donderdag 18 september 2008

Tom Naegels interviewt Dyab Abou Jahjah

.
De Standaard, zaterdag 13 september 2008

'Het gaat over wat toen écht is gebeurd'

Het was een merkwaardig zicht [bedoeld wordt "gezicht"; noot van victacausa], maandagochtend in zaal 15 van het Antwerpse hof van beroep. Drie Vlaamse rechters die zes jaar na de feiten, op basis van pv's en enkele televisiebeelden, zicht moeten krijgen op de chaotische gebeurtenissen van november 2002, toen Antwerpen even in brand stond na de moord op Mohamed Achrak. Beter: ze moeten een oordeel vellen over de schuld van Dyab Abou Jahjah en Ahmed Azzuz, destijds de nummers een en twee van de Arabisch-Europese Liga.
Dat de tijd voor duidelijkheid zorgt, lijkt in deze zaak niet op te gaan. Of toch: voor een steeds groeiende groep mensen, waaronder ook ik, is het vrij duidelijk dat de aanklacht tegen Abou Jahjah en Azzuz op bijzonder weinig en op erg betwistbare bewijsstukken gebaseerd is. Tenzij ik me geweldig in de luren laat leggen, lijkt dit proces de laatste uitloper van de merkwaardige hetze die in 2002-2003 tegen de Arabisch-Europese Liga en haar voorzitter gevoerd werd, een beschamende periode voor de Vlaamse politiek en journalistiek, toen zelfs de wildste geruchten voor waar aangenomen werden, en door burgemeesters, premiers en hoofdredacteurs verspreid.
Dat wordt nu vrij algemeen erkend, al heeft niemand van de betrokkenen ooit zijn eigen fouten toegegeven. Abou Jahjah is er gerust op dat ook de rechters zullen besluiten dat zelfs deze laatste klacht - de laatste uit een dossier van 4.000 bladzijden - ongegrond is. En dan is het zijn beurt.

Een van de dingen die ik niet begrijp, is waarom ze jullie vervolgen voor de rellen van november 2002, maar niet voor die van april van dat jaar. Die waren niet alleen heviger, ze ontstonden ook in de nasleep van een niet-aangevraagde betoging die door de AEL was georganiseerd. Daar zou je nog kunnen redeneren: het is door Abou Jahjah dat die jongeren zich massaal op die plaats bevonden, dat ze opgehitst waren, en dat ze uiteindelijk tot vandalisme zijn overgegaan.

'Toen was de politieke liquidatiebeslissing nog niet genomen. Koen Dassen, destijds kabinetschef van minister van Binnenlandse Zaken Antoine Duquesne, heeft toen zelfs gezegd dat de AEL-ordedienst een pluim verdiende. Terecht, trouwens: onze mensen hebben gevochten om de politie en onze betogers uit elkaar te houden. Maar je hebt gelijk: op 3 april 2002 zijn er echte rellen geweest - ná de betoging, dus zeker niet op ons aansporen.'
'In november kwamen mensen spontaan op straat om hun woede te uiten, nadat Mohamed Achrak was doodgeschoten. Ze waren daar lang voor ik of Ahmed Azzuz ter plekke waren. Ze hebben dat ook gedaan op dagen dat hij noch ik opgedaagd zijn. Maar toen stond de AEL wel op de hitlist van het establishment. De burgerpatrouilles, waarmee we politieracisme aanklaagden, waren de druppel. Brice De Ruyver heeft toen letterlijk gezegd dat wij uitgeschakeld moesten worden.'

Als het de bedoeling was om jullie klein te krijgen, is het momentum daarvoor dan niet voorbij? Zelfs tegenstanders van toen geven nu toe dat er destijds hysterisch over jullie werd gesproken.

'Maar men is erin geslaagd is om onze invloed en onze groei in te perken. Je moet de campagne tegen de AEL niet alleen juridisch bekijken. Er is in de pers geschreven dat wij geld witwasten, dat we geld kregen van Al Qaeda, dat ik wapens verborg in mijn flat, dat wij bewust rellen hebben uitgelokt om van Borgerhout een no-go area te maken. Onze telefoons werden afgetapt, onze e-mails gelezen, we werden gevolgd door de staatsveiligheid - toen ik je destijds sprak, leek dat nog paranoïde, maar ondertussen heb ik mijn dossier kunnen inkijken en dat gebeurde allemaal écht.'
'Dat heeft een enorme impact gehad op onze persoonlijke levens, en op het imago van onze beweging. Zelfs in onze eigen gemeenschap geloven veel mensen dat wij relschoppers zijn. Dus ik denk niet dat ze mislukt zijn in hun opzet. Het protest van een paar intellectuelen, zelfs de schaamte van een handvol politici en journalisten die destijds hebben meegedaan aan de demonisering, dat begint zelfs nog niet met de schade recht te zetten.'
'Als we binnenkort worden vrijgesproken - en dat zal gebeuren - dan zullen wij die mensen voor de rechter slepen. Antoine Duquesnne, Brice De Ruyver, zij zullen zich moeten verantwoorden voor hun uitspraken. Dat is een principiële kwestie voor ons: het gaat om een normalisering van de verhoudingen.'
'Daarnaast willen we het debat heropenen over wat er destijds écht gebeurd is. Er zijn nu wat brokken aan het vallen, maar veel ervan blijft nog achter de muur verborgen. Lamine heeft nu getuigd dat ik die bewuste avond redelijk was, dat ik met hem onderhandelde om de jongeren af te leiden naar de moskee, en dat ik hem niet heb gesmaad. Zijn geweten spreekt, dat waardeer ik. Maar hij spreekt bewust niet over wat er verder in die week is gebeurd. Bart De Bie schrijft op zijn weblog dat Luc Lamine zélf toelating heeft gegeven om de “matrakkenkermis, te openen, om elke Marokkaan die in Borgerhout rondliep, neer te meppen en op te pakken.'

De Bie heeft er natuurlijk belang bij om zo'n verhaal de wereld in te sturen.

'Hij is misschien niet de meest objectieve bron, maar die matrakkenkermis is er geweest. We hebben getuigenissen genoeg, van Marokkanen én van Vlamingen, over kinderen die door de politie uit de tram werden gesleurd, soms zelfs uit de auto van hun ouders geplukt. Je gaat me toch niet vertellen dat de korpschef van de politie daar niet van op de hoogte was? Hij hoeft dus niet te denken dat hij ervan afkomt door één positieve verklaring over ons af te leggen, over één specifieke avond. Nee: de politie is zwaar in de fout gegaan, en iemand moet zich daarvoor verantwoorden.'

Toen die rellen begonnen, wist u toen al niet: dit is een politieke ramp?

'Op dat moment dacht ik eerlijk gezegd niet aan de politieke repercussies. Ik was drie jaar lang de voetbaltrainer geweest van de jongste broer van Mohamed Achrak. Zijn dood raakte mij emotioneel.'
'Achteraf zie je wel dat die periode gebruikt wordt door politici om mee te scoren. Je moet je in de politiek altijd afvragen: wie wint erbij? Er bestaan situaties waarin het zinvol is om rel te schoppen - denk aan Leuven Vlaams, toen een paar woelige betogingen het laatste zetje gaven dat nodig was om het unitaire België te laten kraken. Maar als je zwak staat zoals wij, dan is zo'n strategie zinloos. Daarom hebben we ook alles gedaan om rellen te beletten. Als wij rellen hadden gewild, dan waren ze van een totaal andere orde geweest dan je nu hebt gezien.'
'Laat ik je een anekdote vertellen. Toen ik in de gevangenis zat, deed het parket me een voorstel: ze zouden zich niet verzetten tegen mijn vrijlating als ik drie maanden lang niet aan politiek zou doen. Alles in mij wilde dat weigeren. Maar ik kreeg boodschappen van de AEL dat onze achterban niet meer te houden was. Ze waren honderden molotovcocktails aan het maken. De basis had de leiding van de AEL een ultimatum gesteld: als ik die dinsdag niet vrij zou komen, dan zouden er gewonden of doden vallen. En de AEL zei: je moét dat compromis aanvaarden, anders wordt het een catastrofe.'
'En ik heb het aanvaard. Moreel, omdat ik er niet verantwoordelijk voor wil zijn dat mensen gewond zouden kunnen raken. Maar ook strategisch, omdat zo'n grootschalige oproer politieke zelfmoord was geweest. Was dat gebeurd, dan had onze gemeenschap een kruis kunnen zetten over haar emancipatie. We hadden meer dan dertig jaar moeten zwijgen over onze rechten, zo lang zouden zulke rellen in het collectieve bewustzijn gegrift blijven.'

Vindt u het erg dat de AEL weggedeemsterd is?

'Dat zijn we niet. Ons ledenaantal is ongeveer hetzelfde als destijds, en we groeien weer aan. We opereren ook vaak onder andere namen. Baas Op Eigen Hoofd (BOEH), dat van leer trok tegen diverse hoofddoekenverboden, wordt bijvoorbeeld getrokken door vrouwen die lid zijn of waren van AEL.'

Uw vertrek naar Libanon heeft de Liga toch veel zichtbaarheid gekost. Vindt u zelf niet dat u te snel bent weggegaan?

'Dat was een persoonlijke beslissing. Ik heb mijn engagement hier altijd gezien als een tijdelijke fase in mijn leven. Altijd, als tegenstanders in debatten tegen me zeiden: “Maar ga dan terug naar Libanon, als je echt iets wilt betekenen voor het Midden-Oosten,, dacht ik: wees gerust, ik ga, maar nu nog niet. Je bent de eerste niet en je zult ook niet de laatste zijn die zegt dat ik had moeten blijven. Maar ik weet dat de AEL in goede handen is. Geef ons nog een paar jaar. We hebben evenveel leden als in 2003. En veel leden van toen, die ons destijds teleurgesteld de rug hebben toegekeerd, keren terug. Ze zijn nu rijper, ouder, verstandiger.,
Onlangs verscheen er in De Standaard en De Morgen het opgemerkte stuk 'Wij zijn de AEL-generatie', waarin een groep jonge mensen, ondertussen in verantwoordelijke functies op de universiteit, in de politiek of bij de televisie, beschrijven hoe belangrijk de AEL geweest is voor hun politieke bewustwording.
'Dat zijn leden die een stap verder gedaan hebben. Wie toen nog bezig was aan zijn doctoraat, heeft nu een contract bij de universiteit. Wie toen journalistiek studeerde, werkt nu op een redactie. Ze staan steviger in hun schoenen, waardoor het makkelijker is om te tonen dat ze achter ons staan. De verontwaardiging over dit proces speelt daar ook een rol in. Het is nooit eenvoudig geweest voor onze leden om uit te komen voor hun lidmaatschap, zeker niet voor mensen met ambitie, die een carrière nastreven.'
'Herinner je je de kerel die destijds de meest woelige, de meest rellerige was van allemaal? Hij die tijdens een debat in Het Zuiderpershuis een dreigend gebaar maakte naar een meisje in de zaal dat een kritische vraag stelde? Dat is nu een papa van een dochtertje. Hij heeft een vaste baan, en nu keert hij terug naar de AEL. Andere jongens, die toen zestien waren, zitten nu op de universiteit. Ze zijn politiek gevormd door de AEL, waardoor ze intellectueel sterker in hun schoenen staan dan anderen.'

De jonge leeftijd van de AEL-militanten vond ik destijds het grootste probleem. Ze waren te onervaren, te impulsief, te agressief soms om een beweging te trekken met zo'n symboolgehalte.

'Het is een jonge gemeenschap. Denk je dat je die baardmannen van de moskeeverenigingen warm lopen voor een emancipatiebeweging? Zij zijn het grootste blok aan het been van onze gemeenschap, na het Belgische racisme. Zij zijn tégen emancipatie. De AEL is een beweging die het moest hebben van de tweede generatie. En die is jong: tieners, twintigers. Met alles wat daarbij hoort.'
'De moskeeën hebben altijd tegen ons gepreekt. Ze gebruikten daarvoor de meest anti-emancipatorische, dogmatische lijnen van de islam. En ze werden daarin gesteund door het Antwerpse stadsbestuur, dat liever conservatieve geestelijken subsidieert en op het stadhuis uitnodigt, dan dat het een seculiere emancipatiebeweging ruimte geeft. Is het niet vreemd dat de Belgische politiek eerder kiest voor het wereldbeeld en de prioriteiten van de eerste generatie - de vaders, de imams, de oude conservatieven die in elke raad en in elk officieel orgaan uitgenodigd worden - terwijl ze toch verder zullen moeten met de tweede?'

Men vermoedt dat de tweede generatie radicaler is, zowel politiek als religieus. Men ziet de ouderen als gematigd.

