die ergernis. Hij is verontwaardigd over de cartoons, maar ik van mijn kant ben verontwaardigd over woeste menigtes moslims die Deense ambassades in brand steken. Toch blijft hij pleiten voor 'wederzijds respect', 'tolerantie', en hamert hij erop dat we 'allemaal mensen zijn', waarop ik niet anders kan dan bekennen dat alles wat hij zegt voor mij bevestigt dat er wel degelijk een 'wij' en 'zij' is, en dat wij misschien enkel deelnemen aan deze discussie om ons ten diepste van die verschillen en geschillen bewust te worden en ze te articuleren. Toenaderingspogingen blijven ijdel en zelfs vals als niet eerst de tegenstellingen, die massief zijn, worden erkend. Het probleem is niet dat we het niet eens zijn. Het probleem is dat de kloof zo groot is dat er voorlopig blijkbaar geen gesprek denkbaar is waarin we, met een mengsel van schaamte en ergernis, aan elkaar kunnen opbiechten hoe grondig we het oneens zijn. Gezamenlijk tot een analyse komen van die kloof lijkt al helemaal toekomstmuziek.

* Waarom zouden we geen vijanden zijn?

De kloof tussen autochtonen en allochtonen van Turkse en Marokkaanse origine is een onmiskenbare maatschappelijke realiteit: op het werk, in het onderwijs, in de sfeer van ontspanning en vrijetijd. Hij is voelbaar vanaf de eerste kleuterklas. Achter het 'respect' dat men elkaar betoont schuilt veel irritatie, wantrouwen of gewoon desinteresse. Het spreekt vanzelf dat elke vorm van discriminatie op de arbeidsmarkt, op de woonmarkt en in het onderwijs moet worden weggewerkt, en dat het zeker voor wat betreft de twee eerste domeinen nog al te zeer aan politieke wil ontbreekt. Maar zou het niet verfrissend zijn, en leerrijk, als we elkaar ondertussen in de sfeer van de 'cultuur', op het artistieke, levensbeschouwelijke, filosofische en theologische vlak, een tijdje flink in de haren zouden vliegen? Tegenwoordig wordt de sfeer van de cultuur steeds meer belast met de per definitie onmogelijke opdracht oplossingen voor te stellen voor de conflicten en onevenwichtigheden die heersen in de 'harde' realiteit. De goed opgeleide, weldenkende, progressieve middenklasse die het culturele veld beheerst, kwijt zich over het algemeen braafjes, zij het niet zonder gemor, van die opdracht. Zo is het binnen de kunstwereld niet moeilijk om 'samenwerkingsverbanden over de culturen en religies heen' te smeden aangezien artiesten sowieso vrijgevochten kosmopolieten zijn. Het probleem met de culturele klasse is dat ze de neiging heeft zich aan haar goedmenendheid te bedrinken. Ze stelt zich open en tolerant op, toont zich bereid tot dialoog, maar beseft niet hoezeer dit een pose is die nogal angstig de aandacht afleidt van diepe breuklijnen en onenigheden. Zo functioneert de cultuur, om Marx te parafraseren, als het hart van een harteloze samenleving. De doorsnee kleinburger trekt misschien niet, zoals Goebbels zei te doen, zijn revolver als hij het woord 'cultuur' hoort, het woord roept bij hem wel het beeld op van een veilig afgeschermd, zwaar gesubsidieerd reservaat waar verwende, grote kinderen zich te buiten kunnen gaan aan 'experimenten' waarin eigenlijk niets werkelijk op het spel staat. Hij heeft een punt. Maar wat hij vergeet is dat dit reservaat juist vanwege zijn vrijblijvende karakter oneindig veel mogelijk maakt, bijvoorbeeld dat mensen er kunnen tonen hoe grondig ze het met elkaar oneens zijn. Cultuur is het domein waarin je iemands vijand kunt zijn en hem toch met open vizier kunt tegemoet treden, waarin het punt van onverzoenbaarheid en non-communicatie dat mensen niet enkel van elkaar scheidt maar ook tot elkaar veroordeelt, in duizenden toonaarden kan worden gearticuleerd. Maar helaas wordt deze mogelijkheid veel te weinig benut. Altijd maar worden er angstvallig bruggen gelegd, handen gereikt, verklaringen van goede intenties afgelegd, samenwerkingsverbanden bedacht; te zelden heeft iemand genoeg trots, en vooral respect voor de ander, om te laten zien of horen wat hem bij die ander ergert, vaak onder het mom dat hij verkeerd begrepen of misbruikt zal worden, terwijl cultuur nu juist het domein is waarin uitingen alle tijd hebben om door een zee van onbegrip te gaan en de gedachte aan een juist begrip of gebruik op zijn best functioneert als een onvervulbare utopie.

* Een ongelijke strijd

Het spreekt vanzelf dat een debat over de Islam tussen moslims en mensen - christenen incluis - die opgegroeid zijn in een gesekulariseerde cultuur, met ongelijke wapens gevoerd wordt, eenvoudigweg omdat de ruimte van dat debat een westerse ruimte is waarin elkeen zijn standpunt louter en alleen op basis van rationele argumentatie moet verdedigen, met op de achtergrond de leidende idee van democratie met haar burgerlijke vrijheden en mensenrechten. De moslim die in het openbaar de waarheid en waarde van zijn geloof verdedigt, doet dat onvermijdelijk in westerse termen. Hij wordt er vanzelf toe gedwongen aannemelijk te maken dat de Islam verzoenbaar is met democratie, met burgerrechten zoals recht op vrije meningsuiting en tolerantie tegenover andere godsdiensten en levensbeschouwingen. Met zijn loutere bereidheid om met anders- of niet-gelovigen een gesprek aan te gaan erkent de moslim formeel dat de Islam niet de enige zetel of oorsprong is van de waarheid; hij neemt immers deel aan een gesprek waarin de Islam wordt getoetst aan meer universele principes en dus op zijn best te voorschijn kan komen als één van de vele particuliere invullingen van die principes. Anders gezegd: de vraag of de Islam verenigbaar is met democratie en mensenrechten als ter zake beschouwen impliceert een vernedering, want daarmee weerspreekt de moslim, ook al zal hij dat uiteraard niet erkennen, de facto de soevereiniteit van Allah als oorsprong van alles wat waarde bezit. Vanuit religieus perspectief kan een geloof alleen aan zichzelf getoetst worden. Maar aangezien er binnen het westerse taalregime geen plaats is voor deze soevereiniteit, tenzij binnen de besloten wereld van viering en gebed, verdedigt de imam bijvoorbeeld op de televisie de Islam vanuit humanistische, (pseudo)wetenschappelijke of utilitaire principes. Lamsvlees heet gewoon gezonder te zijn dan varkensvlees; de besnijdenis is een hygiënische maatregel; vrouwen zijn 'van nature', door hun biologische constitutie, voorbestemd om bepaalde taken te verrichten en zich op een bepaalde manier te gedragen, enzovoort. Probleem is natuurlijk dat iemand die deze en andere levensregels in acht zou nemen daarmee nog geen islamiet is. Moslim wordt iemand pas als hij deze regels in acht neemt omdat Allah dat van hem eist, omdat hij met andere woorden een moslim is. Dit zelfreferentiële formalisme is een wezenlijk kenmerk van godsdienst. Legt de imam aan de buitenstaander uit dat de verordeningen van zijn God aansluiten bij wat mensen van nature als goed of gezond ervaren, dan is hij de transcendentie aan het uithollen. Naturaliserende en rationaliserende argumenten maken het geloof aannemelijk en dus overbodig. Voor een strak monotheïsme als de Islam is iets goed omdat God dat vindt, en dat kan volkomen haaks staan op wat mensen redelijkerwijs als goed ervaren. Goedmenende, naar het humanisme neigende religieuzen kunnen deze discontinuïteit tussen het goddelijke en het menselijke trachten weg te rationaliseren, maar zonder die discontinuïteit houdt religie op te bestaan en wordt God een goede, verstandige vader, bekommerd om the Greatest Happyness of the Greatest Number. Het is niet moeilijk zich in te denken dat de aanblik van al die imams die, altijd ietwat in het nauw gedreven en meewarig aangestaard door hun geseculariseerde gesprekspartners, met common sense argumenten de Islam trachten te verdedigen, velen van hun geloofsgenoten mateloos ergert, en dat deze laatsten, om de trots van de Islam te redden, zich liever ingraven in een bars, minachtend zwijgen. Zo'n principiële weigering tot communicatie kan zich ook uiten in het debiteren van frasen en het voltrekken van daden waartegen het gemondialiseerde humanistische discours geen argument heeft omdat dit soort spreken en handelen expliciet elk argumenterend discours afwijst. Uiteraard gaat zo'n strategie ten koste van een grondige mutatie van de Islam. Deze moslims beroepen zich op de traditie, maar de facto gaat het om een drieste identificatie met het beeld van de 'niet voor rede vatbare', 'gezwollen frasen opdreunende' moslim dat de westerling van hen heeft. Hun verlangen bestaat erin met een demonische karikatuur van de Islam de westerling te doen beven die ze, weggerukt uit de schoot van de traditie, trouwens zelf al lang zijn. De meest eminente belichaming van deze positie is natuurlijk de zelfmoordterrorist: tegenover de westerling die geen enkel ander ideaal heeft dan zijn leven zo lang en comfortabel en tevreden mogelijk te leven, stellen ze de cultus van de gewelddadige dood, tegenover de laffe lauwheid van de 'laatste mens' (Nietzsche) de passie van de martelaar.

