dinsdag 7 oktober 2008

De Gucht zijn zogenaamde franc-parler

.
De Standaard, zaterdag 04 oktober 2008

'Ik doe niet mee aan vierendelen Fortis-top'
van onze redacteurs

Isabel Albers

'Ik erger me aan het gebruik van het woord “liberaal, in het licht van de huidige financiële crisis. “Het is de schuld van de liberale financiële markten,, hoor je nu. Kan iemand mij eens uitleggen wat een niet-liberale markt dan wel zou zijn?'

Het blijft opmerkelijk dat socialistische recepten nu de crisis moeten vermijden.

(geringschattend) 'Socialistische recepten, kom nu.'

In liberale handboeken staat alvast geen handleiding voor de nationalisatie van de banksector.

'Ten eerste moet men durven zeggen dat de crisis niet in Europa is ontstaan, maar in Amerika. Uiteraard zijn de financiële markten globaal geworden, Amerika met de vinger wijzen is maar een deel van het verhaal. Ten tweede is er de vaststelling dat maar vijf procent van alle financiële transacties ook echte economische transacties zijn waarbij een goed of een dienst gekocht of verkocht wordt. De rest is speculatie. Dat is niet te vermijden, maar wel te temperen. Is een liberale markt hetzelfde als speculeren? Voor mij niet.'

'Anderhalf jaar geleden heb ik al gezegd dat de uitzonderlijk hoge salarissen van topmanagers maatschappelijk niet aanvaard worden, en dat dat vroeg of laat tot excessen zou leiden.'

Maar de wettelijke controle via de CBFA heeft niet naar behoren gewerkt.

'Verwacht van mij geen onbezonnen uitspraken. Er moet een onderzoek komen; een parlementaire onderzoekscommissie is daar overigens niet het geschikte instrument voor. Een commissie van onafhankelijke financieel experts kan ons in drie tot zes maanden duidelijkheid verschaffen, waarna het parlement hun rapport uitgebreid kan bespreken.'

'Want dat er een ernstig onderzoek moet komen, lijdt geen twijfel. Niet alleen over de manier waarop de controlemechanismen hebben gewerkt, maar ook over het beheer en het bestuur van de financiële instellingen. Het gaat over het geld van de mensen.'

De kern van het huidige financiële probleem ligt in de Verenigde Staten. Maar is Fortis ook niet veel te overmoedig geweest?

'Achteraf roepen dat Barbertje moet hangen is gemakkelijk.'

De aandeelhouders van Fortis zouden misschien toch wel een Barbertje willen zien hangen.

'Ik doe niet mee aan het vierendelen van de Fortis-top op de Grote Markt van Aalst, zoals met Jan de Lichte gebeurde (roverhoofdman die in 1748 in Aalst werd terechtgesteld, red.). De slogans die je nu hoort, dat Fortis zich veel te ver gewaagd heeft aan ABN Amro, zijn wel erg gemakkelijk gezegd. En zeggen dat Fortis geen financiering had vooraleer het ABN Amro kocht, dat is de feiten verdraaien. Je kunt moeilijk op de beurs kapitaal ophalen als je nog geen deal hebt. Over het bestuur van Fortis moet ook duidelijkheid verschaft worden. Let wel, ik wil de figuur van Maurice Lippens hier niet witwassen. Ik ken de man niet, maar ik veroordeel niemand zonder de feiten te kennen.'

Het faillissement was heel dichtbij.

'Dat klopt. Als dat niet het geval is, pomp je als land geen miljarden in die bank. We konden niet anders. Als we de zaak op haar beloop hadden gelaten, was heel het systeem ingestort. Ik verzet me tegen het beeld dat het de wilde kapitalisten zijn die dit veroorzaakt hebben en dat de belastingbetaler hen moet komen redden. Het zijn in de eerste plaats de aandeelhouders die de dupe zijn, ze hebben enorm verloren. Johan Vande Lanotte (SP.A) is zelden correct in zijn oppositie, maar zelfs hij geeft toe dat als de SP.A in de regering had gezeten, ze hetzelfde had gedaan. De staat heeft trouwens niet de bedoeling om in het aandeelhouderschap te blijven.'