'Ze zijn ook radicaler, niet zozeer religieus maar vooral politiek. Omdat ze vertrekken vanuit het besef van burgerschap: wij zijn hier geboren. De vaders en de imams lopen rond met een mentaliteit van gast: het is hun land, we moeten tevreden zijn dat we hier mogen zijn. Als het mijn land is, als ik een burger van dit land ben, dan aanvaard ik niet dat ik als tweederangsburger wordt behandeld.'

Er loopt toch een behoorlijk aantal religieus radicalen rond onder de tweede generatie?

'Heel zeker. De salafisten zijn force number one in onze gemeenschap. Vroeger hadden wij een grotere aanhang, maar het feit dat men de AEL heeft onderdrukt, heeft de hunne doen stijgen. Ik zie veel jongeren die vroeger bij de AEL waren, nu met geschoren hoofd en een baard tot hier rondlopen. Jongeren die na het neerslaan van de AEL benaderd worden door een Saoedische moskee in Brussel, waar ze lessen volgen, waarna je hun kleding ziet veranderen - en plotseling hebben ze hun eigen organisatie opgericht, die zelf mensen tracht te bekeren.'
'Het salafisme heeft een gevaarlijke variant en een dociele variant, die alleen gevaarlijk is omdat hij sectair is. Dat laatste is een fundamentalisme dat vergelijkbaar is met dat van de getuigen van Jehovah, of het orthodoxe jodendom: het haalt mensen uit de maatschappij, creëert een parallelle werkelijkheid, maar het is geen gevaar voor de veiligheid. Maar de stap naar het jihadistische salafisme is niet zo groot. Het is dezelfde mentale structuur, de analyse en de visie is dezelfde, er is alleen een verschil in visie op wat je het beste doet: mensen bekeren, of een zwaard nemen.'
'Ik hoop dat het een voorbijgaande fase is, al heb ik weinig hoop met de huidige internationale context. Maar de basis voor een democratische, seculiere emancipatiebeweging die vertrekt vanuit het burgerschapsprincipe is er ook nog altijd. Geef ons nog een paar jaar, en dan heeft de AEL zich herpakt. De komende jaren zijn voor ons cruciaal: als we de brug kunnen maken naar een volgende generatie, dan gaat de AEL het nog beter doen. Ik reken zelf twee à drie jaar. Ik ben hoopvol. En als dat niet lukt, dan zal er een nieuwe beweging komen waar de AEL aan de basis ligt. Andere naam, zelfde strijd. En hopelijk is men er tegen dan meer aan gewend.
.

zaterdag 30 augustus 2008

Geert van Istendael over de hoofddoek

.

Het masker van de dwang
Geert van Istendael

Vandaag verschijnt de essaybundel 'De islam in Europa: dialoog of crash' waarin Johan Sanctorum acht essays samenbrengt over de botsing van waarden tussen de islam en de westerse moderniteit. Geert van Istendael buigt zich over de hoofddoek. Hij bekijkt de kwestie door de bril van een ex-gelovige.
.
Ik ben opgevoed in een volkoren katholieke omgeving. Niet alleen het gezin was uitgesproken rooms, ook de straat was zo, de buurt was zo, de school was zo. Zelfs met een krachtige verrekijker kon je nergens aan de einder een andersdenkende bespeuren. Heverlee, Boskant, jaren vijftig, begin jaren zestig. ACW, Boerenbond. Wie kent vandaag nog de sociologie van dat verdwenen Vlaanderen?
Voor ons waren andersdenkenden per definitie slechte mensen. Ha ja, zo luidde de redenering, dat leefde maar raak, dat kon zich alles permitteren wat het maar wilde, immers, de straffende God die ons in toom hield, bestond voor zo'n slag mensen niet. En áls ze toevallig in God geloofden, zoals de ketterse protestanten, dan wilden ze niet luisteren naar de paus. Ze dwaalden, de sukkels, hopeloos verloren ze zich in hun dolingen. Bitter, bitter zouden ze het zich berouwen. Branden in de hel, dat was het vreselijke lot dat hun wachtte, in de diepste krochten van de hel. En omdat er geen andersdenkenden voorradig waren, sprak niemand ons tegen.
Voor mijn zesde levensjaar had ik wél een glimp opgevangen van de boze, tegen beter weten in koppig niet-katholieke wereld. We waren naar Utrecht verhuisd, vanwege het werk van mijn vader. Onze buren aan de ene kant waren protestants, die aan de andere kant geloofden helemaal niets. Maar zie, mijn lieve, vrome, roomse moeder kon het met beide kanten opperbest vinden en geen haar op haar hoofd zou eraan hebben gedacht me te verbieden met de calvinistische en heidense kinderen uit de buurt te spelen. Ik was dan ook pijnlijk verrast toen mijn vriendje Gertje plots naar de kleuterschool met de Bijbel ging, terwijl ik achter de wijde rokken van eerwaarde zuster Ambrosina aandribbelde. De eerste barst sprong in mijn wereldbeeld. Ik was vier jaar. Misschien komt het daardoor dat ik later, teruggekeerd in België, de pastoors die sermoenen afstaken over satanische protestanten, nooit heb kunnen geloven. Ik mocht mijzelf, hoe jong ook, een ervaringsdeskundige noemen, zij moesten hun mond houden. In werkelijkheid geschiedde precies het omgekeerde. Ik zweeg, zij kraamden onbekommerd hun hatelijke onzin uit.
Ik ga zo uitgebreid in op mijn persoonlijke geschiedenis om duidelijk te maken dat ik maar al te goed weet welk arsenaal aan methodes een wereldgodsdienst gebruikt om zijn gelovigen in het gareel te houden. 'Nourri dans le sérail, j'en connais les détours', volgens het woord van Racine, of, op zijn plat Brabants gezegd, maar eigenlijk hetzelfde: 'Ge moet nen ouwen aap geen smoelen leren trekken.' Als ik dus jonge islamitische vrouwen hoor zeggen dat ze in volle vrijheid ervoor kiezen om de sluier te dragen, dan weet ik niet of ik in vreugdeloos geschater moet uitbarsten dan wel het vergrijsde hoofd moet schudden. Mijn god, ik herken het zo goed. Dat stijfkoppige ontkennen van de dwang. Die tomeloze verontwaardiging als iemand anders de dwang pijnlijk nauwkeurig aanwijst en zichtbaar maakt. Die illusie van vrijheid. Dat zelfbedrog. Dat door en door valse bewustzijn. Ik zou nu kunnen zeggen, met de woorden van het Lucasevangelie (23:34) 'vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen', maar nee, ik wil niet mild zijn. De dwingelandij mag niet terugkomen. Nooit. Ze is terug, de dwingelandij. Ik zie ze dagelijks op straat, in de metro, in winkels - maar nu van een andere godsdienst.
Macht puren uit angst. Dat doen die twee wereldgodsdiensten en daar walg ik van. Ze puren macht uit de existentiële angst waar ieder mens mee leeft, mee leven moet, uit de bange vragen die je bekruipen op een regenachtige avond aan zee. Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naartoe? Waarom ben ik op aarde? Wat ligt achter de donkere poort waar iedereen, ook ik, ooit door moet?
Ik heb in mijn jonge jaren meer sluiers gezien dan er vandaag in de straten van Brussel te tellen zijn. Veel meer. Van zuster Ambrosina tot mijn tante non. En al haar medezusters in hun donkere, neogotische klooster. En van honderden andere nonnen, elke dag opnieuw, op stadspleinen en dorpspleinen, in stations, scholen, kerken, parken, thuis. Daar waren wilde exemplaren bij. Witte kappen met hoog opstekende punten. Blauwe treurdoeken. Zwarte huiven, zo wijd als volwassen tenten. Alleen, wij vonden die niet vreemd, niets daarvan vonden wij vreemd, evenmin als wij de mannen vreemd vonden die, gehuld in jurken, eveneens zwart, ons de onwankelbare waarheden voorhielden van ons rotsvaste geloof. Of kaalgeschoren kerels in ruwe, bruine gewaden, bijeengebonden met een wit touw. Of volwassen mannen die verwijfd goudbrokaat over hun massieve schouders drapeerden, zomaar in de openlucht.
Na Vaticanum II, dus in de jaren zestig van de twintigste eeuw, werd het straatbeeld drastisch gerationaliseerd. De priesterjurken werden verknipt tot pakken. En duizenden nonnen rukten zich de kap van het hoofd. De nonnen waren niet weinig opgelucht. Duizenden kloosterzusters slaakten als uit één mond een zucht van verlichting. Prompt joeg een stormwind door katholiek Europa. Weg met de sluier. Weg met het zelfbedrog. Weg met het valse bewustzijn.
Vandaag wordt, eigenaardig genoeg, de sluier met grote hardnekkigheid verdedigd door mensen die geen spat islam aan hun lijf hebben. Ik wil hier niet beweren dat ze geen spat katholicisme aan hun lijf hebben, maar áls ze zich al tot het roomse geloof bekennen, is het tot een wel zeer verwaterde vorm. Het zijn vooral jonge mensen, ze hebben nooit het preconciliaire tijdvak moeten ondergaan, en daarvoor zouden zij de Here mogen prijzen, maar het heeft tot gevolg dat voor hen het katholicisme een onscherp begrip geworden is.
Inzake geloof zijn de jonge mensen van Belgische afkomst die vandaag uit progressieve, zeg maar linkse, overtuiging de hoofddoek verdedigen, hoofdzakelijk naïef. Of nee, onnozel, dat is de term. Onnozel betekent volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal onschuldig, zonder kennis van de wereld en dus licht te bedriegen. Inderdaad, die jonge mensen hebben geen flauw benul van de immense, wurgende kracht die een eeuwenoude wereldgodsdienst ontwikkelt zodra hij op een grens stuit die hem van buitenaf wordt gesteld. Ze hebben niet genoeg verbeeldingskracht om zich voor te stellen dat er mensen zijn die uit een of andere religieuze overtuiging werkelijk anders denken dan zij, maar dan ook totaal anders, en ook navenant zullen handelen. Woedend. Dictatoriaal. Als het moet moorddadig. Wat godsdienstzaken aangaat, baden die Belgische jonge mensen in het lauwe rozenwater van een slecht begrepen tolerantie, een weke onverschilligheid, een niet onprettige vaagheid. Bovendien vinden ze die hoofddoeken en djellaba's toch maar wát exotisch.
Als ze de hoofddoek verdedigen in krantenstukken, hebben ze het steevast over de kille neutraliteit waartoe een verbod op hoofddoeken aan loketten zou leiden. Zoals in Frankrijk, wordt er vaak aan toegevoegd - als afschrikwekkend voorbeeld, neem ik aan. Verbijsterend is dat. Ongeloofwaardig haast. Bedroevend. Mensen die het voorrecht hebben gekregen te studeren, horen beter te weten. Voor hen bestaat geen enkel excuus.
Een halve eeuw geleden gebruikten conservatieve katholieken in dit land exact díé woorden, 'kille neutraliteit', wanneer zij ten strijde trokken tegen de vrijzinnigen die de invloed van de katholieke kerk in het openbare leven binnen redelijke perken wilden houden. Dus hoogopgeleide, zichzelf als links en progressief inschattende mensen vandaag zeggen precies hetzelfde als antimoderne katholieken vijftig jaar geleden.
En dan beschimpen ze Frankrijk. De Franse republiek nam in 2004 een wet aan die het dragen van hoofddoeken in openbare gebouwen beperkt. In openbare scholen is de hoofddoek zelfs helemaal verboden. De Franse republiek heeft voor één keer de republikeinse beginselen en waarden ernstig genomen en werkelijk, met rigueur républicaine, toegepast. Op slag daalde een ijzige kilte over ons zuidelijke buurland neder, tenminste als ik vele progressieve, rode, groene en anderskleurige linkse mensen mag geloven.
In de regering van dat kille, neutrale Frankrijk, de hardvochtige republiek die volgens linkse, progressieve mensen dan ook alleen maar een racistische en islamofobe republiek kan zijn, zitten overigens een paar opvallende vrouwen van islamitische herkomst. Rachida Dati bijvoorbeeld. Zij is minister van Justitie. Niet staatssecretaris van consumentenzaken of van kindercrèches, nee, justitie. Een gezagsdepartement. Een sluitstuk van iedere democratie. Een sleutelpositie. Dat heeft bij mijn weten nog geen enkele partij in België, of ze nu links is, centrum of rechts, groen, rood, blauw of oranje, voor elkaar gebracht - of liever willen brengen. Mevrouw Dati komt uit een gezin van elf kinderen. Haar vader was een Marokkaanse metselaar. Haar moeder was Algerijnse. Mevrouw Dati draagt geen hoofddoek en beschouwt zichzelf als une fille française d'origine modeste, wat allerminst betekent dat ze haar Marokkaans-Algerijnse afkomst wegmoffelt. Opmerkelijk is dat mevrouw Dati door niet weinig groepen in de door geweld geteisterde banlieues wordt gehaat. Zij brandmerken haar als verraadster.
Mevrouw Dati werd benoemd door president Sarkozy, dezelfde Sarkozy die ongemeen hard uitgehaald heeft naar de relschoppers in de banlieues. Daar zat een hoop racaille bij elkaar, zei Sarkozy, gespuis dus, geteisem, uitschot, janhagel (wat kan onze taal toch mooi schelden!). Let wel, Sarkozy is zelf een migrant, tweede generatie van vaderszijde, van moederszijde vierde generatie. Zijn achtergronden zijn Hongaars en Grieks-Joods. Zijn vader hoorde dan wel bij de kleine Magyaarse adel (Nagybócsai Sárközy), maar hij heeft de Franse nationaliteit werkelijk niet op een bevoorrechte of zachtaardige manier verworven. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog ontvluchtte hij zijn land voor het Rode Leger. Hij nam dienst in het beruchte Franse vreemdelingenlegioen en kreeg zijn opleiding in Algerije. Pa Sarkozy kwam Frankrijk binnen door de verveloze achterdeur.
Nu heb ik de grootste bezwaren tegen het beleid en de stijl van Sarkozy, maar één ding moet ik hem nageven. Hij heeft onmiskenbaar het talent om waardevolle mensen aan te trekken. Hij noemt zichzelf dan wel rechts, maar geeft politieke opponenten ter linkerzijde het ene hoge ambt na het andere, zolang ze maar deskundig zijn en liefst nog een beetje briljant ook. Dat is niet zo simpel als het lijkt. Telkens opnieuw moet Sarkozy het luide gemor van zijn eigen partijgenoten trotseren. Telkens opnieuw kiest hij eigengereid de man die hij de enige juiste vindt, links of rechts of midden, het maakt Sarkozy niets uit. En de juiste vrouw natuurlijk.
Want je kunt mevrouw Dati onmogelijk een excuustruus noemen. In dezelfde regering zetelt ook Fadela Amara. Ook zij heeft broers en zussen zonder tal. Ook haar ouders kwamen uit Noord-Afrika. Ook haar vader was een doodgewone arbeider. Zij heeft de portefeuille van stedenbeleid - als er één controversieel beleidsdomein is in Frankrijk, dan wel dat. Fadela Amara is een gelovige moslima, daar laat ze geen twijfel over bestaan. Maar haar geloof is privé. Puur privé. Dus draagt ze geen sluier.
Voor Fadela Amara is de cruciale vraag niet: worden moslimvrouwen die in openbare dienst werken, gedwongen de hoofddoek af te leggen? Maar: mógen moslima's straks nog wel zonder hoofddoek gaan werken? Zal het hun niet worden verboden door broers, vaders, ooms, buren, door loodzware, niet zelden gewelddadige sociale druk? Door dwang? Ze keert het probleem dus copernicaans om. En ze weet waarover ze spreekt. Ze heeft in 2003 de beweging Ni putes ni soumises (Geen sletten geen slavinnen) op haar land losgelaten, ze heeft betogingen georganiseerd, onder meer een mars op Parijs, ze heeft de 'Staten-Generaal van de vrouwen uit de voorsteden' bijeengeroepen; dat alles tégen de gewelddadige druk die op jonge moslima's wordt uitgeoefend door de mannen uit hun omgeving, dwang om niet voort te studeren, om vroeg te trouwen, om de sluier te dragen. Dat het dwang is, harde, brute dwang, daarover laat ze geen twijfel bestaan, niet in haar boeken, niet in haar actie.
Fadela Amara wil dat de waarden van de Franse revolutie gelden voor iedereen en overal, ook in de banlieues. Ze zweert bij vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid en die waarden zijn volgens haar níét relatief, níét enkel bedacht door en bestemd voor blanke mannen. De waarden van de Franse revolutie zijn volgens Fadela Amara universeel. Voor het recht van de sterkste, voor tribale gewoonten, die trouwens vaak ouder zijn dan de islam, mag geen plaats worden ingeruimd, niet in Frankrijk, niet in Europa, in de hele wereld niet. Alleen de republikeinse wettelijkheid mag gelden. Fadela Amara heeft geen seconde geduld met religieus obscurantisme van de ene kant of cultureel relativisme van de andere kant. De sluier is onderdrukking. Machistische onderdrukking.