* Dat iedereen zich over zijn verloren schapen ontferme

Het argument dat de nazi's antikatholiek en antichristelijk waren en dat daarom het christendom niet schuldig is aan de Holocaust, is uiteraard moreel vals. Het loutere bestaan van joden was voor de christenen al sinds de tweede eeuw iets onverdraaglijks. Hitlers poging om aan dit ergerlijke bestaan een einde aan te stellen, is dan ook geboren uit een christelijke obsessie. Van verregaande kwade trouw getuigt zeker de uitspraak dat de Holocaust onmogelijk iets christelijks kan zijn omdat het christendom naastenliefde predikt. De boodschap van liefde was vanaf haar Paulinische oorsprong vergiftigd door de ergernis en haat tegen degenen die niet meteen in die goede boodschap geloofden en gewoon aan de oude Wet vasthielden. Het nazisme is dus een soort ketterij van het christendom, maar dat het zichzelf geen christelijke naam gaf was voor de leiders van de christenheid een alibi om het niet te veroordelen. Vergelijkbaar hiermee kunnen de woordvoerders van de Islam niet blijven beweren dat terrorisme en islamisme niets met de 'ware' Islam te maken hebben. De gewelddadige fanatici zijn hun verloren schapen. Het is hun ketterij, hun symptoom, dat wil zeggen hun rampzalige manier om een probleem op te lossen nog voor ze het hebben willen zien en om het niet te hoeven zien. Ze moeten er zich dus over ontfermen als over iets dat uit hen voortkomt en het niet zomaar afstoten als iets wat hun vreemd is. Het argument dat de uitgangspunten van de Islam zuiver zijn en dat enkel toevallige culturele invullingen ervan oorzaak zijn van morele en politieke degeneratie, getuigt van morele en intellectuele oneerlijkheid. De tegenstelling tussen de zuivere oorsprong en de afwijkingen ervan is onhoudbaar. Net zoals bij de meest idyllische liefdesverhoudingen openbaren latere crisissen iets dat van bij het begin niet goed zat. Uniek aan de joodse grondtekst, de Thora, is dat daarin de geschiedenis van het joodse volk wordt beschreven als een geschiedenis van crisissen, van zich almaar herhalende regressies naar ongeloof en afgodendom. Het is de geschiedenis van een volk dat zich vanaf het begin ongeschikt toonde voor het Verbond waartoe het was uitverkoren. Misschien ligt daar de grond van de sublieme joodse ironie. Het is jammer dat de Islam van de joden enkel de Wet heeft overgenomen, niet hun bewustzijn van de structureel onmogelijke verhouding van de mens tot de Wet. Volgens de Koran hebben de joden zich wegens systematische ongehoorzaamheid onwaardige ontvangers van hun eigen Verbond betoond. 'Met de joden is God in verkeerde handen', 'er is iets helemaal mis met hen' - alsof de joden dat niet weten! De Islam bouwt niet verder op deze joodse zelfkennis, maar schuift de joden de morele onzuiverheid in de schoenen die ze zelf zo breedvoerig en prachtig hebben opgebiecht, en meent dan zelf met de Oemma een garantie te hebben tegen die onzuiverheid. Individuen kunnen over de schreef gaan, maar de Oemma blijft eeuwig ongeschonden.

* Een slechte gedachte?

Wanneer de Europeaan zich ergert over het antisemitisme dat welig tiert in de Islamwereld, dan is dat vanuit een moreel comfort hem door de Holocaust geschonken. De nazi's hebben, in naam van Europa, tweeduizend jaar christelijk antisemitisme tot een zodanig paroxysme gevoerd dat het sindsdien onmogelijk is geworden in het openbaar voor zijn antisemitisme uit te komen zonder meteen te worden neergesabeld. De kolossale misdaad waarvan wij de culturele erfgenamen zijn, heeft ons van onze jodenhaat genezen. Daarom koesteren wij die misdaad, zozeer dat we voor de ontkenning ervan een apart woord hebben bedacht: negationisme. Het lijkt wel de Ontkenning als zodanig, het paradigma zelf van de ontkenning. Mensen die er zich aan bezondigen worden opgesloten. Er is hier iets vreemds aan de hand. Terwijl wij de nazi's nodig hebben gehad om ons van ons antisemitisme te verlossen, verbazen we ons over het feit dat antisemitisme in de Islamitische wereld eerder regel dan uitzondering is. Wij hebben gemakkelijk praten. De moslims missen die reinigende Misdaad. Daardoor heeft hun antisemitisme, dat overigens in hun grondtekst is ingeschreven, voor ons iets schandalig onbevangens. De gedachte dat ook zij een kolossale misdaad nodig zullen hebben om van hun antisemitisme te genezen, is verschrikkelijke. Is hij ook slecht? Is het slecht de mogelijkheid van het ergste te denken? Freud, een jood uit Wenen, kwam tot de vaststelling dat menig moordenaar juist moordt om zich te verlossen van een schuldgevoel dat hem onbewust kwelt. Zijn schuldgevoel zit bij hem zo diep verscholen, het is hem zo vreemd, dat hij een misdaad nodig heeft, een daad waarmee hij effectief schuldig wordt, om zijn schuld te bekennen.