Onze buurlanden hebben met ons Fortis en Dexia gered, maar de prijs is navenant. Fortis moet ABN Amro opnieuw verkopen, en de baas van Dexia, Axel Miller moet onder Franse druk opstappen. Harde realpolitiek.

'De Nederlanders zijn nooit echt tevreden geweest dat ABN Amro in Belgische handen kwam, dat klopt. Maar goed, het afstoten van ABN Amro is een puur financiële kwestie, voer voor specialisten. Het is ook een kwestie van alternatieven en die waren er nu eenmaal niet. In het geval van Frankrijk en Dexia is het in elk geval... (twijfelt) een verwonderenswaardige zaak.'

Een jammerlijke zaak ook?

'Voor zover ik weet, heeft Axel Miller (de ex-topman van Dexia, red.) niets verkeerds gedaan.'

Moet Europa nu iets doen?

'Wij willen wel een vorm van responsabilisering. Banken zouden minstens vijf procent van de financiële producten die ze aanbieden zelf in handen moeten houden. Een tweede zaak is dat voor banken die echt in een pak Europese landen opereren, een toezicht op Europees niveau moet komen.'

Premier Yves Leterme (CD&V) komt als winnaar uit de crisis.

'Hij heeft in dit dossier zijn rol gespeeld zoals hij dat moest doen. Leterme heeft de capaciteiten om dit soort zaken aan te kunnen, dat mag je ook verwachten van een premier.'

'In de communautaire dossiers is het hem niet gelukt, omdat hij in verkiezingstijd veel te veel beloofd had. Plus natuurlijk de onwil van Wallonië om tot een akkoord te komen.'

Is uw verstand nog altijd te klein om te zien hoe er nu een staatshervorming mogelijk is?

'Mijn verstand groeit niet meer, hé. Ik ben stilaan op de leeftijd dat er per dag een paar duizend hersencellen kapotgaan.'

Zonder de N-VA zal het dus niet gemakkelijker zijn?

'Dat is geen ernstige vraag. Het dossier dat er nu ligt, is geconditioneerd door het feit dat we er al vijftien maanden aan een stuk mee geleurd hebben. Als een verkoper voor de derde keer met een stofzuiger komt aanbellen, heeft hij daarom nog geen betere stofzuiger bij zich. Voor de regionale verkiezingen van volgend jaar komt er geen betekenisvol akkoord. Ook voor BHV geldt dat, dat heb ik trouwens altijd gezegd. Ik kan er ook niet aan doen dat mijn voorspelling nu uitkomt.'

Uw partij bespeelt nu zelf het communautaire thema met agressieve advertenties.

'Kom kom, dat interpreteert u verkeerd. Een teaser bovenaan een advertentie moet de aandacht trekken, die slogan dekt de lading niet. Het punt dat wij willen maken is dat Vlaanderen de belastingen verlaagt, ondanks het uitblijven van een staatshervorming. De redenering dat het in Vlaanderen niet meer goed kan gaan zonder eerst een staatshervorming, is op drijfzand gebaseerd.'

We kunnen dus verder zonder staatshervorming.

'Een regio zonder schulden moet toch vooruit kunnen op eigen benen?'

Uw eigen partij hamerde maanden op de noodzaak van een staatshervorming.

'De redenering dat we absoluut die staatshervorming nodig hebben en anders met Vlaanderen de dieperik ingaan, is een puur N-VA-verhaal. Ik blijf voorstander van meer bevoegdheden voor de regio's en ook van meer fiscale en financiële verantwoordelijkheid. We moeten vooral het financieringsmodel van ons land hervormen. Voor de begroting van 2009 vloeit er nog eens 2miljard euro extra naar de deelstaten. Geld dat we niet hebben. Terwijl de netto-inkomsten in totaal afnemen. Om België recht te houden moeten we dat systeem herzien. Bedrijfseconomisch: heb je er wat aan dat de dochteronderneming bulkt van het geld terwijl de moeder bijna failliet gaat? Wat gebeurt er dan normaal? Dan neemt de dochter de moeder over.'