Dit is een bekorte versie van het essay.

Jan Goossens, zoon van Paul

.

Geert Van Istendael is in paniek en we zullen het geweten hebben: 'De sluier is onderdrukking. Machistische onderdrukking.' Voorts hebben ook 'jonge Belgen' van 'progressieve, linkse overtuiging' boter op hun hoofd, omdat ze, 'onnozel als ze zijn', de hoofddoek verdedigen. Echt opvallend is vooral dat Van Istendael zich er in zijn stuk 'Het masker van de dwang' (DS 23 augustus) op onmiskenbaar dwingende wijze toe beperkt problemen aan te kaarten en tegenstellingen op de spits te drijven, zonder zelfs maar een begin van een oplossing aan te dragen. Hij hanteert een uitgesproken verdeelstrategie: de islam en de Europese seculiere democratie worden als vreemde en voor eeuwig onverzoenbare blokken tegenover elkaar geplaatst. En op jammerlijk paternalistische wijze zet hij zichzelf en een deel van zijn generatie tegenover de 'naïeve, hoogopgeleide, zichzelf als links en progressief inschattende' jonge Belgen voor wie er 'geen enkel excuus' bestaat als ze niet tegen de sluier ten strijde trekken. Tja, wie klinkt hier als een dwingeland?
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat Van Istendaels stuk evenveel, zoniet meer, zegt over zijn blijkbaar traumatiserende opvoeding door katholieke nonnen als over de door hem zo verafschuwde sluier. In elk geval vind ik in zijn cassante tekst niets dat ook maar in de verste verte lijkt op een pragmatische bijdrage tot een gezamenlijke toekomst voor mensen en gemeenschappen met verschillende culturele en religieuze achtergronden, die wel allemaal Brusselaar en/of Belg zijn en 'gedoemd' om met elkaar samen te leven.
Ik zou me zonder twijfel aangesproken moeten voelen door Van Istendaels stuk. Ik ben immers hoogopgeleid, beschouw mezelf als progressief en voel niet de minste behoefte om van de Brusselse daken te schreeuwen dat de hoofddoek altijd weer voor vrouwenonderdrukking zorgt in deze stad. Ik denk echter dat we vandaag belangrijker kopzorgen hebben in Brussel: gelijke kansen, goed onderwijs, werkelijk participatieve democratie, een minder giftige internationale context. Misschien zou het nuttiger zijn dat we ons boos maken en vragen stellen over de 20 procent werklozen en over het feit dat een Brusselaar op de vijf onder de armoedegrens leeft? En over het feit dat de meeste van die armen wonen in wijken met veel allochtonen die het nog altijd heel veel moeilijker hebben om aan een job te geraken? En is het niet bedroevend dat deze stad nog altijd de speelbal blijft van kortzichtige Vlaamse én Franstalige nationalisten die nog steeds niet door hebben dat zowat de helft van de Brusselse bevolking van allochtone origine is, terwijl die realiteit helemaal niet weerspiegeld wordt in de achterhaalde politieke structuren en beslissingsmechanismen?
Ten slotte maak ik me zeker zorgen over rabiaat onverzoenlijke opiniestukken waarin de islam wordt beschouwd als een fremdkörper dat volledig buiten en zelfs haaks op onze Europese traditie staat en dat eigenlijk altijd fundamentalistisch van aard is. En waarin de emancipatorische realisaties en groeikansen van jonge Belgische moslims niet alleen straal genegeerd worden, maar eigenlijk gewoon ontkend. Alsof de islam niet al sinds de 7de eeuw deel uitmaakt van onze Europese traditie, maar handig uit de meeste geschiedenisboeken is weggegomd. Alsof die islam geen verschillende stromingen kent en alsof het geloof van zeer vele moslims in Europa niet net zo goed gekleurd is door ons Europese samenlevingsmodel als dat van vele - maar zeker niet alle - katholieken. Alsof emancipatiegolven niet op de eerste plaats in beweging komen door opbouwende kritiek en contestatie van binnenuit, veel meer dan door onverbiddelijke criticasters aan de zijlijn.
Het is mijn voorrecht dat ik in mijn job geregeld in contact kom met jonge Belgen van Maghrebijnse afkomst, van wie sommigen gelovige moslims zijn, en anderen niet. Maar, ook al zijn ze dan niet in Frankrijk opgegroeid, geëmancipeerde, onafhankelijke en kritische geesten zijn het allemaal. Heeft Van Istendael ooit al een genuanceerd gesprek over de hoofddoek gevoerd met de vrij briljante KUL-sociologe Nadia Fadil, die niet moet onderdoen voor de door hem verafgode Rachida Dati? Heeft hij al eens van gedachten gewisseld met filosoof Tarik Fraihi en met UG-docent Sami Zemni over de zin en onzin van een 'Europese Islam'? Heeft hij al eens meegemaakt hoe Brussels stand-up comedian Sam Touzani na zijn voorstellingen harde gesprekken met bepaalde jongeren uit zijn gemeenschap aangaat, zonder hen ooit in het gezicht te hoeven smijten dat ze machistische onderdrukkers zijn? Die termen gebruik je enkel als je zogenaamde emancipatorische pleidooi de verborgen agenda maskeert dat je eigenlijk wil dat elke constructieve dialoog stopt.
Vrijzinnigen, katholieken, moslims en vele anderen kunnen niet anders dan in onze grote steden samenleven, of ze het nu willen of niet, zoals dat al heel lang het geval is. Daar is een gezonde dosis zelfkritiek voor nodig en open - en zonodig harde - dialoog. Uiteraard moet de scheiding van kerk en staat gevrijwaard blijven, ook al is het zeker niet alleen het legitieme en door Van Istendael aanbeden Franse model dat daartoe de garantie biedt. Maar het heeft geen enkele zin dat we onze tijd verliezen met symbooldiscussies, gebetonneerde standpunten en paternalistische retoriek die de clash of civilizations als een onvermijdelijke self-fulfilling prophesy over ons afroepen.
Alle respect voor Van Istendael, maar van een intellectueel van zijn kaliber had ik in een complexe en uitdagende stad als Brussel een visie verwacht die ons vooruit helpt en liefst ook een beetje dichter bij elkaar brengt. Het is best mogelijk dat we als jonge Belgen wel eens naïef uit de hoek komen en van de dialoog met voorgaande generaties valt er meestal iets op te steken. Maar de onverzoenlijke betweterigheid die andersdenkenden als 'onnozel' afschrijft en de moslims in onze steden en ons land als fremdkörper afschildert en hun aan de gang zijnde emancipatie niet steunt maar negeert, helpt ons geen meter vooruit. Na jaren in Brussel vind ik de hoofddoek allesbehalve 'exotisch' en heb ik geen enkele behoefte hem militant te verdedigen. Daarnaast levert het me in Brussel vandaag evenmin iets op om er rabiaat tegen te zijn. Eigenlijk kan die hoofddoek me gestolen worden. En de fatwa's tegen die hoofddoek van bange intellectuelen die ons een angstpsychose willen aanpraten al evenzeer. Nee, niet alle moslima's met hoofddoek zijn vandaag onderdrukte vrouwen die geen eigen keuzes kunnen maken. Het is niet aan die bange intellectuelen om agressief te roepen dat die hoofddoek uit het straatbeeld moet. En ja, er is plaats voor de islam in Europa, al was het maar omdat die er altijd geweest is. Wie de islam telkens weer herleidt tot de hoofddoek en bij die hoofddoek enkel aan 'machistische onderdrukking' kan denken, lijkt me zelf een dwingeland eerste klas.

Jan Goossens is artistiek leider van de KVS
.

vrijdag 29 augustus 2008

Trouw is een onafhankelijk blad !

.
(Wat van Vlaamse kranten natuurlijk nooit iemand zal beweren)


Welkom in de Kaukasus, waar niets simpel is

Jelle Brandt Corstius, Tschinvali

Twee weken na de aanvang van de oorlog in Zuid-Ossetië kan de balans worden opgemaakt. Het conflict is breed uitgemeten als het begin van een nieuwe Koude Oorlog. Dat geldt minder voor de mensen die het conflict hebben ondergaan. Een verslag uit Zuid-Ossetië, en de omstreden bufferzone.


Het zijn twee dorpen met twee tragedies, met een grens ertussen. Aan de ene kant van de grens ligt het dorp Getagoerovo, in Zuid-Ossetië, een provincie binnen Georgië die zich daarvan heeft afgescheiden in de jaren negentig. Alleen Rusland erkent Zuid-Ossetië voorlopig als onafhankelijke staat. Aan de andere kant van de grens, vier kilometer verder op de weg, ligt het dorp Dvani, in Georgië.