* Zo slecht kan de mens niet zijn

De vier verschillende graden van kwaad die Kant onderscheidt in Die Religion innerhalb der Grenzen der Blossen Vernunft zou je op de volgende wijze kunnen illustreren. Het is denkbaar dat de VS oprecht de intentie hadden om democratie in Irak te brengen, maar, doordat ze toch vooral hun eigen belang voor ogen hadden, geen seieuze maatregelen troffen om te verhinderen dat het land in de chaos wegzonk. In dit geval zijn ze moreel 'gebrekkig' te noemen. Dit is wellicht de visie van menig Amerikaan. Maar ook iemands motieven kunnen verkeerd zijn, ook al schijnen ze hemzelf zuiver toe. Ons voorbeeld volgend: als de VS de wereld maar ook zichzelf wijs maken dat ze de democratie aan het uitdragen zijn, maar er eigenlijk enkel op uit zijn om hun economische en geopolitieke belangen in de regio veilig te stellen, dan is dat moreel 'onzuiver'. Maar het kan nog erger. We kunnen de VS ervan verdenken dat ze zonder meer machtsmotieven tot principes verheffen terwijl ze het voorstellen alsof ze enkel de wereld van een dictatuur willen verlossen. In dat geval zouden ze volgens Kant zijn doorgeschoten naar het 'boosaardige'. Erger kan het niet volgens Kant. Het boosaardige wijst voor hem op het bestaan van een 'radicaal kwaad' in de mens. Niettemin nodigt hij ons uit om een nog meer kwaadaardige vorm van kwaad te denken: het ‘duivelse’. Duivels is iemand wanneer hij zich niet zomaar cynisch achter de morele wet verschuilt om gewoon zijn zin te doen, maar wanneer hij er een principe van maakt de wet met de voeten te treden, ook al gaat dit in tegen zijn eigenbelang. In dit geval zouden de VS zoiets zeggen als: 'Wij houden ervan onze macht aan anderen op te leggen omdat we onszelf geweldig vinden en liggen er niet wakker van als we daarmee internationale verdragen en mensenrechten met de voeten treden, tienduizenden de dood in jagen en een hele regio destabiliseren, en dus iets doen dat nagenoeg niemand ten goede komt, uiteindelijk ook onszelf niet. Dit laatste bewijst des te meer hoe ongenaakbaar soeverein wij zijn, want tegen iemand die zelfs niet bekommerd is om zijn eigen belang is niemand opgewassen. Op die manier zijn we toch aan onze duivelse vijand, het islamisme, gewaagd.' - De ongrijpbaarheid van het kwaad is gelegen in iets dat elke dierlijke, 'blinde' razernij, die slechts het bedrieglijke masker van het kwaad is, te buiten gaat. Kwaardaardig is juist de koude wil om ongrijpbaar te zijn. Eigenlijk speelt de 'duivelse' mens het negatief van de radicaal transcendente God. Ongrijpbaar is het kwaad ook doordat degene die naar het wezen ervan peilt meteen een medeplichtigheid voelt, een vermoeden dat hij paranoïde wordt, dat het misschien ligt aan iets kwaadaardigs in hemzelf dat hij zo verregaand slecht over het kwaad denkt, iets waarvoor de verstandige Kant dan ook terugschrok. Zoals gezegd haalde Kant het duivelse enkel aan om te zeggen dat het om een antropologische onmogelijkheid gaat. Het duivelse zo raak en droog definiëren enkel om te zeggen dat het niet kan bestaan is natuurlijk een prachtig voorbeeld van een Freudiaanse Verneinung. Kant zadelde ons op met een afgrond waarover hij zelf rustig overheen liep.

* May God continue

'And may God continue to bless America.' Misschien een miljard mensen zien en horen dit aan. Het gaat hier duidelijk om meer dan een geijkte, traditionele formule die een toespraak met een sacrale toets afsluit. Bush meent het. Hij blaast de versleten formule nieuw leven in door er iets aan toe te voegen. Hij smeekt niet zomaar nederig Gods zegen af. Hij weet dat de Allerhoogste al een tijdje bezig is met zijn land te zegenen en vraagt hem ermee door te gaan. ‘Kom, God, we weten dat je al een tijdje bezig bent, geef ons nog een klein duwtje en we zijn er.’ Als je zoiets bekijkt, dan trekt iets zich in je samen en dan weet je: deze man is mijn vijand, en met een maatschappij waarin iemand zo kan spreken zonder, eerst en vooral door christenen, massaal weggehoond te worden, lijkt iets onherstelbaars te zijn gebeurd. En dan begrijp je weer wat voor een apart en bewonderenswaardig ras diplomaten zijn: dat ze onvermoeibaar met deze door God gezonden fils-à-papa proberen een gesprek aan te knopen.

* Gevoeligheden (Voorstel tot cartoon)

Men stelle zich de volgende cartoon voor: Abraham zit totaal verslagen naar de grond te staren. Enkele meters verder ligt zijn zoon Isaak in een bloedplas, met doorgesneden keel. Een lieflijke engel komt net aangevlogen. Hij kijkt verschrikt: ‘Mijn God! Het is te laat!’ - Is er een beter cartoon denkbaar om de aanhangers van de drie monotheïstische godsdiensten op hun ‘religieuze gevoeligheden’ te testen? Abraham is hun gemeenschappelijke aartsvader. Hij staat aan de oorsprong van de cultus van de enig ware en rechtvaardige God. De geschetste situatie is niet absurd. God eiste van Abraham wel degelijk de onvoorwaardelijke bereidheid om zijn zoon de keel door te snijden. Hij eiste van hem dus een gehoorzaamheid voorbij alles wat wij als menselijk ervaren. Joden, christenen en moslims vinden Abraham een geweldig voorbeeld omdat hij bereid was tot wat deze inderdaad 'smakeloze', 'misplaatste', 'nodeloos provocerende' cartoon toont. Vreemd dat ons tot op vandaag wordt gevraagd rekening te houden met hun ‘religieuze gevoeligheden’. Verdwijnen alle woorden en beelden waarmee wij die gevoeligheden zouden kunnen kwetsen niet in het niets tegenover deze oerscène waarin hun eigen God met een experiment van ongehoorde psychologische wreedheid bij zijn geliefkoosde volgeling testte of deze wel in staat was al zijn gevoeligheden aan de kant te zetten en een soort monsterlijke levende dode te worden? - Maar misschien werkt het altijd zo. Misschien zijn mensen des te 'gevoeliger', dat wil zeggen: maken ze van die gevoeligheid des te meer een punt naarmate ze voelen dat er met die gevoeligheid iets helemaal niet in de haak is en dat anderen dit in de gaten hebben. Ze schamen zich en, zich schamend om die schaamte, beginnen ze van anderen 'respect' te eisen, dat wil zeggen: ze verdragen niet dat deze anderen zich met hun zaken bemoeien.