De federale begroting 2009 heeft een tekort van meer dan 6miljard. Waar gaat u die vinden?

'Vinden? Dat klinkt alsof we paaseieren gaan zoeken. Alleen kun je die pas vinden als iemand ze eerst verstopt (gniffelt). Wij kunnen besparen op het personeel. Alleen is het effect daarvan ook niet onmiddellijk voelbaar.'

CD&V wou geen eenmalige maatregelen om de begroting te redden.

(fijntjes) 'Daar zullen ze wel snel van afstappen.'

'Een groeitempo van 4,5 procent in de gezondheidszorg is onbetaalbaar. Met een stijgingspercentage van 2,8 kunnen we ze perfect op peil houden. Want laat het duidelijk zijn: wij aanvaarden geen stijging van de belastingen.'

Een CO2-koppeling aan beroepsaftrek voor de bedrijfswagens, is dat geen belasting?

'Als je snijdt in de beroepsuitgaven, is dat een verhoging van de belastingen. Met de liberalen in de regering komt er geen belastingverhoging. Duidelijker kan ik toch niet zijn?'

Is deze regering nu vertrokken tot 2011?

'Dat weet ik niet. Maar deze regering heeft wel al getoond dat ze fundamentele beslissingen kan nemen. We hebben het Verdrag van Lissabon goedgekeurd, we hebben de EU-operatie in Tsjaad beslist, we hebben de begroting van 2008 opgesteld. De bevolking verwacht dat we nu voortregeren. Ik denk dat ze het ons erg kwalijk zou nemen als we haar nu in de steek laten. Maar ze zou het ons al even kwalijk nemen als we de belastingen zouden verhogen, wat trouwens complete waanzin zou zijn. We hebben zowat de hoogste belastingdruk van Europa. Of is het de bedoeling België economisch te wurgen?'

Hoe hebt u eind september tijdens de VN-top in New York uitgelegd dat uw premier weer eens thuis bleef voor een interne crisis?

'Ik heb daarover geen vragen gehad.'

Niemand mist Leterme op dat niveau?

'Neen. Ik ben vijf jaar minister van Buitenlandse Zaken, Guy Verhofstadt is daar in die hele tijd ook maar één keer geweest. Als Leterme niet naar New York gaat, valt niet iedereen daar in een zwart gat.'

Toen u in New York was, kwam uw vice-premier Patrick Dewael in een storm over politiebenoemingen terecht. Maar hij klampt zich vast aan zijn post.

'Ik ben ervan overtuigd dat Patrick daar niets van wist. Hij zit zo niet ineen, hij houdt zich met dat soort zaken niet bezig.'

'Ik heb een kleiner kabinet, maar ik ben ook vaak in het buitenland. Als medewerkers hier achter mijn rug e-mails schrijven, kan ik dat ook niet weten.'

De man die de mail stuurde, Paul Van Tichelt, was de rechterhand van Dewael: zijn woordvoerder en adjunct-kabinetschef.

'Ik zeg u dat Dewael van die hele situatie niets wist. Daarop heeft hij de inschatting gemaakt of hij kon blijven functioneren. Volgens hem kon dat, en ik vind dat hij de juiste keuze maakte.'

Waar begint ministeriële verantwoordelijkheid dan nog, als zelfs fouten van naaste medewerkers de minister niet kunnen worden aangewreven?

'In het rapport van het comitéP staat letterlijk dat er niets onoorbaars is gebeurd op het kabinet van Dewael. De “vervalsing, van de examenresultaten is niet op het kabinet gebeurd.'

Het beeld dat blijft hangen is dodelijk.

'Wat er gebeurd is, is onhandig. Maar Paul Van Tichelt en Chris Vander Linden hebben hun conclusies getrokken.'

Na de affaire rond de Vlaamse minister Fietje Moerman en nu rond Dewael lijken Open VLD-kabinetten wel zelfbedieningswinkels.

'Hoe heeft Dewael zichzelf bediend?'

'Kijk, Moerman was zeker ook niet persoonlijk schuldig aan wat er gebeurd is op haar kabinet. Ze heeft ontslag genomen zonder dat de partij daarom vroeg. Maar het comitéP zegt zelf dat er op het kabinet-Dewael geen onwettelijke zaken gebeurd zijn.'