De nacht van 7 op 8 augustus, toen Georgië het mislukte offensief begon om Zuid-Ossetië weer onder controle te brengen, reden de Georgiërs bij Getagoerovo Zuid-Ossetië binnen. „Ik sliep al twee dagen met mijn kleren aan. Ik voelde dat het niet goed zat”, vertelt Aza Alborova, die er met haar man en twee zoontjes woont. In de avond van 7 augustus kwam een bekende van de lokale overheid langs om hen voor de oorlog te waarschuwen. Alborova slaagde erin om voor het offensief naar familieleden in Noord-Ossetië te vluchten. Dat is maar goed ook: een mortiergranaat blies het dak van hun huis. De inrichting is vernield door Georgische soldaten die er een paar dagen inkwartierden.

Intussen is de familie alweer teruggekeerd. Het dak repareren gaat veel tijd en geld kosten, en zij hebben geen van beide: „Ik moet er niet aan denken dat de winter begint”, vertelt Alborova.

Verderop woont het echtpaar Jefim Dzjoejev (83) en Varja Dzjoejeva (74). Alle ruiten van hun huis zijn gesprongen, in de muren zitten granaatscherven. Maar in ieder geval staat het dak nog op het huis. Zij zaten vier dagen in de schuilkelder. Jefim heeft zijn gevoel voor humor nog niet verloren, volgens hem zijn de Georgiërs de oorlog begonnen uit jaloezie op de schoonheid van Ossetische vrouwen. Varja kijkt verlegen. Ze vertelt dat zij in de communistische tijd als boekhouder op een sovchoze, een collectieve boerderij, werkte. „Daar werkten ook Georgiërs. Er waren geen vijandelijkheden. En nu blijken het opeens fascisten. Ik snap het niet”, vertelt ze.

Op het kruispunt zitten drie vrouwen boontjes te doppen. Een van hen, Ljana Kokojeva, vertelt dat een mortier hun schuilkelder is ingeslagen. Zij loopt naar haar huis, waar een man glas in een kruiwagen staat te scheppen. Er zit een rond gat in de muur van de kelder. Volgens Kokojeva sloeg de mortier in de ochtend van de 9de in. „Het is een vreselijk gevoel, dat je zelfs in een schuilkelder niet veilig bent”, zegt ze.

In het gebouwtje van de lokale overheid vertelt een medewerker dat tachtig procent van de huizen is verwoest, en dat 14 van de 1780 inwoners van het dorp zijn omgekomen. Door de glasloze ramen is te zien dat buiten zakken meel worden uitgedeeld door het Russische ministerie van noodsituaties.

De medewerker pakt een kaart uit de la en spreidt hem uit over de tafel. Het is een historische kaart van het rijk van de Alanen, van wie de Osseten naar eigen zeggen afstammen. Op het hoogtepunt strekte dat rijk zich uit van Frankrijk tot aan de Kaukasus. „Wij zijn het meeste land al kwijt. We hebben geen pretenties meer een wereldmacht te zijn, die tijd ligt achter ons. Het enige wat wij willen is dit kleine stukje land in de bergen”, vertelt hij.

Op de grens met Georgië staan Russische soldaten op wacht. De auto mag de grens niet over, dat weten ze zeker, maar te voet, dat weten ze eigenlijk niet. Zonder dat hij ook maar een paspoort hoeft te zien, escorteert een soldaat mij naar het eerste huis over de grens. Een oud vrouwtje staat bij het hek. Ik vraag haar of we nu in Georgië zijn. Zij kijkt verschrikt naar de Russische soldaat. „Je bent in Kartveli”, antwoordt ze, en doelt daarmee op de Georgische provincie. De Russische soldaten wonen tijdelijk bij haar in en het is duidelijk dat zij hen te vriend wil houden. Als ik zelf nog wat verder wil lopen moet ik zelf weten, maar de Russische soldaat gaat niet mee. „Ik zou het niet doen. Ze spreken geen Russisch en zijn gevaarlijk”, waarschuwt hij.

De gevaarlijke dorpelingen bestaan uit drie mannen die achter een biggetje aanrennen. Een van hen, Giorgi, vangt het dier bij zijn achterpoten en smijt hem over een hek. „Voor je het weet rent dit biggetje Zuid-Ossetië in, en dan zijn we hem kwijt”, vertelt Giorgi hijgend in het Russisch.

De twee andere mannen willen hun namen niet geven. De inwoners van Dvani leven nog steeds in angst. Sinds het eind van de mislukte oorlog maken zij deel uit van een door de Russen ingestelde bufferzone. Hierdoor hebben zij geen bescherming van de Georgische politie, en kunnen de Zuid-Osseten naar willekeur wraak nemen. Op 12 augustus kwamen Ossetische milities het dorp binnen en vluchtten de drie voor een paar dagen de bergen in.

Giorgi vertelt dat 33 gebouwen in het dorp zijn platgebrand, inclusief de school waar hij lesgeeft. Talloze andere huizen zijn beschadigd door Russisch mortiervuur.

Een man met ontbloot bovenlijf laat zijn huis zien dat compleet is afgebrand. Zijn bed staat tijdelijk op het erf, tussen de schuur en het afgebrande terras met wijnranken. Een koe likt verveeld aan de spijlen van het bed.

Hun vrouwen en kinderen zijn voorlopig gevlucht naar Tbilisi. „President Saakasjvili is een wijs man, en hij heeft veel goeds gedaan voor ons land. En natuurlijk is Zuid-Ossetië Georgisch, en zal het altijd Georgisch blijven. Maar hij had nooit Zuid-Ossetië binnen moeten vallen. Eerlijk gezegd houdt die politiek mij niet zo bezig. Ik denk nu alleen aan hoe ik de volgende dag overleef.”

Zoals dat gaat in oorlogstijd is het precieze aantal slachtoffers van deze oorlog onduidelijk, en doen de meest gruwelijke verhalen de ronde over zwangere vrouwen die door het Georgische leger zijn onthoofd.

Het dodental voor de slachtoffers aan Ossetische zijde loopt uiteen van 133 tot 2000. Alleen de verse graven zijn geschikt voor harde statistieken. Op de Schoeder-begraafplaats in Tschinvali liggen veertig graven, in de haast bedekt met steengruis en voorzien van een simpel houten kruis.

Op de begraafplaats van de nabijgelegen stad Tbet liggen nog eens veertien graven. Op een van de houten kruizen staat summier: ’Geboren in 1994’.

Verderop is Dmitri Dzjigojev het graf van zijn vrouw aan het fatsoeneren. Op zijn borstzakje heeft hij een foto van haar gespeld. Zij kwam om het leven bij een brand tijdens het bombardement van Tschinvali, vertelt Dzjigojev. Een buurman komt langs met een flesje wodka en sprenkelt wat drank over het graf. Hij hielp met het begraven, in het midden van de oorlog, op 10 augustus: „Daarom is dit graf zo rommelig. Wij zaten midden in de vuurlinie.”

Niet alleen het aantal doden, maar ook de mate van verwoesting is moeilijk in te schatten. Zo is het ’joodse kwartier’ in Tschinvali compleet met de grond gelijk gemaakt. Volgens de dakloze bewoners komt dit allemaal door het offensief van begin deze maand. Maar veel gebouwen zijn al in de oorlog van 1992 verwoest, getuige het mos en de plantjes die op de ruïnes wortel hebben geschoten.

In het joodse kwartier nodigt Armen Bibilov uit om de lunch te komen nuttigen. Aan een lange tafel zitten buren en vrienden uit de buurt. Het dak is provisorisch met plastic bedekt. Op tafel staan aardappels, eieren en djondjoli, een mengeling van ui, vlees en takjes met bonen.

Bibilov vertelt dat Osseten en Georgiërs vroeger wellicht in vrede leefden, maar dat onderhuids altijd minachting heerste bij de Georgiërs voor „die Osseten in de bergen”. Dertig jaar terug had Bibilov al het gevoel dat het een keertje mis zou gaan. Hij kan zich het moment nog precies herinneren. Hij was uitgenodigd bij zijn zwager, een Georgiër. Diens vader had op hem geproost „hoewel je een Osseet bent”.

De Georgiërs in Zuid-Ossetië worden overigens geen haar beter behandeld. Een Georgische minderheid, compleet met eigen parlement en president, woonde namelijk tot de oorlog in Zuid-Ossetië, dat op zijn beurt weer een etnische minderheid van Osseten vormt binnen Georgië: Welkom in de Kaukasus, waar niets simpel is.

Wat zich in de Georgische dorpen binnen Zuid-Ossetië precies heeft afgespeeld is onduidelijk: het gebied is niet open voor journalisten.

Atsabet is het enige dorp dat te bezichtigen ligt op de route van het Russische Vladikavkaz in het noorden. Maar de buschauffeur weigert om te stoppen. Vanuit het raam is te zien dat alle huizen zijn verwoest, sommige smeulen nog na. Op een kip na is er geen ziel te bekennen.

„Wij spelen hier een ongebruikelijke rol”, vertelt David-Pierre Marguet in het kantoor van het Rode Kruis in Tschinvali, op dit moment de enige niet-Russische ngo die hier is toegelaten.

„Rusland voorziet al in de humanitaire hulp. Onze taak is het beschermen van de Georgische minderheid.” Volgens Marguet zitten er 89 Georgiërs in de gevangenis van Tschinvali. Ze zitten daar voor hun eigen veiligheid, het gevaar te worden gelyncht door Osseten is te groot, vertelt hij.

„De haat zit nog diep bij de Osseten. Drie dagen geleden kregen wij toestemming om de lichamen van 45 Georgische soldaten op te graven in een Ossetisch dorp. Uiteindelijk ging het niet door, toen kwade dorpelingen ons met geweren het dorp uit jaagden.”

Door de rampzalige oorlog van begin augustus zit verbroedering van de twee volken er niet meer in. In het Georgische dorp Dvani plukte de man met ontbloot bovenlijf een paar kilo nectarine en pruimen voor zijn gast uit het Westen. Op het initiatief om de vruchten cadeau te geven aan de dorpelingen van Getagoerovo aan de andere kant van de grens reageert de man lauwtjes: „Ik houd je niet tegen.”

In Getagoerovo moet niemand iets weten van de fantastisch geurende vruchten uit Georgië. Alleen een jongen van veertien pakt er een. „Een nectarine is een nectarine”, is zijn conclusie.

Ossetië en Russenliefde

In het geopolitieke geweld is het voor westerlingen soms moeilijk te begrijpen waarom de Osseten blij zijn met de komst van Russische tanks. Voor een groot deel ligt de verklaring in de gebeurtenissen van begin jaren negentig. Na de val van de Sovjet-Unië grepen de Georgiërs hun kans op onafhankelijkheid, maar ook de Zuid-Osseten. Dat was tegen de zin van de toenmalige Georgische president, de ultranationalist Gamsachoerdia. Met de leus ’Georgië voor de Georgiërs’ viel hij in 1991 Zuid-Ossetië aan, een wrede oorlog die duizend doden en honderdduizend vluchtelingen opleverde. Tot die tijd was Zuid-Ossetië een relatief rustige regio waar gemengd Georgisch-Ossetische huwelijken veel voorkwamen. In 2004, vlak na het aantreden van president Saakasjvili, liet hij Georgische troepen grote schoonmaak houden in ’smokkelnest’ Zuid-Ossetië. Ook toen zochten de Osseten steun bij de Russen. Toen kregen ze die niet militair, de afgelopen weken wel.