* De moslim als Über Ich

In Londen besluit de Whitechapel Art Gallery een aantal werken van de surrealist Hans Bellmer niet tentoon te stellen omdat er in de buurt veel moslims wonen. In Duitsland wordt een uitvoering van Mozarts Idomeneo geannuleerd omdat daarin onder meer het afgehakte hoofd van Mohammed te zien is. Onze spontane reactie op dergelijke expliciete gevallen van zelfcensuur, die ons trouwens slechts het topje lijken van een ijsberg van niet toegegeven en onbewuste zelfcensuur, is dat het ontoelaatbaar is ook maar enigszins te buigen onder de druk van 'de moslims'. Hoe gerechtvaardigd die reactie ook lijkt, we laten ons ermee in bezit nemen door het spookbeeld dat juist door die zelfcensuur wordt gecreëerd. Wanneer we onszelf censureren uit zogenaamd respect voor de veronderstelde gevoeligheden van 'de moslim', dan getuigt dit nu juist van gebrek aan respect, nog afgezien van het feit dat we hem hiermee zeker geen respect afdwingen. We verwijderen schilderijen of annuleren een operavoorstelling uit angst. We willen de reactie van 'de moslim' niet afwachten, en daarom sluiten we de kans uit dat hij zal reageren. We neutraliseren hem - waardoor hij natuurlijk juist nog meer een dreigende gestalte aanneemt. Hij groeit nog meer uit tot een imaginaire entiteit, die onbekende, onberekenbare moslim die zich door een onbenulligheid gekwetst kan voelen of in woede kan ontsteken en tot geweld kan overgaan. Hoe meer we hem op veilige afstand willen houden door al bij voorbaat aan zijn wensen te voldoen, hoe meer hij beklemmend nabij komt, in ons hoofd kruipt en daar rondspookt als een hatelijk, intolerant Über Ich, een geest met verschrikkelijk lange tenen. Dit kan bijvoorbeeld de ervaring zijn van de niets vermoedende bezoeker van de Parijse Courbet-retrospectieve die, de zaal betredend waarin onder meer L'origine du monde te zien is, erop wordt geattendeerd dat 'bepaalde kunstwerken de gevoeligheid kunnen kwetsen': hij ergert zich blauw wanneer hij nog maar even stilstaat bij de aard van die gevoeligheid.

Frank Vande Veire

woensdag 31 december 2008

Aan Herman en de rest: politiek is het mooiste vak ter wereld

De Morgen, 30 dec.

Björn Soenens leidt het VRT-journaal en is VS-watcher op radio en tv. Hij vraagt blije politici met groot talent en wilde plannen.

Laken, kwart voor acht, zondagavond. Herman Van Rompuy, 61 jaar, rijdt het kasteel van Laken binnen. Dichtgeknepen oogjes, een ontevreden, verbeten trekje om de mond. Niet blij. Een man geroepen door de plicht. Van Rompuy, straks premier, maar niet van harte. Dat is, eind 2008, politiek in het koninkrijk België volgens Björn Soenens. Hij wil het anders: 'Zoek actief naar een nieuwe generatie politici. Ze mogen oud of jong zijn, maar moeten wel goesting hebben.'

'Elke actie, elk initiatief ter bevordering van het maatschappelijke leven." Dat is de klassieke definitie van politiek. Het is de beschrijving van de weg naar geluk. Maar wie doet nog mee? We krijgen een regeringsleider, Herman Van Rompuy, die er met lange tanden aan begint. Eigenlijk niet wil, geen goesting heeft. Niemand wil nog premier worden. Hoe kan dat nu toch? In de VS voeren ze twee jaar lang strijd om het land te mogen leiden, zelfs in tijden van diepe crisis. En hier? Waarom moeten oudgedienden de zaak redden? Het lijkt wel het einde van de geschiedenis. Niemand wil nog. Is dat niet de schaamte voorbij?

Politiek is wellicht het mooiste vak ter wereld. Samen met de journalistiek, die dat vak mag beschrijven en becommentariëren. De samenleving vorm geven, honderden problemen opsporen en oplossen. Politiek is het leven zelf. Politiek moet oorlogen afwenden, ieders boterham veiligstellen, een verzekering bieden tegen rampen en onheil. Politiek legt wegen aan naar geluk. Politiek is een vorm van filantropie, zou essayist Theodore Dalrymple schrijven.

Ligt het aan ons onderwijs? Gaat het in de lessen weleens over de rauwe schoonheid van politiek? Over rechtvaardigheid, over de verdeling en herverdeling van de rijkdom? Over gelijke kansen, over de troost van een sterke schouder die de zwakkeren ondersteunt? Over dromen van geluk en een beter leven? Of is het portret van de politiek alleen nog een beeld van ruziemakers, postjesjagers en verwende halftalenten op een vierkante kilometer rond het Brusselse Warandepark? Politiek moet de maatschappij verlichten, niet pervers amuseren met achterklap en ruzie tussen ego's.

Nee, politiek moet weer gaan over dat schitterende ongeluk: de georganiseerde botsing van meningen en opinies. Wie wil er nog op een kieslijst gaan staan? Rekruteer politici niet meer op pensenkermissen of burgemeesterbals. Vinden we daar de grote talenten, de expertise, de vakkennis? Ik denk het niet. Zoek actief naar een nieuwe generatie politici. Ze mogen oud of jong zijn. Maar ze moeten wel goesting hebben. Schuim scholen af, schakel headhunters in, informeer bij bedrijven en universiteiten, laat uw netwerken in actie komen, maar laat favoritisme achterwege. Hak de lange armen af. Kijk niet naar rang of stand. Breng al die rookies samen, huur de Heizelpaleizen af. Breng al die verschillende overtuigingen tien dagen lang, of langer, samen: laat ze botsen, these en antithese. Haal ze eruit, de redenaarstalenten, de creatievelingen, en geef ze vervolgens een eerbare plek op een stembiljet.

Laat de media hun werk doen. Kom naar buiten en laat u door volk en journalisten testen. Beantwoord alle mogelijke vragen. Doe zonder angst mee aan programma's à la L'heure de vérité op de Franse televisie: een spervuur van vragen, en ja, het mag ergens over gaan. Informeer de burger. Over het hoe en wat, over het waar en waarom. Wees ambitieus, smijt u! Kweek talenten, kweek ze al van in de lagere school. Voer een vak 'politiek in. Maak van de politiek weer een blije bedoening, geen ver-van-mijn-bedshow, maar het leven zelf: extreem luid en ongelooflijk dichtbij.

Weg met de foertstemmen
Natuurlijk is politiek vaak zeer complex. Maar: leg het uit, politicus. Overstijg het web van intriges. Dat is uw verdomde plicht. U zult het zien, de mensen zullen weer luisteren en kijken. Ze zullen er weer warm van worden. Zien dat politiek weer over hen gaat. Vertel een verhaal, altijd een verhaal. Zoals de oud-Amerikaanse president en founding father John Quincy Adams ooit zei: "Whoever tells the best story wins." Populisme, maar in de juiste betekenis: beroer het volk, schets een project. Geen loze kreten, maar verhalen met inhoud, verhalen die kloppen en controleerbaar zijn. Daarom hebben we Obama's nodig in dit land. Mensen met een verhaal, mensen met ideeën, mensen die warm maken, ontroeren met hun wilde plannen, mensen die het gevoel geven dat keuzes er echt toe doen. Broze en onstuimige geesten. Geesten die ons in beweging brengen, begeesteren. Zoek ze, rekruteer ze.