Het wordt tijd dat iemand bij De Standaard zijn pen vasthoudt



Kan Didier Bellens, de veelbesproken baas van Belgacom, al dan niet aan het hoofd blijven van dit telecombedrijf? En zo ja, onder welke voorwaarden moet dat gebeuren? Moet hij dan salaris inleveren? En verandert er iets aan de samenstelling van de raad van bestuur van dit bedrijf, dat nog steeds voor meer dan de helft in handen is van de Belgische staat? Over die vragen moet het vers uit vakantie
teruggekeerde kernkabinet zich vandaag buigen.
Bellens, de man met het riante salaris en de ‘gouden parachute’ van 8 miljoen euro, is niet onbesproken. Hij communiceert intern en extern slecht, is gesloten, achterdochtig en arrogant, joeg heel wat competente managers de deur uit en leeft op meer dan gespannen voet met zijn raad van bestuur. Maar je kan de man niet verwijten dat hij een slechte Belgacom-baas is. Zijn bedrijf doet het operationeel en financieel goed, hij stelt zich onafhankelijk op ten opzichte van de politiek en hij heeft een strategische visie.
Dat zijn mogelijke herbenoeming zon heikel politiek dossier geworden is, dat rondgestrooid wordt op de straatstenen van de Wetstraat, heeft dan ook minder te maken met Didier Bellens zelf dan met de omgeving waarin hij gevraagd wordt te functioneren. Bellens zelf mag inderdaad een wat minder sympathiek persoon zijn, de man zit om te beginnen opgezadeld met een politiek benoemde raad van bestuur. Ondanks het aanzienlijk aantal bestuurders blinkt die raad niet meteen uit door een teveel aan expertise maar probeert hij intussen wel, zo bleek de voorbije dagen opnieuw, bevoegdheden van de ceo naar zich toe te halen.
Nog belangrijker is de vaststelling dat de Belgische overheid als meerderhei dsaandeel houder geen blijk geeft van een langetermijnvisie op het bedrijf. De staat zit nu gewrongen tussen zijn rol van belangrijke aandeelhouder en die van regulator van de sector. Er is geen enkele valabele reden voor het behoud van een meerderheidsbelang van de overheid in Belgacom. De meerwaarde van de politieke inmenging in het bedrijf is negatief.
Dat de politieke topspelers het debat de voorbije maanden vooral hebben gevoerd over het karakter, de strategische visie, de wedde en de ontslagvergoeding van Didier Bellens, is ongetwijfeld heel valabel. Maar eigenlijk verbergt dat debat een veel fundamenteler probleem: de belangrijkste aandeelhouder blijkt niet in staat een strategische toekomstvisie op de sector te ontwikkelen en slaagde er de voorbije jaren onvoldoende in om bekwame bestuurders aan te trekken die de opdracht krijgen dat te doen.
De publieke soap rond de herbenoeming van Bellens - met onderhandelingen tegen de deadline aan, met kunst- en vliegwerk - zegt dus veel meer over de politieke beleidsmakers en hun zogenaamde goed bestuur dan over de ceo zelf.

PETER VANDERMEERSCH

maandag 25 augustus 2008

The Independent over Bernard-Henri Lévy


The Americans have sent blankets and the Estonians doctors, but it is the French, surely, who have come to the rescue of South Ossetia's people, with their offer to send nouveau philosophe Bernard-Henri Lévy.
One of a brigade of intellectuals dispatched from Paris, Lévy has made quite an impression at the Tbilisi Marriott, where he is ensconced with an entourage of personal cameraman, photographer, publicist and bodyguard.
"It's not too difficult to spot them," says a fellow guest. "They are all loafing around in the foyer puffing clouds of smoke, and gesticulating meaningfully. BHL is in his element going around in a crumpled white shirt, hair coiffed into a sort of wind tunnel effect, and reeking of perfume." Pressed as to his purpose in entering the war zone, Lévy stresses his visit wasn't mere tokenism. "I am an involved intellectual," he insists. "I came because I think the stakes are huge."
It isn't, in fact, the first time that he has engaged in international diplomacy. As well as positioning himself as a key negotiator in the Bosnian conflict, Lévy recently travelled to Darfur.
Perhaps it is his experience with grim detail of warfare that has helped him look on the bright side.
"There is one not-so-bad thing to come out of this conflict," he notes philosophically. "And that is that Georgia is now on the map."
.

zaterdag 23 augustus 2008

Bernard-Henri Lévy alweer in nauwe schoentjes

Publié sur Rue89



Contrairement à ce qu’il a écrit dans Le Monde, le philosophe n’a pu se rendre dans la ville de Gori. Ce n’est pas la seule affabulation.

Qu’on l’apprécie ou non, il faut reconnaître que Bernard-Henri Lévy, qui s’est rendu la semaine dernière en Géorgie, ne manque ni de courage, ni de convictions. Mais BHL n’est pas un journaliste, et le récit qu’il a rapporté pour Le Monde, titré « Choses vues dans la Géorgie en guerre », est à prendre avec des pincettes. Ainsi, lorsque BHL déclare qu’il est arrivé à Gori mercredi 13 août et qu’il a vu une ville « brûlée », il affabule. Il n’a pas réussi à entrer dans la ville.
Rue89 a entrepris de faire ce que les confrères anglo-saxons appellent un « fact-checking », une vérification des informations livrées par un reporter. Ce que BHL n’est pas : il est présenté dans le quotidien comme « philosophe et essayiste » et son récit a été prudemment rangé sous l’étiquette de « témoignage ». Il n’en reste pas moins que ce récit occupe deux pages au centre d’un journal jouissant d’une autorité certaine en matière d’information internationale.
Deux jours et demi de balade, dans la confusion de la guerre
Commençons par ce que ne raconte pas le « témoignage » de BHL : les conditions de la balade. Mercredi 13 août, rendez-vous est pris à l’aéroport du Bourget devant l’aérogare de Darta, une compagnie d’aviation privée. Le philosophe a loué un jet pour rallier Tbilissi, qui n’est plus desservie.
Il est accompagné par son vieux complice, l’éditeur Gilles Hertzog, le documentariste Raphaël Glucksmann et un journaliste de France Culture, Omar Ouamane. Plus un garde du corps. Le jet se pose vers midi en Géorgie, « juste pour le déjeuner », précise Raphaël Glucksmann. Prévenue par son ambassadeur à Paris, la présidence géorgienne a dépêché l’un de ses traducteurs pour accompagner BHL durant tout son séjour.
Celui-ci sera court, puisque Bernard-Henri Lévy repartira samedi matin, à 8 heures, de Tbilissi. Il aura donc passé deux jours et demi en Géorgie. L’équipage descend au Marriot Tbilissi, un hôtel cinq étoiles fréquenté par les journalistes et les diplomates.
Plusieurs journalistes français, surpris par sa présence, interrogent dès son arrivée l’intellectuel qui ne cache pas les motifs de son voyage : défendre la liberté en Géorgie contre l’ogre russe. Plusieurs radios, comme France Inter, France Info ou RFI, diffuseront des extraits de ces interviews.
La multiplication des chars
Dans un minibus blanc climatisé, direction Gori, l’une des villes occupées par les troupes russes. Première « chose vue », sur la route :
« Le fait est que la première présence militaire significative à laquelle nous nous heurtons est un long convoi russe, cent véhicules au moins, venu tranquillement faire de l’essence en direction de Tbilissi. »
L’envoyé spécial du Nouvel Observateur, Christophe Boltanski, qui emprunte la même route, le même jour, a compté les véhicules de cette colonne. Il en a recensé trente: six camions de troupes, six camions citernes, sept blindés APC, trois camions essence, six chars, deux ambulances.
Encore quelques kilomètres et l’équipage retrouve un groupe de journalistes, bloqués à un barrage tenu par la police géorgienne. Les journalistes ont suivi Alexandre Lomaia, le conseiller géorgien pour la sécurité nationale, qui avait décidé courageusement de se rendre à Gori, accompagné de l’ambassadeur d’Estonie. Le convoi est bloqué à quelques kilomètres au sud de la ville. BHL descend alors de sa camionnette blanche.
Vincent Hugeux, grand reporter à L’Express, s’étonne :
« J’ai reconnu sa silhouette. Il était accompagné de Gilles Hertzog et Raphaël Glucksmann. BHL a même lancé à un journaliste français : ‘Ah, mais nous sommes confrères !’ »
Ne pas voir Gori, mais en parler quand même
BHL franchit le barrage, dans des conditions sur lesquelles nous reviendrons, et racontera dans Le Monde la scène suivante :
« Nous arrivons à Gori. Nous ne sommes pas au centre-ville. Mais, du point où Lomaia nous a laissés avant de repartir, seul, dans l’Audi, récupérer ses blessés, de ce carrefour que contrôle un char énorme et haut comme un bunker roulant, nous pouvons constater les incendies à perte de vue. Les fusées éclairantes qui, à intervalles réguliers, illuminent le ciel et sont suivies de détonations brèves. Le vide encore. L’odeur, légère, de putréfaction et de mort.
« Et puis, surtout, le bourdonnement incessant des véhicules blindés et, une fois sur deux à peu près, des voitures banalisées remplies de miliciens reconnaissables à leurs brassards blancs et à leurs cheveux retenus par des bandanas.
« Gori n’appartient pas à cette Ossétie que les Russes prétendent être venus « libérer ». C’est une ville géorgienne. Or ils l’ont brûlée. Pillée. Réduite à l’état de ville fantôme. Vidée. »
Problème : BHL n’est jamais « arrivé à Gori », et les Russes n’ont pas « brûlé » la ville.
Que s’est-il passé ? Avec son équipe, il s’est débrouillé pour passer ce premier barrage en compagnie d’Alexander Lomaia et de quelques autres personnes (l’ambassadeur estonien, la députée européenne Marie-Anne Isler-Béguin et la journaliste du Washington Post Tara Bahrampour).
Deux heures plus tard, vers 22h30, dans la nuit noire, BHL est de retour au premier barrage où attend la presse. Il sort du véhicule, le visage grave, et avec sa voix de Malraux, il témoigne devant les journalistes:
« La ville est nettoyée, Gori est une ville fantôme, il y a des flammes partout ; apparemment pas âme qui vive, Gori a été vidée de sa population. C’est ce que les Russes appellent la pacification. »
L’eurodéputée Marie-Anne Isler-Béguin intervient alors pour démentir : « mais non, on n’était pas à Gori », dit-elle aux journalistes, « on a été bloqués à un barrage à 1,5 kilomètre de la ville ». Elle connaît cette région depuis huit ans. Seuls les champs brûlaient, ajoute-t-elle. Les armées brûlent parfois les champs pour éviter le risque des snipers embusqués.
Plusieurs témoins confirment : BHL n’était pas à Gori
Déléguée du Parlement européen pour le Caucase Sud, Marie-Anne Isler-Béguin revient sur l’épisode pour Rue89:
« Je viens de découvrir son témoignage. Je suis un peu surprise qu’il n’ait pas tout à fait dit comment ça c’était réellement passé. Mais il a peut-être oublié… J’ai vu Bernard-Henri Lévy pour la première fois lors de ce voyage au check-point où étaient bloqué tous les journalistes, à cinq kilomètres de Gori.
« Si Bernard-Henri Lévy est monté avec Lomaia et moi, c’est parce que j’ai intercédé en sa faveur. C’est lui qui m’a demandé : « Madame la députée, je voudrais me joindre à la délégation. » Et c’est moi qui ait obtenu l’accord de l’ambassadeur d’Estonie. Dommage qu’il ait oublié ce petit détail… En plus, c’est le seul qui soit monté dans la voiture avec son garde du corps.
« Et il y a d’autres approximations. S’il arrive à distinguer les militaires des paramilitaires, il est plus doué que moi. S’il a senti une odeur de putréfaction, moi pas. Il écrit aussi que Gori a été brûlée, pillée et réduite à l’état de ville fantôme, mais à ce moment-là, on ne pouvait pas le dire, tout simplement parce que personne n’y était encore allé. Enfin, nous nous sommes arrêtés à 1,5 kilomètre de Gori. »
Gilles Hertzog, fidèle compagnon de route de BHL, confirme lui aussi la version de l’élue :
« Non, on n’est pas rentrés dans la ville, on est resté à l’orée de la ville, je ne sais pas à combien de kilomètres de Gori. Il faisait nuit, on apercevait vaguement des bâtiments quand il y avait des fusées éclairantes, mais on n’était que sur le bas-côté d’une route. Il y avait des champs qui brûlaient autour de nous, on nous a dit que c’était du ‘farming’ [des feux allumés par des cultivateurs, ndlr], mais je ne l’ai pas cru. »
Et même divergence avec BHL sur l’odeur de putréfaction :
« Personnellement, je n’ai rien ressenti, mais peut-être que mon ami Bernard-Henri Lévy lui l’a ressentie. »
Dans son reportage, la journaliste du Washington Post raconte elle aussi cette virée, mais en précisant bien clairement, en début de l’article, qu’elle n’a pas vu la ville. Le « byline », l’indication du lieu et de la date du reportage placée au début du texte, est très clair : « OUTSIDE GORI, Georgia, Aug. 13 » [« En dehors de Gori, en Géorgie, le 13 août »].
Vendredi 15 : un « braquage » qu’il n’a pas vu
Et que penser de la seconde tentative pour se rendre à Gori le vendredi ? BHL écrit dans Le Monde :
« Vendredi matin. Nous décidons, avec Raphaël Glucksmann, Gilles Hertzog et la députée européenne, de revenir à Gori que, suite à l’accord de cessez-le-feu rédigé par Sarkozy et Medvedev, les Russes auraient commencé d’évacuer et où nous sommes censés rejoindre le patriarche orthodoxe de Tbilissi en partance, lui-même, pour Shrinvali, où des cadavres géorgiens seraient livrés aux porcs et aux chiens.
« Mais le patriarche est introuvable. Les Russes n’ont rien évacué. Et nous sommes même, cette fois, bloqués vingt kilomètres avant Gori quand une voiture, devant nous, se fait braquer par un escadron d’irréguliers qui, sous l’œil placide d’un officier russe, fait descendre les journalistes et leur arrache caméras, argent, objets personnels et, finalement, leur véhicule.
« Fausse nouvelle, donc. L’habituel ballet des fausses nouvelles dans l’art duquel les artisans de la propagande russe semblent décidément passés maîtres. Alors, direction Kaspi, à mi-chemin entre Gori et Tbilissi, où l’interprète de la députée a de la famille et où la situation est, en principe, plus calme. »
Le documentariste Raphaël Glucksmann conserve un souvenir différent de ce « braquage ». Le convoi de trois voitures est stoppé au dernier barrage de la police géorgienne où on leur déconseille fortement de continuer :
« Les policiers nous ont raconté qu’une voiture de l’UNHCR [le Haut commissariat aux réfugiés des Nations unies, ndlr] venait de se faire dépouiller au barrage russe. Nous avons donc rebroussé chemin. Je n’ai pas vu cette scène. C’est simple, la route fait un coude et juste après, à 500 mètres environ de là où nous sommes, il y a le barrage russe, mais on ne le voit pas. »
La version de l’eurodéputée sonne, elle aussi, bien différemment de celle de BHL. Contrairement à ce qu’affirme l’intellectuel, elle n’était pas à ses côtés à ce moment précis :
« Le jeudi, les autorités géorgiennes m’ont assuré que je pourrais aller le lendemain à Gori avec un convoi humanitaire. Mais, le vendredi, on attend une heure, deux heures, et on n’obtient toujours pas d’accord des Russes pour faire partir le convoi humanitaire.
« Je n’ai donc pas pris de voiture en direction de Gori avec Bernard-Henri Lévy. Je n’ai pas non plus cherché le patriarche, qui a eu l’autorisation de se rendre à Shrinvali pour aller récupérer des corps de Géorgiens, car je savais où il était, mais j’ai seulement regretté de ne pas l’avoir contacté avant.
« Je n’avais toujours pas bougé de Tbilissi quand, avec mon assistante géorgienne, on décide alors de se rendre au village de Kaspi, qui n’est pas en zone occupée. Et c’est là que Bernard-Henri Lévy revient vers moi et me dit : « On a fait équipe hier, est-ce qu’on continue à faire équipe ? »
Gilles Hertzog, n’était pas non plus avec BHL :
« Moi, je ne sais pas, je n’étais pas dans la même voiture que lui. Je ne sais plus exactement… Vous savez, on laisse faire nos chauffeurs, ce sont eux qui décident, qui savent où on peut aller. »
Les autos partent en fait à Kaspi pour constater la destruction d’une usine électrique que filmera Glucksmann.
Dernière soirée à Tbilissi, Sartre et la pureté dangereuse
Vendredi, seconde rencontre du philosophe avec le président géorgien Mikheïl Saakachvili. Bloqué depuis plusieurs jours dans sa résidence, le chef d’Etat interroge BHL et Raphaël Glucksmann :
« Il nous a demandé comment c’était à Gori et Kaspi. Puis, ils ont un échange sur le thème : « Pourquoi l’Occident ne répond pas ? »
Dans le récit qu’il a rapporté pour VSD, Hertzog raconte :
« Bernard-Henri Lévy tente de leur remonter le moral. Pourquoi ne pas inciter les pays de l’Otan qui ont appuyé la demande de la Géorgie à se prononcer solennellement ? Pourquoi ne pas tenir vos conseils des ministres dans une ville menacée ? Saakachvili retrouve un instant le sourire. ‘Très bonnes idées !’, lance-t-il. »
Ensuite, selon Glucksmann, les deux hommes parlent philosophie :
« Saakachvili a lu ‘La Pureté dangereuse’ et puis il a eu une prof de philo, ancienne correspondante de Sartre, et comme BHL a écrit sur Sartre… »
Retour à l’hôtel à l’aube, fin de l’escapade, tout le monde reprend l’avion vers 8h du matin. Direction Nice, où BHL a un rendez-vous. La folle vie continue.
Le journal britannique The Independant ne s’est pas trompé sur la leçon à tirer de toute l’histoire. Dès lundi 18 août, il écrivait:
« Les Américains ont envoyé des couvertures, les Estoniens des médecins, mais ce sont les Français qui, assurément, sont venus au secours des gens de l’Ossétie du Sud en proposant d’envoyer leur ‘nouveau philosophe’ [en français dans le texte, ndlr] Bernard-Henri Lévy. »

Julien Martin, Pascal Riché et David Servenay

dinsdag 19 augustus 2008

B-plusser vergaloppeert zich

.

Het Laatste Nieuws
19 augustus 2008

Don Quichotte tegen de Vlag
Luc Van Der Kelen

België is een republiek van burgemeesters zegt Herman De Croo. Geen volksgroep die opstandiger is. Remember Roger Nols met zijn Vlaams loket in Schaarbeek. De regering moest er een regeringscommissaris naartoe sturen. Denk aan José Happart, burgemeester in Voeren tot hij niet meer nodig was voor de PS. De regering-Martens-Verhofstadt is over hem gestruikeld. De regering –Leterme dreigt net zo goed te vallen over burgemeesters. Die van B-H/V en die van ’t FDF. Nu is er de onvolprezen burgemeester van Lennik, Willy De Waele. Hij is de Don Quichotte, de man die vecht tegen (Belgische) vlaggen. Zijn doel: beroemder worden dan Michel Doomst en Leo Peeters samen, denk ik. Zijn methode: burgerlijke ongehoorzaamheid. Zijn wapen: onverzettelijkheid tot op het randje van het ridicule. Heb er zo een paar en het is hier straks Kosovo. Willy De Waele. Vindt België een pierenlandje, hij zal de vlag niet meer hangen zolang het land niet quasi opgedoekt is. Als die FDF’ers ongehoorzaam mogen zijn, waarom hij dan niet. Nu van veel dingen één: een burgemeester is verplicht de wetten van het Belgische volk te doen toepassen. Alle wetten, niet enkel diegene die hem goed uitkomen. Een burgemeester staat in voor de openbare orde. Deze burgemeester lokt ordeverstoring uit. Iedere dag komen er actievoerders zijn gemeentehuis bevlaggen en laat hij ze weer weghalen. Een burgemeester wordt geacht respect op te brengen voor de overheden en het democratisch regime, niet naar keuze alleen die van het Vlaams Parlement; Het Belgisch parlement is ook zijn parlement. Als dat de heer De Waele niet zint, moet hij koppels niet trouwen met de tricolore sjerp rond zijn buik. Dat hij dan consequent is en ontslag neemt wegens ‘morele onmogelijkheid tot besturen’ . Tussen haakjes: waar zit die strenge meneer Keulen nu? Durft hij een partijgenoot niet tot de orde te roepen, als hij over de schreef van de welvoeglijkheid gaat en ophoudt een vertrouwenspersoon te zijn voor al zijn onderdanen? En wat doet zijn partij, Open VLD? Zwijgen is instemmen.
lvdk@hln.be
.

Christian Behrendt over Lennik

.
Le Soir
mardi 19 août 2008
p. 11


Il y a quelques jours, le bourgmestre de Lennik a décidé de ne plus arborer le drapeau belge aux bâtiments publics de sa commune, (Le Soir du 14 août). Étant donné que le drapeau national nous appartient à tous, nous voudrions, dans les lignes qui suivent, exposer d’une manière simple le cadre juridique de son pavoisement. Autrement dit : qui doit arborer le drapeau belge, et quand ? (Les domaines maritime, aéronautique et diplomatique, demeurent soumis à des règles spécifiques)
Le principe de base est bien celui de la liberté : à moins qu’un texte juridique prévoit spécifiquement le pavoisement du drapeau national, celui-ci peut être hissé – mais peut aussi ne pas être hissé – à n’importe quel jour de l’année. En ce qui concerne les particuliers, cette règle épuise déjà le sujet.
Pour les autorités publiques belges (fédérales, régionales, communautaires, provinciales et communales), le principe de liberté demeure également applicable, sauf pour un certain nombre de jours, déterminés par un arrêté royal de 1974 (1). Cet arrêté énumère quinze jours au cours desquels le drapeau national doit être arboré aux édifices publics, les deux dates les plus marquantes de cette liste étant le 21 juillet et le 11 novembre, avec leurs importantes cérémonies nationales. Les treize autres jours commémorent également des évènements particuliers, mais n’ont pas nécessairement le statut de jours fériés légaux pour autant (ainsi notamment le 6 juin, jour anniversaire du Roi, qui n’est pas férié). Inversement, un certain nombre de jours fériés légaux ne sont pas repris dans la liste, de sorte que le principe de liberté s’y applique ; tel est notamment le cas du 1er janvier et du 15 août.
Ces développements permettent de comprendre que la décision prise par le bourgmestre de Lennik de ne plus arborer le drapeau national ne pose aucune difficulté aussi longtemps que l’on ne rencontre pas, sur le calendrier, l’un des quinze jours au cours desquels le pavoisement du pavillon belge est obligatoire (2) : le prochain jour obligatoire pour le pavoisement du drapeau national sera le 11 septembre, jour anniversaire de la reine Fabiola.
Avec la fédéralisation progressive de l’État, la situation s’est toutefois compliquée : l’autorité fédérale garde la compétence de réglementer le pavoisement de tous les bâtiments publics – fédéraux ou non – lors des quinze jours énumérés dans la liste de 1974 et lors des autres jours fériés légaux nationaux (puisque c’est elle qui détermine ces jours et le protocole de ceux-ci). Elle conserve aussi celle de réglementer le pavoisement des bâtiments fédéraux (ministères fédéraux et agences fédérales, bureaux de douane, gares, postes de police), et cela – si elle le souhaite – pour tous les jours de l’année.
Mais pour ce qui est du pavoisement, un jour « ordinaire », de bâtiments qui ne relèvent pas du fédéral (édifices communautaires, régionaux, provinciaux ou communaux), ce n’est désormais plus le fédéral mais les entités fédérées et leurs organes subordonnés qui sont autorisés à régler la matière. Ainsi, la Commission communautaire flamande (COCON) a édicté des dispositions qui règlent le pavoisement de ses bâtiments à Bruxelles. Et elle précise – en toute légalité – que trois drapeaux seulement seront arborés : le drapeau flamand (au milieu), le drapeau de la COCON et le drapeau de la Région de Bruxelles-Capitale (3). Chose notable : le drapeau national ne sera pas arboré. Par ailleurs, la Communauté flamande a prévu –également en toute légalité – que le drapeau national ne pourra pas être hissé seul mais devra, lorsqu’il est arboré, systématiquement être accompagné du drapeau flamand (4). D’ailleurs, si les deux sont hissés un jour « ordinaire », c’est le drapeau flamand qui a la préséance (5). Enfin, toujours lors de jours « ordinaires », le drapeau flamand peut être hissé seul, sans le drapeau national à ses côtés (6) : le bourgmestre de Lennik l’a bien compris.
Et pour finir, la question pour la grande distinction : qu’est-ce qui se passe, si le 11 septembre (prochain jour qui figure sur la liste des quinze jours au cours desquels le pavoisement du drapeau national est obligatoire), le lion flamand orne toujours seul la maison communale de Lennik ? Réponse : probablement rien. En effet, l’arrêté royal de 1974 n’établit aucune sanction spécifique en cas de non-respect de ses dispositions, et la tutelle générale sur les communes n’appartient plus à l’Autorité fédérale mais à la Région flamande. Et puis : le lendemain du 11 septembre, l’absence du drapeau national à Lennik sera de nouveau parfaitement légale. Tout cela, le bourgmestre le sait sans doute fort bien – et nous conduit ce faisant au « Musée des angles morts » du droit public belge. De ces angles, il y existe déjà une belle collection; et toute nouvelle réforme de l’État amène des pièces nouvelles.
À la veille du prochain remaniement institutionnel, dont certains souhaitent faire une révolution copernicienne, l’anecdote de Lennik peut nous apprendre deux choses. Premièrement, qu’il est malaisé – et dès lors à notre sens inopportun – de vouloir assurer l’attachement aux symboles belges par des règles juridiques contraignantes. Mais c’est la deuxième chose qui se situe au centre de notre pensée : lors de la rédaction des principaux textes de la future réforme de l’État, il conviendra de ne pas y procéder la nuit, à la hâte, autour d’un coin de table. Sinon, et pour rester dans l’image, le risque est grand pour notre structure fédérale de se trouver durablement placée dans la zone crépusculaire, à l’angle mort du soleil.