En als onze systemen en oplossingen versleten zijn, neem dan een wit blad en begin opnieuw. Nu zit de klad erin. De artrose zit al in een vergevorderd stadium. Doe er iets aan. Begin opnieuw. Maak van de komende verkiezingen een feest. Laat alle enthousiastelingen die ons rillingen van opwinding bezorgen, zich aanmelden. Profiel: zij die van politiek hun roeping willen maken en de samenleving vorm willen geven. Laat ze hun missie vertellen. Weg met de antipolitiek, weg met de foertstemmen.

Nieuwe generatie: wees concreet. Vertel hoe u de pensioenen zult betalen, hoe u de sociale zekerheid zult herdenken, hoe de toekomst eruit zal zien, hoe u zult afbreken en heropbouwen. Debatteren op alle fronten is uw opdracht: in het parlement, op de radio, op tv, in krant en weekblad. Schrijf heldere vrije tribunes over uw en andermans beleid, uit uw vrije mening in schitterende speeches, in een duidelijk beleid.

Kies de juiste mensen bij de vorming van een regering, kijk over het muurtje, over de partijgrens heen. Vul uw regering niet per se met verkozen politici. Kies mensen met veel expertise, met de juiste deskundigheid. De juiste m/v met talent. Ook daar kan Obama weer een voorbeeld zijn: de juiste experts op de juiste plaats, een explosie van talent, mensen met naam en faam. Alleen zo brengt u het vertrouwen terug.

Bedrijf geen politique politicienne in duistere achterkamertjes. Doe aan eerlijk en helder bestuur. Straal kracht en optimisme uit. Sluit een New Deal af met uw bevolking. Creëer een emotionele band met uw kiezers. Wees niet bang om te blunderen of de bal eens mis te slaan. U bent mens onder de mensen. Maar geef tenminste uw feilbaarheid toe. Alleen pausen noemen zich onfeilbaar. Maak eenvoudige wetten die iedereen verstaat.

Schaf onduidelijke wetten af. Discussieer vooraf in eigen gelederen en kom dan pas naar buiten met heldere communicatie. Laat uw kiezers niet achter met een kutgevoel: "'t Zijn allemaal ruziestokers en zakkenvullers."

Denk na over de groeiende versnippering. Te veel partijtjes. Slecht voor de helderheid van de boodschap. Maak grote blokken, van traditionele gezinspartijen tot sociaaldemocratische olijfboomcoalities. Zorg dat er een duidelijke keuze is. En binnen die grote blokken: e pluribus unum. Eenheid in verscheidenheid. Grote blokken en duidelijke scores bij verkiezingen zullen het regeren een stuk makkelijker maken en de kiezer minder bedriegen met coalities die hij of zij niet heeft gewild. Het zal de debatten scherper maken en de antipolitiek wellicht een halt toeroepen.

Lanceer al eens een gewaagd idee, want op de rand van de afgrond groeien de mooiste bloemen. Toon dus uw visie, leg ze uit, dag na dag, jaar in jaar uit. U zult zien, het respect voor de politicus zal terugkeren. En houd de zaken alsjeblieft helder. Een politicus die werk maakt van zijn vak moet niet in raden van bestuur gaan zitten van grote bedrijven, of voorzitter willen zijn van een grote bank. Concentreer u op uw hoofdtaak: voer beleid en reis vervolgens rond, leg het uit. Het is tijd. Martin Luther King noemde dat "the fierce urgency of now". Actie is nodig, nu. En denk eraan: wie een krachtig verhaal vertelt, wint altijd. Waar wacht u nog op?

woensdag 3 december 2008

The New York Review of Books (John Maynard Smith)

Volume 42, Number 19

Genes, Memes, & Minds
John Maynard Smith

Darwin's Dangerous Idea: Evolution and the Meanings of Life
by Daniel C. Dennett
Simon and Schuster, 586 pp., $30.00

As an evolutionary biologist, I am used to being misunderstood by philosophers. Even my favorite philosopher, Karl Popper, although he later repented, argued for many years that evolution theory is metaphysics rather than science. It is therefore a pleasure to meet a philosopher who understands what Darwinism is about, and approves of it.

Dennett goes well beyond biology. He sees Darwinism as a corrosive acid, capable of dissolving our earlier belief and forcing a reconsideration of much of sociology and philosophy. Although modestly written, this is not a modest book. Dennett argues that, if we understand Darwin's dangerous idea, we are forced to reject or modify much of our current intellectual baggage—for example, the ideas of Stephen Jay Gould, Noam Chomsky, Jerry Fodor, John Searle, E.O. Wilson, and Roger Penrose. As it happens, he is not the first to see how farreaching are the effects of Darwin's idea. Darwin himself wrote, "He who understands baboon would do more toward metaphysics than Locke." It is a remarkable fact that these words were written in a private notebook when Darwin was still seeking a theory of evolution.

Dennett's central thesis is that evolution by natural selection is an algorithmic process. An algorithm is defined in the OED as "a procedure or set of rules for calculation and problem-solving." The rules must be so simple and precise that it does not matter whether they are carried out by a machine or an intelligent agent; the results will be the same. He emphasizes three features of an algorithmic process. First, "substrate neutrality": arithmetic can be performed with pencil and paper, a calculator made of gear wheels or transistors, or even, as was hilariously demonstrated at an open day at my son's school, jets of water. It is the logic that matters, not the material substrate. Second, mindlessness: each step in the process is so simple that it can be carried out by an idiot or a cogwhell. Third, guaranteed results: whatever it is that an algorithm does, it does every time (although, as Dennett emphasizes, an algorithm can incorporate random processes, and so can generate unpredictable results).

How can it be that such a mindless process can generate such wonderful results? In particular, how can it have produced us? Before Darwin, it was the accepted opinion of both philosophers and biologists that the complex adaptations of living things implied an intelligent designer. The essence of Darwin's dangerous idea is that adaptations can arise by natural selection, without need of intelligence: that is, they can be the products of an algorithmic process. Dennett repeatedly uses the analogy of "cranes" and "skyhooks." These are both devices for lifting things—in evolution, for generating increasingly complex designs—but of very different kinds. A crane is a structure or process which is itself the product of the natural selection of replicating entities, but which, once it has arisen, makes it possible for still more complex structures to evolve.

Two examples will make the point clearer. The first populations of replicating entities lacked sex: that is, there was no way in which different replicators could unite to form a new individual. Once sex did arise, it greatly accelerated the evolutionary process. Sex is, in Dennett's terminology, a crane. Sex did not arise because it would accelerate evolution in the future: natural selection does not have foresight. Indeed, there is still controversy among evolutionary biologists about how and why sex did originate, although I think that a plausible account is now possible.