(1) Article 1er de l’arrêté royal du 5 juillet 1974 (modifié à quatre reprises, en 1983, 1989, 1993 et 1998).
(2) Cette règle est correctement appliquée par la Communauté flamande dans ses circulaires VR-95/37 du 24 mai 1995 et BA-97/11 du 4 juin 1997.
(3) Article 4 du règlement 00/04 du 9 juin 2000, confirmé par l’article 3 du décret flamand du 27 avril 2007.
(4) Décret flamand du 13 juin 1996.
(5) Circulaire flamande précitée du 24 mai 1995.
(6) Même circulaire.
___________________________

Christian Behrendt est professeur de droit constitutionnel comparé
et de théorie générale de l’Etat à l’Université de Liège.


maandag 18 augustus 2008

Interessen ? Wir ?

Georgien und Russland

Interessen? Wir?

Von Lorenz Jäger

16. August 2008

Es geht, wenn man diesen Intellektuellen glauben darf, um Menschenrechte, um Demokratie, um die Zukunft eines freien Europa. Um nichts anderes. Nicht um jene Pipelines, die das Öl vom Kaspischen Meer an Iran vorbeiführen, nicht um eine strategische Einkreisung Russlands durch mehr oder weniger offenes Einsickern der Nato in die Anrainerstaaten. André Glucksmann und Bernard-Henri Lévy entdecken auch diesmal wieder die Humanität genau dann, wenn amerikanische Interessen berührt sind. Nur: von diesen reden sie nicht.

Georgien hat mit der Gewalt in Südossetien begonnen? Allein die Frage sei „obsolet“, meinen die beiden Philosophen. Am Donnerstag veröffentlichten sie in der Zeitung „Libération“ unter dem Titel „SOS Georgien? SOS Europa!“ ein Manifest in dem von ihnen gewohnten alarmistischen Ton: Gegen jede einigermaßen vernünftige Diplomatie wird das Gespenst des „früheren und heutigen Faschismus“ in Anschlag gebracht. Ja, die Diplomaten nennen sie, eine groteske Nebenfigur von Proust zitierend, „unsere Norpois“, mit anderen Worten: historisch naive Versöhnler.

Ein Wendepunkt

In einem muss man den Autoren recht geben: Ein Wendepunkt der russischen Politik ist erreicht. Das riskante Abenteuer des Präsidenten Saakaschwili, mit Gewalt in Südossetien Fakten zu schaffen, ist missglückt. Russland hat bewiesen, dass es zur Selbstbehauptung in der Region fähig ist – ob dies den Europäern nun schmeckt oder nicht. Die beiden Philosophen sehen das anders. Wenn sie von Putins „Autokratie“ reden, dann versuchen sie, die alten Ängste vor dem Zarenregiment zu schüren. Man solle Russland aus der Runde der G 8 ausschließen, fordern sie, und gleich noch aus dem Europarat. Noch einmal geht es gegen die deutsch-russische Gaspipeline – und nun ist doch noch von der materiellen Basis die Rede! –, die an Polen vorbeiführt. „Kühnheit“ sei von Europa zu verlangen und Geistesschärfe. „Sonst ist es tot.“

Die Stimmen von Glucksmann und Lévy werden in Europa gehört, sie haben, in Deutschland etwa, das Portal „Perlentaucher“ auf ihrer Seite. Russland dagegen findet bis heute unter den europäischen Köpfen von Rang kaum Fürsprecher, der „Westen“ hat sich als normatives Leitbild durchgesetzt. Zwar gibt es politische Korrespondenten und Kommentatoren, die besonnener urteilen, aber bei den Intellektuellen dominiert die blanke Russophobie. Alexander Solschenizyn ist tot, und damit der einzige, auf dessen Wort auch die westlichen Geister vielleicht noch gehört hätten – aber hatten sie nicht schon lange vor seinem Tod ausgeblendet, was von diesem großen metaphysischen Nationalisten kam? Allen voran Glucksmann, der sich um die Wirkung des „Archipel GULag“ enorme Verdienste erwarb, aber vom späten Solschenizyn abrückte. Vielleicht war Émile Cioran der Letzte, der vor fast fünfzig Jahren in seinem Essay „Russland und der Virus der Freiheit“ mit philosophischen Argumenten, die auch dem westlichen Intellektuellen zugänglich waren, um Verständnis für die östliche Großmacht warb. Man muss ihn wiederlesen, um sich in diesen Tagen nicht verdummen zu lassen.

Antirussische Affekte

Es gibt einen antirussischen Affekt in Europa, den man kennen, aber von dem man sich nicht unbesehen beeindrucken lassen sollte. Der Affekt ist gerade im Konfliktfall immer mobilisierbar, wie schon zu Zeiten des Krim-Krieges in der britischen Presse die orthodoxe Religion als barbarisch-rückständig dämonisiert wurde. Bald galt das Zarenregiment in der Weltöffentlichkeit als „Feind der Menschheit“. Weil es der „Hort der Reaktion“ war, taten auch Marx und Engels im antirussischen Chor eifrig mit.

Zum Glück gibt es derzeit auch andere Stimmen, auch in „Libération“. Bernard Guetta, ehemaliger Moskau-Korrespondent von „Le Monde“, beginnt mit der Feststellung, Saakaschwili sei jedenfalls nicht der Alleinschuldige an diesem Konflikt, und das klingt schon maßvoller. Er warnt aber vor einer weiteren Forcierung der Nato-Perspektive für die Ukraine und Georgien - für die Glucksmann und Lévy im Frühjahr in einem offenen Brief an Angela Merkel plädiert hatten.

Die Menschenrechtsanwälte machen auf die Dauer ihre Sache lächerlich, wenn sie nicht von den Interessen reden - von denen der Vereinigten Staaten vor allem, aber auch, es ist kein Geheimnis mehr, von denen Israels. Und die Intellektuellen, zur kritischen Bestandsaufnahme verpflichtet, sollten auch die neuen Parolen aus Paris mit jener Skepsis betrachten, die ihr bestes Teil ist. Glucksmann und Lévy sind Intellektuelle, ja, durchaus. Aber aus ihrem martialischen Manifest spricht nicht die Stimme der Vernunft.



Text: F.A.Z.

woensdag 6 augustus 2008

De Morgen over journalistieke geloofwaardigheid

Kijk begin augustus maar goed uit met 'groot nieuws'. Ooit heette dit 'de pruimentijd', toen kinderen gedichten leerden als 'Jantje zag eens pruimen hangen'. 'Pruimen' zijn nu de metafoor voor primeurs: unieke, belangrijke en spectaculaire nieuwsberichten die slechts één medium heeft. Vroeger moesten die ook juist zijn. Nu niet meer.

Neem de twee recentste primeurs. Primeur één: koning Albert koopt een Toscaanse villa. Meer nog: een kasteel, een paleis. Kostprijs: 50 miljoen euro. En dat voor een vorst die vorig jaar zijn vermogen bekendmaakte: 12,4 miljoen euro. Oproer, want de koning had zijn land voorgelogen. Of ook: Albert koopt een ballingsoord voor het geval België splitst, want zo bespaart hij zijn familie het lot van de Romanovs.

Helaas, het nieuws klopte niet. Het paleis ontkende formeel. Geen enkele kenner geloofde er iets van. Het bewijs stopte met de verkoper van het vastgoed die zei gecontacteerd te zijn door een Belgische edelman met goede connecties met het hof. Huh huh. Een broodje aap, zij het met een royale portie saus.

Primeur twee: kwaliteitskrant wijdt haar voorpagina aan de hallicunante vertrekpremie van Herman Verwilst, de nieuwe CEO van Fortis. Vijf miljoen, het drievoud van de 'schandalige' 1,3 miljoen euro voor zijn voorganger Jean-Paul Votron. Een mens zou voor minder revolteren. Alleen bestaat die 'premie' niet. Het is een (theoretische) extrapolatie van een formule uit het jaarverslag. Niet van de hand van Fortis, maar van de journalist. Een hersenspinsel, in het beste geval een spielerei.

En dat terwijl elke insider weet dat Fortis de intentie noch de wil heeft om Verwilst eenzijdig en voortijdig te ontslaan voor het einde van zijn sowieso kortstondige mandaat. Want alleen dan zou de premie kunnen gelden. Kan, zo schreef de journalist nog. Op de website van zijn krant was die nuance al weg: 'Ondanks de ophef over de vertrekpremie van Fortis-CEO Jean-Paul Votron, ligt de premie van zijn opvolger nog hoger.' Dat is niet juist, en dus fout.

Maar het kwaad is geschied. De koning wilde 50 miljoenen spenderen aan een villa. Verwilst had na geen maand al 5 miljoen in zijn zak. Twee keer fout, en toch geschreven. Het blijft hangen. Het pruimengedicht vervolgde met: 'O, als eieren zo groot.' Net zo overdreven zijn die primeurs, én breekbaar. Eén kritische tik en ze liggen er.


Walter Pauli
Politiek commentator
06/08/08 08u15

dinsdag 29 juli 2008

Muslimische Zwangsheirat

.
Frankfurter Allgemeine Zeitung
29. Juli 2008

Muslimische Zwangsheirat
Freiheit jenseits der Gesetze?
Von Necla Kelek


Als ich 2005 mit meinem Buch „Die fremde Braut“ darauf hinwies, dass muslimische Frauen arrangiert oder unter Zwang verheiratet und nach Deutschland als Ehefrauen importiert werden, gab es von Seiten der Muslime, der Türken und ihrer politischen Freunde Protest. Mir wurde unterstellt, ich bauschte Einzelfälle auf, türkischstämmige Politikerinnen bekundeten öffentlich, aus Liebe geheiratet zu haben, nur um mir nachzuweisen, Zwangsheirat habe mit ihrer Kultur und dem Islam nichts zu tun. Migrationsforscher forderten „Gerechtigkeit für Muslime“ und verteidigten Importehen als Reflex auf die restriktiven Einwanderungsbedingungen.
Mittlerweile ist unstrittig, dass hierzulande jährlich Tausende von muslimischen Frauen und Männern durch ihre Familien in Ehen gezwungen werden. Die Frauenhäuser und Beratungsstellen sind voll, weil junge Menschen fürchten, in den Ferien in der Heimat ihrer Eltern verheiratet zu werden.
Hand in Hand gegen Zwangsheirat?
Die islamische Community gerät nicht nur in dieser Frage, sondern auch bei sogenannten Ehrenmorden, Gewalt in der Ehe und der Erziehung durch die öffentliche Meinung unter Legitimationsdruck. Niemand nimmt ihren gebetsmühlenartig wiederholten Spruch „Das hat mit dem Islam nichts zu tun“ mehr ernst. Nun versucht der Vordenker eines „europäischen Islams“, Tariq Ramadan, die Sache für die Muslime zu wenden. Gemeinsam mit Rotterdamer Islamvereinen, dem Berliner, der Muslimbruderschaft nahen Verein „Inssan“ und mit der Unterstützung des Berliner Integrationsbeauftragten Günter Piening fördert er die Initiative „Hand in Hand gegen Zwangsheirat“.
Es ist ein Versuch, die inzwischen selbstbewusster gewordenen muslimischen Mädchen einzufangen und muslimisch zu beraten, damit sie nicht mehr zu staatlichen Beratungsstellen oder in Frauenhäuser flüchten und damit Allah verlorengehen. Die Initiative hat sich in Berlin-Kreuzberg vorgestellt und eine Broschüre mit ihren Argumenten in acht Sprachen veröffentlicht.
Nicht im Namen des Islam
Neu und zu begrüßen ist darin das Eingeständnis von Muslimen und Islamvereinen, dass Zwangsverheiratung ein Problem der muslimischen Gesellschaft ist. Natürlich wird das relativiert und angeführt, auch in buddhistischen, hinduistischen und christlichen Gesellschaften sei das ebenfalls ein Problem. Zwangsheirat sei aber kein Problem des Islams, sondern der Kultur. Die Unterscheidung von Kultur und Religion soll die Religion vor der sozialen Verantwortung und kritischer Selbstreflexion retten. Ramadan und andere argumentieren, Allahs Worte und die Taten des Propheten seien ohne Fehler, nur der Mensch sei gelegentlich fehlerhaft. Der Islam bleibt damit von Verbrechen in seinem Namen unbefleckt.
Die Erkenntnis, dass Religion und Kultur ein „kulturelles System“ bilden und nicht getrennt zu betrachten sind, wird absurderweise gerade von Muslimen geleugnet, die gleichzeitig die Trennung von Glaube und Alltag, Religion und Politik ablehnen. Zwangsheirat sei nicht islamisch, das soll bereits Mohammed verkündet haben. Dass Mohammed selbst die sechsjährige Aisha heiratete, gilt nicht als Missbrauch oder Zwangsheirat, sondern wird auf der Veranstaltung von Ramadan als „Anekdote“ abgetan, die nur dazu diene, den Islam zu diskreditieren. Der zentrale, im Koran auf die Verheiratung bezogene Vers „Verheiratet die Ledigen“, Sure 24, Vers 32, fehlt in dieser Argumentation. Da steht nämlich nicht „Ihr Ledigen, heiratet“ – was bedeuten würde, dass die Menschen ein selbständiges Recht auf Eheschließung haben würden –, sondern mit dem Verdikt „Verheiratet die Ledigen“ wird die Verheiratung zur Sache der Familie, der Gemeinde.
Lob der Großfamilie
Interessant ist, wie Ramadan und seine Anhänger Familie definieren. Gemeint ist nicht eine Kernfamilie aus Mutter, Vater und Kindern, sondern die Großfamilie, der Stamm. So wird aus der Gemeinschaft der Muslime, der Umma, eine Familienkultur. In der Handreichung liest sich das so: „In einer Familienkultur ist die Familie wichtiger als das Individuum. Die Familie verhält sich als Einheit, um als Ganzes von den anderen Familien des sozialen Umfelds als voll- und gleichwertig anerkannt zu werden (...) Jedes Individuum hat im Interesse der Familie zu handeln.“ Und wenn nicht, so wird die Ehre der Familie verletzt: „In der Gruppe ist Ehre ein gemeinschaftlicher Besitz, für den alle Familienmitglieder Verantwortung tragen, ungeachtet der Hierarchieart in der Familie.“
Ramadan und seine Schüler versuchen, die Grundrechte und Werte der europäischen Zivilgesellschaft umzudeuten. Sie sprechen dem Einzelnen das Selbstbestimmungsrecht ab, definieren den Menschen als Sozialwesen und nicht als Individuum, befürworten das System der „Schamgesellschaft“ mit einem fatalen Ehrbegriff. Nirgendwo in dem Büchlein wird dem Einzelnen das Recht eingeräumt, selbst zu entscheiden, ob er überhaupt heiraten will. „Die Familie bildet den Kern der islamischen Gesellschaft, und die Ehe ist im Islam die einzige gestattete Weise, Familien zu gründen.“ Seine eigene Sexualität zu leben ist nicht statthaft.
Eine Art islamische Eheberatung
Und der rot-rote Berliner Integrationsbeauftragte Piening möchte, wie er auf der Veranstaltung sagte, „von Rotterdam lernen“? Ob der Senat das auch so sieht? Tariq Ramadan sagte in Rotterdam unter anderem: „Freiheit ist nicht die Freiheit, die andere von uns verlangen.“ Er meint damit: Jeder hat seine Freiheit jenseits der Gesetze. – Eine interessante Variante, die Scharia als Freiheit zu deuten. Er will auch nicht mehr von Integration reden, denn die Muslime sind für ihn Teil der multikulturellen Gesellschaft, in der alle Religionen mit ihren Vorstellungen gleich und mit ihren Regeln anzuerkennen sind. Dass die europäische Gesellschaft aber die Grundrechte des Individuums zur Not vor jeder Gruppe, der Religion und selbst vor dem Staat schützt, wird tunlichst ignoriert.
Unter dem Motto „Gegen Zwangsheirat“ wird also schlicht islamische Eheberatung betrieben. Dabei wird ausdrücklich die arrangierte Ehe als Modell gepriesen, auch wenn eingestanden wird, dass dabei oft Zwang im Spiel ist. „Eine Heirat ist also immer ein Bündnis zwischen Familiengruppen (...) Da eine Heirat ein Bündnis zwischen Familien ist, suchen die Familien die Partner, die am besten zueinander passen, gerade auch, um ein bestmögliches Bündnis zwischen Familien zu erzielen.“ Vor Mischehen wird gewarnt: „Ein muslimischer Junge kann zwar ein christliches Mädchen heiraten, aber ein muslimisches Mädchen darf nicht einen christlichen Jungen heiraten.“
Wider den Zwang zur Ehe
„Die Ehe ist die Hälfte der Religion“ lautet ein weiterer Mohammed zugeschriebener Ausspruch. Ramadans Argumentation ist in diesem Sinne Werbung für den muslimischen Zwang zur Ehe. Denn ohne die verheiratete Frau, ohne die Kontrolle der Männer über die Frau funktioniert die muslimische Gesellschaft nicht. Die Initiative ist deshalb ein Etikettenschwindel. Es muss der Grundsatz gelten: Ehen von Jugendlichen unter achtzehn Jahren sind grundsätzlich als Zwangsehen zu ächten. Jedem jungen Menschen, der in die Lage kommt, von seinen Eltern gegen seinen Willen verheiratet zu werden, muss der Schutz der Gesellschaft gewährt werden.
Frauenberatungsstellen und Frauenhäuser wie Papatya oder die der Autorin Serap Cileli, „Peri – Die gute Fee“, oder „Hatun und Can“ sind ehrliche Antworten auf das Problem Zwangsheirat. Das Gesetz, das Zwangsheirat unter Strafe stellt, muss endlich vom Bundestag beraten und verabschiedet werden. Wir alle sind aufgefordert, Fälle von Zwangsverheiratung zur Anzeige zu bringen und weiter aufzuklären, damit Politiker nicht immer wieder auf Imagekampagnen islamischer Prediger hereinfallen.

Die Zitate stammen aus dem Booklet „Hand in Hand gegen Zwangsheirat“ der Stiftung Islamischer Organisationen Rijnmond (SPIOR) Rotterdam.
.

zondag 27 juli 2008

Joëlle Kapompolé (PS) verklaart Laurette Onkelinx

.
Les Mérules

De Standaard deed zijn best om de lezer te sussen met:
In het Waalse Parlement gingen stemmen op tegen de woorden van Laurette Onkelinx, die immers de Vlamingen met de gevaarlijke huiszwam had vergeleken.
Verbatim luidde één van die stemmen:

Joëlle Kapompolé (PS) sur Laurette Onkelinx :

…parce que, en tant que vice-première elle a toujours essayé de concilier les points de vue francophone et flamand, et sortir quelque chose comme cela ne je ne comprends pas du tout. Ce qu’elle a voulu faire passer comme message, et moi je suis d’accord de travailler au niveau de la sémantique, c’est que la mérule se trouve au niveau de l’état fédéral, il y a un travail là qui se fait. Notamment parce que certains hommes politiques flamands ne demandent plus de transferts de compétences de façon massive, mais essaient par des façons de grappiller, je dirais, de travailler à l’esquimautage de l’état fédéral, et ça c’est honteux ! [applaudissements] Merci.
.

zaterdag 26 juli 2008

Napoleon en de Code Civil

.
DS. Boeken
vrijdag 25 juli 2008
Vol van Napoleon
Alexandra De Vos

Er zijn mensen die blijvend gefascineerd zijn door Napoleon.
Martin Bril is zo iemand.
In een onderhoudend boekje sleept hij de lezer mee in zijn passie.

Ooit had ik een Marraineke die in een Waals-Brabants dorpje een oud huis bewoonde. Het huis had een bron in de kelder, een portret van koningin Astrid aan de muur en een beeldje van Napoleon op de kast. Waarom Marraineke zo vol was van Astrid, dat had ik in geuren en kleuren mogen vernemen. Zo mooi, zo meelevend, zo helemaal van het volk. Zelf vond ik haar ook zachtmoedig stralen in sepia. Maar waaraan het wat nors uitziende mannetje op de kast haar hart had verdiend, dat bleef een niet onder woorden te brengen mysterie. 'Ah, Napoleon!', zuchtte ze terwijl ze zijn bleek-ivoren gezicht afstofte. Mijn vragende blik werd slechts beantwoord met handengewapper en vochtige ogen. 'Mon Napoléon!' Een man als Napoleon, dat sprak toch vanzelf?

Blijkbaar zijn er wel meer mensen die zich onbedwingbaar aangetrokken voelen tot de figuur van Napoleon Bonaparte. De Corsicaan die ooit half Europa aan zijn voeten had, moet wel een bijzonder sterke aura hebben. Een die eeuwen en landsgrenzen overbrugt. Volwassen mannen spelen zijn veldslagen na in aangepast kostuum of verzamelen soldaatjes van la grande armée. Anderen treden letterlijk in zijn voetsporen, volgen de omzwervingen van Napoleon in zijn queeste naar eeuwigdurende roem, en raken onderweg gefascineerd door de plaatsen en personen die bijrollen vertolkten in de saga. Zo ook Martin Bril, een Nederlandse journalist die de Napoleongekte onder de leden heeft. En wat doet een beetje schrijver met een zinloze passie? Hij maakt er een boekje van, kwestie van onschuldige lezers mee te slepen in het avontuur. Het boekje heet De kleine keizer en het is, met dank aan het onderwerp, bijzonder onderhoudend.

Eenzelvig

Op de titel valt niets af te dingen, want klein was Napoleon - 1,63 meter, wordt gezegd - maar de omvang van de Napoleonmythe is reusachtig. Voor de neofiet is er geen beginnen aan, schrijft Bril. 'Kennis is macht, maar te weinig kennis maakt hulpeloos en ten aanzien van Napoleon schiet iedereen altijd te kort.' Ondanks dit pessimistische uitgangspunt deed Bril de voorbije jaren verwoede pogingen om zijn kennis bij te spijkeren. Hij las zich een ongeluk, speurde in archieven en bezocht de sites van Napoleons beroemdste veldslagen. Op Corsica kroop hij in de grot waar de kleine Napoleon zich voor zijn moeder placht te verstoppen. Hij was een vreemd kind, Napoleone, en een nog vreemdere adolescent: ernstig, vechtlustig en ambitieus, maar ook broedend en eenzelvig. Tegen een leraar die hem vroeg wat hij toch met zo'n eigenzinnig geval aan moest, riep de elfjarige Napoleon gekwetst: 'Je suis un homme!'

Aan klassieke mannelijke deugden ontbrak het Napoleon niet. Bril somt ze met plezier op in vele korte hoofdstukjes. Van vroege militaire successen - de slag bij Marengo! - tot zijn passie voor Joséphine De Beauharnais en zijn onwaarschijnlijke comeback nadat hij naar het eiland Elba verbannen was. Zelfs Napoleonhaters moeten toegeven dat hij best dapper was, en dat hij onwaarschijnlijk veel obstakels overwon. Schrijven kon de kleine keizer ook, en wel zo goed dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code civil voor hij zich aan zijn literaire arbeid zette. 'Een wonder van droge, maar toch elegante formuleerkunst', noemt Bril Napoleons burgerlijk wetboek. Napoleons liefdesbrieven aan Joséphine zijn even eloquent en veel persoonlijker - jammer dat Bril daar niet uit citeert.

Keizerlijke fat

Bevlogen militair, bevlogen minnaar - allemaal mooi en wel, maar mooie liedjes blijven niet duren: in die zin verging het Napoleon net als Elvis, die andere passie van Bril. Zoals de rockende Elvis zijn wilde onschuld en zijn slanke lijn verloor om te eindigen als croonende drilpudding, zo verwerd de revolutionair Napoleon tot een pompeuze keizerlijke fat.

Macht was zijn minnares, in de liefde was hij cynisch geworden nadat hij Joséphines ontrouw had ontdekt. Toen de verzamelde Europese grootmachten zijn imperiale geldingsdrang beu waren, was het sprookje uit. De stralende zon van Austerlitz - zijn mooiste veldslag - verdronk in de modder van Waterloo, en van het eiland Sint-Helena zou hij niet meer ontsnappen. Zijn tweede vrouw liet hem in de steek. Haar vader, de keizer van Oostenrijk, voedde zijn enige wettige zoon op. Die stierf jong aan tbc. 'Quel roman que ma vie', zuchtte de verbannen Napoleon. Op het vochtige Sint-Helena verveelde de ex-keizer zich dood. Zijn laatste woord voor hij bezweek aan maagkanker: 'Joséphine.'

Helaas is een autobiografische roman er nooit van gekomen, maar een stoet anekdotes zoals Martin Bril ze opvoert in De kleine keizer is toch een troost. Keuze zat, want vrijwel alles wat Napoleon ooit zei en deed is door aandachtige toeschouwers vastgelegd. Je zou kunnen spreken van een levensechte soap of, zoals Bril het schrijft: 'Misschien heeft het leven van Napoleon op mij dezelfde aantrekkingskracht als Goede tijden, slechte tijden op mijn dochters.'

Bril is ook bij uitstek gefascineerd door de 'petite histoire': verwacht dus geen diepgaande karakterstudie of een grondige doorlichting van de troepenopstelling bij Austerlitz. De kleine keizer is een Napoleongrabbelton waaruit Bril een bijzonder voorval of een grappig detail vist om het dan, met zorg gepoetst, voor de neus van de lezer te houden. Het is een gezellig keuvelend verslag van een passie, zoals ook wijlen Boudewijn Büch dat graag schreef. Als hors-d'oeuvre, een smakelijk opwarmertje in afwachting van het serieuze werk, kan het tellen. Misschien eindigt ook u met een boekenplank vol Napoleonliteratuur. Of met een beeldje op de kast.

Martin Bril:
De kleine keizer
Verslag van een passie
2008, Prometheus
.