To give a second example of a crane, many animals learn by experience. The brain is as much a product of natural selection as the liver or the kidney. In the simplest animals it serves mainly to generate fixed responses to external stimuli. Once, however, the connectivity of the neurons in an individual can be modified by experience, an animal will alter its behavior in a useful way as a result of that experience. It is also possible to program a computer so that the strength of the internal connections alter with experience; such computers are surprisingly good at learning. As B.F. Skinner pointed out, trial-and-error learning is an exact analogue of evolution by natural selection. Dennett agrees with Skinner about this, although rejecting much else that he said. The important point is that the brain is, in Dennett's words, a crane. It evolved by natural selection, but, once evolved, it made the evolution of further complexity possible.

Dennett's view of evolution, then, is one of cranes building cranes building cranes, each new crane arising by an essentially mindless process of selection. I fully agree with this view. Indeed, my recent book with Eörs Szathmáry, The Major Transitions in Evolution,[1] is an account of this succession of cranes, starting with the origin of the first replicators and the genetic code, and ending (so far) with the origin of human language. The problem is to explain how each new crane arose by a process of selection, without miracles, or "skyhooks." Skyhooks are a stark contrast. They are mysterious lifting devices, whose origin cannot be explained. It is Dennett's thesis that we must eschew skyhooks and make do with cranes.

In addition to the Darwinian notion of natural selection, there are two other sources of Dennett's view of the world. The first is a set of ideas that includes computing science, artificial intelligence, and cognitive science: it is from here that he acquired his conviction that algorithmic processes can generate mind-like activities. For example, computers, following simple rules, can design railway timetables or play chess, tasks once thought to require the operation of the human mind. The second is the gene's-eye view of evolution pioneered by G.C. Williams and Richard Dawkins. According to this view, evolution is a necessary consequence of the existence of replicating entities; in biology, those entities are genes, but the principle holds for any kind of replicators. I have thought for some time that Dawkins and Williams have made a more fruitful contribution to philosophy than most philosophers, and I am pleased to see this opinion so generously recognized.

Dennett uses one other general idea which, perhaps because of my personal history, I find particularly appealing. This is the idea of "reverse engineering." Usually, engineers start with a function they wish to perform, and design a structure to do the job. Biologists often find themselves confronted by a structure and ask themselves what function it was selected to perform. Harvey's discovery that the heart is a pump was an early triumph of such reverse engineering.

As it happens, engineers occasionally do reverse engineering. In 1945, when I was working in an aircraft design office, the Royal Aircraft Establishment at Farnborough put on an exhibition of recently captured German equipment. A friend and I spent two fascinating days looking at the equipment and asking ourselves, "Why did they do that?" Both the V1 flying bomb and the V2 rocket were on show, and we spent some time trying to figure out how they worked. I seem to remember that the V2 rocket had a gyroscope puzzlingly connected to the fuel supply to the motors; surely, one would think, it should be connected to the guidance system. I leave it as an exercise to any readers who fancy themselves as reverse engineers to work out why, if my memory is correct, it was connected to the fuel supply. Since I became a biologist, I have spent most of my time asking questions like that.

Of course, when thinking about the V2 rocket I was thinking about a product of human design, whereas, a few years later, when I was thinking about the shapes of mammalian teeth, I was asking why mammals were better at chewing, and so left more descendants. But this difference had no effect on the way I thought about the two problems. Indeed, I have become increasingly convinced that there is no way of telling the difference between an evolved organism and an artifact designed by an intelligent being. Thus imagine that the first spacemen to land on Mars are met by an object which appears to have sense organs (eyes, ears) and organs of locomotion (legs, wings). How will they know whether it is an evolved organism, or a robot designed by an evolved organism? Only, I think, by finding out where it came from, and perhaps not even then.

Dennett suggests that criticisms of the neo-Darwinist synthesis come, in the main, from those who are reluctant to believe that they are the product of an algorithmic process and who lust after skyhooks. First among these, he suggests, is Stephen Jay Gould. Gould occupies a rather curious position, particularly on his side of the Atlantic. Because of the excellence of his essays, he has come to be seen by non-biologists as the preeminent evolutionary theorist. In contrast, the evolutionary biologists with whom I have discussed his work tend to see him as a man whose ideas are so confused as to be hardly worth bothering with, but as one who should not be publicly criticized because he is at least on our side against the creationists. All this would not matter, were it not that he is giving non-biologists a largely false picture of the state of evolutionary theory.

There are, Dennett suggests, three main aspects of Gould's thought which reveal a wish to escape from Darwin's algorithmic grip. The first is his critique, with Richard Lewontin, of the "adaptationist paradigm." I have some responsibility for this critique. As organizer of a symposium in London on adaptation, I invited Lewontin, as a well-known critic of naive adaptationist arguments, to contribute. Lewontin, for reasons that, as an exaircraft engineer, I well understand, dislikes flying, and suggested that he write a joint paper with Gould, which Gould would present. The result was the now-famous paper entitled "Spandrels of San Marco." Its thesis is that many structures in the animal world are not adapted for any function, but, like the spandrels of San Marco, are accidental and unselected consequences of something else. Further, they argued, many adaptive explanations are "Just So Stories," unsupported by evidence.

By and large, I think their paper had a healthy effect. There are plenty of bad adaptive stories: we can all laugh at the suggestion that flamingos are pink because it camouflages them against the sunset. Their critique forced us to clean up our act and to provide evidence for our stories. But adaptationism remains the core of biological thinking. Confronted with feathers, or eyes, or ribosomes, we cannot not ask what they are for. It would be no more plausible to suppose that they are accidental and non-selected byproducts of something else than it would be to suppose that the gyroscope in the V2 rocket was connected as it was because some German fitter made a mistake.

I cannot resist being autobiographical. My own first scientific papers, written while I was turning myself from an engineer into a biologist, concerned animal mechanics. Why do primitive flying animals have long tails? Why is the jaw articulation in carnivores level with the tooth row, but in most herbivores above it? Why are the gaits of mammals as they are? Back in 1950, it was hard to get such papers accepted for publication. Editors did not like functional explanations. I had particular difficulties with my paper on gaits, which may have been the first genuine "optimization" paper in biology. To find the optimal gait, the one that would minimize energy expenditure at a given speed, I wrote down a differential equation: (dw/dj=o). The editor, offended by this attempt to sully a respectable biological journal with mathematics, asked "Why don't you cancel the d's?" I fear that this story will amuse only some readers, but I want to get it on record.

Since those early days, I have spent much time studying structures and processes which might be thought to raise difficulties for an adaptive view of life—for example, aging, sex, ritualized behavior. As Theodosius Dobzhansky put it, none of these processes makes any sense except in the light of evolution. Essentially Dennett is right: if there are philosophers out there who think that biology can do without functional explanation, they are just wrong.

Two other Gouldian themes, punctuated equilibria, and the non-repeatability of evolution, can be dealt with more briefly. The tale of punctuated equilibria is an odd one. Its factual basis, commonly reported by paleontologists, is that lineages often change very little for millions of years, and then change rather rapidly. When the idea was first put forward by Gould and Niles Eldredge, it was presented as just what one would expect to see if the orthodox view, that species often arise by rapid evolution in small peripheral populations, is indeed accurate. If only they had left the argument there! Their paper would then have been seen as a useful extension of the picture given in Tempo and Mode in Evolution by George Gaylord Simpson, which was the Darwinian orthodoxy when I was a student. Sometimes, however, Gould appears to be saying that the changes, when they occurred, were not the result of natural selection, but of some other process—genetic revolutions, "hopeful monsters" (large mutational changes), or what you will. Since "sudden" in the fossil record means thousands of generations, there is no reason whatever for supposing any such thing.

The non-repeatability of evolution—the idea that if evolution were to happen again from the same starting point, it would not repeat itself—is true, but not new: it is what most scientists have always thought. But what, Dennett asks, is the significance of these various reservations—anti-adaptationism, punctuated equilibria, non-repeatability? The answer, he suggests, is that Gould is trying to escape from an algorithmic explanation of life. Dennett may be right.

The natural selection of replicators—essentially, of nucleic acid molecules—may explain the evolution of animals and plants, but what about humans? We, surely, are more than the product of our genes. Indeed we are, admits Dennett, but it does not follow that we are anything other than the products of an algorithmic process. At this point, he embraces Dawkins's notion of a meme. A meme can be anything from the limerick about the young man of Belgrave (mutated in the US, I'm told, to a young fellow called Dave) to the doctrine of the Trinity. A meme is an idea that can lodge in a person's mind, and can be transmitted, in print or by word of mouth, to other minds. In other words, it is a replicator. What is peculiar about humans is that they can hold ideas in their heads, and transmit them to others: they provide an environment in which a new kind of replicator, memes, can evolve. The human mind is another example of a crane. It evolved by natural selection, without need for an intelligent designer. Once evolved, however, it provides a medium in which a new kind of evolution by natural selection can occur, involving a new kind of replicator, the meme.

My uneasiness with the notion of memes arises because we do not know the rules whereby they are transmitted. A science of population genetics is possible because the laws of transmission—Mendel's laws—are known. Dennett would agree that no comparable science of memetics is as yet possible. His point is a philosophical rather than a scientific one. We see humans as the joint products of their genes and their memes—indeed, what else could they possibly be?—even if we have no predictive science of meme change. Once a human mind capable of harboring memes evolved, a new kind of evolution, cultural evolution, became possible, more rapid by far than genetic evolution.

What is needed for the harboring and transmission of memes? Essentially, it is language. The past thirty years has seen a debate on the nature of language. For Skinner, the ability to learn a language was just an aspect of our general learning ability. For Chomsky and his students, it is a special faculty, both in the sense of being peculiar to humans and of being peculiar to language. Dennett accepts, and I agree, that this argument has been won by Chomsky: there is indeed a special "language organ" that enables children to learn to talk. I see Chomsky, and I think Dennett would agree, as one of the half-dozen commanding intellects of this century.

I therefore find Chomsky's views on evolution completely baffling. If the ability to learn a language is innate, it is genetically programmed, and must have evolved. But Chomsky refuses to think about how this might have happened. For example, in 1988 he wrote, "In the case of such systems as language or wings, it is not easy even to imagine a course of selection that might have given rise to them." This is typical of his remarks on evolution. There is, in fact, no difficulty in imagining how wings might have evolved. Language is difficult because it leaves no fossils; it has evolved just once (unlike wings, which have evolved at least four times); and there is an enormous gap between the best that apes, whales, or parrots can do and what almost all humans can do.

Happily, some Chomskian linguists, notably Steven Pinker, are taking up the challenge.[2] It is not hard to think of functional intermediates between ape language and human language, but it is hard to decide what were the actual intermediates. Perhaps more interestingly, new kinds of organs—and the language organ is certainly new—do not usually arise from nothing, but as modifications of preexisting organs with different functions. Teeth are modified scales, legs are modified fins, and, after complex transformations, ears are modified parts of the lateral line organs of fish. What was the language organ doing before it acquired its present function?

The question may not be unanswerable. The best chance may lie in genetic analysis. The Canadian linguist Myrna Gopnik has identified one human gene which, if mutated, causes a limited but specific deficiency in grammatical competence.[3] There is a real chance that genetic analysis will, in time, reveal the nature and origin of the human language organ, just as it is already revealing how animal form appears during embryological development.

Why does Chomsky not wish to think about evolution? Dennett, who is as puzzled as I am, has an interesting idea. Chomsky, he suggests, would readily accept an explanation of linguistic competence in terms of some general physical law, but not in terms of messy, ad hoc, contingent engineering design, which is the best that natural selection can do. If so, he is not alone in his taste for general, elegant explanations. My friend Brian Goodwin, the developmental biologist, cannot bear the idea that the explanation for development may be a series of ad hoc contrivances, and another friend, the Japanese evolution theorist Motoo Kimura, sadly now dead, once rejected an idea of mine with the words, "It is possible, but it would be so inelegant." But I fear that the world is inelegant. There is a lesson which Chomsky's students, if not the great man himself, will have to learn. Science is a unity. Biology cannot ignore chemistry, much as I wish it could; for the same reason, linguistics cannot ignore biology.

One last point before leaving language. In 1989, Pinker and his student Paul Bloom presented a paper at MIT entitled "Natural Language and Natural Selection," which argued that the origin of the language organ, like that of other organs, must be explained in Darwinian terms. Dennett tells us that it was the "level of hostility and ignorance about evolution that was unabashedly expressed by eminent cognitive scientists on that occasion" that persuaded him that he could no longer put off writing the present book. I am delighted that he was provoked.

Dennett is critical of sociobiology, or at least of its application to humans. He accuses it of "greedy reductionism," of trying to reduce human behavior too directly to biology. Our behavior is affected by memes as well as by genes, and the attempt to explain it, as biologists explain much of animal behavior, as a direct adaptation ensuring gene transmission is therefore unjustified. However, he is more sympathetic to the new wave of sociobiology represented by evolutionary psychology. The most interesting claim made by evolutionary psychologists is that the mind contains specialized modules that evolved to perform particular tasks.

This is obviously true of that part of the brain concerned with analyzing visual input, and, if Chomsky is right, it is true of language. It has been proposed that there are also modules concerned, for example, with the detection of cheating and with the identification and classification of living organisms. Of course, even if there are such modules, they cannot be completely isolated. In science, as in other fields, progress often depends on seeing analogies between apparently different processes. For example, my own main contribution has been to see the analogies between human games and the things that spiders, trees, and even viruses do. This would not be possible if the mind consisted of isolated modules. Although he is attracted by the notion of modularity, Dennett warns that the mere fact that humans in different societies behave in similar ways cannot be taken as evidence of genetic determination. People may simply be doing what any intelligent being would do in the circumstances: making a forced move in design space, to use his terminology.

A potentially serious challenge to his position is posed by an argument, put forward by Roger Penrose and others, that Gödel's theorem can be used to show that human intelligence cannot be algorithmic. The argument goes as follows—Gödel proved that there exist, within any non-contradictory mathematical system, some true statements that cannot be proved. Yet human mathematicians can intuit the truth of some such statements. Since anything that can be proved can, in principle, be proved algorithmically, it follows that humans can do something that algorithms cannot. Dennett replies that, although there is no algorithm that can prove a given statement to be true, there may well be algorithms that can suggest statements that are very probably true. Humans, perhaps, use algorithms of the latter kind. Their intuited mathematical truths may just be very good guesses. By analogy, a computer programmed to play chess cannot, with certainty, find the best possible move, but it does find very good moves. Dennett's argument on this point should be read with care. I am not sure I have understood it correctly, but I like it, partly because I cannot see what else human intelligence could be, other than algorithmic, and partly, perhaps, because while I am rather good at having mathematical intuitions, I have learned that they are sometimes wrong.

Dennett's last topic is the evolution of morality. Here it is important to distinguish two questions: "How could humans come to have a sense of right and wrong?" and "What is right and what is wrong?" I do not think the first question is all that difficult. I would expect any intelligent organism that lives in groups to evolve an ability to hold beliefs about right behavior, and to be influenced in those beliefs by myth and ritual. We do not only have beliefs: we make contracts. It is worth asking what cognitive equipment is needed to make a contract. At the very least, it requires language and a "theory of mind": that is, we must be able to perceive other people as beings like ourselves, with minds like ours. Both these qualities are probably unique to humans.

But is there any way in which we can decide, with certainty, which actions are right? Dennett's view, which I share, is that there is not, unless you hold that some book, for example the Bible, is the word of God, and that human beings are here to do God's bidding. If a person is simply the product of his or her genetic makeup and environmental history, including all the ideas that he or she has assimilated, there is simply no source whence absolute morality could come. Of course, this does not exempt us from making moral judgments: it only means that we cannot be sure that we are right.

At the start of his book, Dennett says that he aims to persuade us not only that the world is free of skyhooks, but that we can live happily in such a world. In the last two chapters, he tries to deliver on this second promise. He is surprisingly successful. In essence, he says that, no matter how mindless the processes of evolution may be, they have, in fact, produced a world of astonishing diversity and beauty, which we can enjoy, and ought to protect. It is a conclusion that echoes the final words of the The Origin of Species: "...from so simple a beginning, endless forms most beautiful and most wonderful have been, and are being evolved."

Notes

[1] W.H. Freeman, 1995.

[2] See Pinker's The Language Instinct: How the Mind Creates Language (HarperCollins, 1994), reviewed in these pages, March 23, 1995.

[3] Myrna Gopnik, "Impairment of Tense in a Familial Language Disorder," Journal of Neurolinguistics, No. 8 (1994), pp. 109–133.

maandag 1 december 2008

Knack wordt een boekske

DS. 28 november
Knack wordt een boekske

PETER VANDERMEERSCH

'Leve de (zelf)kritische media!', kopt het weekblad Knack deze week op bladzijde 36. Geweldig, dacht ik in een eerste opwelling. Even hoopte ik zelfs dat bij Knack de waanzin van een week eerder was verdwenen. Dat de redactie van dit blad (dat enkel nog de naam heeft een eerbiedwaardig opinieblad te zijn) na ongeveer een halve minuut te hebben nagedacht, een kritische zelfanalyse zou maken over haar riooljournalistiek van een week eerder. Ik ken in de Vlaamse persgeschiedenis namelijk geen ander voorbeeld van een redactie die al dan niet vervalste e-mails uit een vechtscheiding over haar pagina's heeft uitgesmeerd.

Maar dat valt dus tegen. Knack heeft het namelijk niet over zichzelf. Terwijl het blad op bladzijde 24 zomaar even drie rechten van antwoord moet publiceren, vraagt het op bladzijde 36 professor Leo Neels, om de les te lezen aan... Humo.

'De taak die de media hebben als kritische waakhond van de democratie, rechtvaardigt niet de standrechtelijke executie waartoe zij al te graag overgaan', schrijft Neels. 'Zou het te veel gevraagd zijn dat redacties zich eens opnieuw zouden bezinnen over hun kerntaak?' Een meer dan terechte opmerking en een meer dan terechte vraag van de professor mediarecht. Hopelijk leest de redactie van Knack haar eigen blad. Want op blz. 24 en 36 staan er deze week dus wél belangwekkende zaken.

Ik heb geaarzeld of ik mij in het debat zou mengen. Want natuurlijk is er een grijze zone. Ook deze krant is er soms al diep in doorgedrongen. Te diep zelfs. Een zwarte bladzijde in onze annalen is, twaalf jaar geleden, de nauwelijks verholen beschuldiging van pedofilie aan het adres van Elio di Rupo. Een kleine tien jaar geleden gingen we te ver in de suggestie dat toenmalig CD&V-voorzitter Stefaan De Clerck een buitenechtelijke relatie zou hebben gehad. En er zullen ongetwijfeld nog voorbeelden te vinden zijn van privéaangelegenheden die te makkelijk deze krant haalden.

Over de schone relaties tussen bijvoorbeeld Patrick Dewael en Greet Opdebeeck, tussen Open VLD'er Rik Daems en PS'er Sofie Pécriaux en tussen Wilfried Martens en Miet Smet berichtten we ook in deze krant uitvoerig. Terecht zo denken we nog steeds. Vele andere al dan niet vermeende relaties van politici haalden, bij gebrek aan maatschappelijke relevantie, nooit ofte nimmer de krant.

Want dat is het kernbegrip: maatschappelijke relevantie. Wat heeft Knack bewezen met de publicatie van de 'eindelijk opgedoken en veel besproken liefdesmails' - er is ernstige twijfel over de authenticiteit- van Marie-Rose Morel en Frank Vanhecke? Niks. Of toch: Dat zij 'hem graag ziet op een gevaarlijke manier' en dat hij 'haar de mooiste vrouw vindt die hij ooit heeft mogen ontmoeten'. En dat Morel ook wel eens mailde met, hou u vast, een journalist van Gazet van Antwerpen.

Het was gênant hoe de hoofdredacteur van Knack zich eerder deze week bij Phara in pijnlijke bochten moest wringen om de publicatie te rechtvaardigen. Dat deze mails bewezen dat het Blok/Belang een partij was zoals een andere waar zich ambitie, discussie en onenigheid voordoen, beweerde de man zonder verpinken. Dat hij dat met een uitgestreken gezicht kon te berde brengen toont dat hij een groot acteur is. Heeft deze 'coryfee' van de Vlaamse journalistiek de jongste jaren De Standaard of De Morgen niet gelezen?

Dus, ja, ik kan me vinden in de petitie van de mensen die woensdag op deze pagina's opriepen om geen irrelevante privécorrespondentie in de media te grabbel te gooien. Wel vind ik het ronduit dom dat ze uithalen naar Dirk Draulans als 'bioloog', alsof een bioloog geen geweldig stuk over politiek zou kunnen schrijven. En, neen, ik ben het grondig oneens met Thomas Siffer, hoofdredacteur van Story, die hier gisteren beweerde dat Knack de mails wel degelijk moest publiceren. Siffer verwart relevant met smeuïg.

'Waar gaan we naartoe', zuchtte Phara de Aguirre maandagavond, als afsluiter van een gesprek met de hoofdredacteuren van Knack en Story. Het antwoord werd eerder in haar uitzending gegeven door Siffer zelf. 'Story wordt meer en meer een blad. Knack meer en meer een boekske.'