Wie bij Open VLD had aan Dewael moeten zeggen dat hij ontslag moest nemen? Er is een broos evenwicht tussen de top drie, een ontslag had dat verstoord.

'Waar haalt u dat, dat er een “broos evenwicht, is? Ik werk met Patrick en met Bart Somers perfect samen. Want ook al is de economische en politieke toestand geweldig moeilijk, wij beleven alledrie plezier, nu ja arbeidsvreugde, aan onze job. Als de partijvoorzitter zou vinden dat een minister moet aftreden, dan zou hij dat zeggen. Wie die minister ook mag zijn. Maar het is niet aan de orde.'

'Herinnert u zich die heisa rond het cv van de Congolese president Kabila? Denkt u dat ik dat toen in het persdossier had gestoken? Dat ik erbij stond toen iemand daarop schreef dat hij Rwandese roots had?'

Neen, maar u hebt wel de verantwoordelijkheid genomen voor de fout van die medewerker.

'Dat is toch wat men politieke moed noemt? Dewael neemt de politieke verantwoordelijkheid voor wat er gebeurd is. De vraag is of hij daarvoor moet ontslag nemen en mijn antwoord is neen.'

Door zijn ondergeschikte, zijn rechterhand te slachtofferen?

'Ik wil geen gevallen vergelijken die niet te vergelijken zijn. Ik geef het alleen als voorbeeld van dingen die kunnen gebeuren zonder dat een minister daar greep op heeft. Meestal is dat een aaneenschakeling van toevalligheden.'

'Je kunt als minister onmogelijk alles nakijken. De eerste les die ik kreeg toen ik hier op Buitenlandse Zaken kwam, was een telefoontje van Herman De Croo. “Het enige wat je nu nog moet leren als minister is dossiers tekenen zonder ze er volledig op na te lezen. Want als je ze allemaal wilt lezen, doe je niets anders meer., De Croo had groot gelijk, je kunt niet alles nakijken. De vraag is: “Waar ligt de lijn van zaken waarvan je verantwoordelijkheid aan ontslag koppelt?, Dewael heeft die lijn nooit overschreden.'

De afgelopen maanden leek u zich meer en meer te ergeren aan de politieke toestand. Is dat nog altijd zo?

'Wie de afgelopen vijftien maanden in de Wetstraat leuk vond, is een masochist. Die moet naar de Cage aux Folles. Ik kan niet ontkennen dat de huidige uitdagingen eerder mijn adrenaline doet stromen dan dat ik mijn hoofd laat hangen. Ik leef op hoop.'
Wouter Verschelden
.

donderdag 2 oktober 2008

Cholera in Parijs, 1832

.
Cholera


I. Halfvasten 1


Het is niet de tijd meer voor bespiegelingen over het verleden. Het heden is op dit moment belangrijker, en het thema dat dit heden mij ter bespreking aanreikt, is van die aard dat zelfs de vraag of ik verder zal kunnen schrijven er van afhangt.
Ik geef u een fragment van een artikel, en in een later boek zal het dan in zijn geheel verschijnen. Ik werd bij mijn schrijfwerk vaak gestoord, het meest door het verschrikkelijke kermen van mijn buurman die aan de cholera stierf. Ook moet ik u ervan verwittigen dat de omstandigheden van die dagen een bedenkelijke invloed hadden op mijn volgende bladzijden; weliswaar had ikzelf voor zover ik wist geen enkel ongemak, maar als de geluiden van de Dood die zijn sikkel aan het wetten is, een mens zo duidelijk in de oren klinken dan stoort dat toch. Van zo’n geestelijk onbehagen kun je je niet ontdoen, minder nog dan van lichamelijke pijn. Was ook die er nog bijgekomen, dan was ik op de loop moeten gaan, zoals de andere buitenlanders hier; maar – hier lag ook mijn beste vriend ziek te bed. Ik vermeld dat, omdat men anders mijn achterblijven in Parijs voor een stukje bravoure zou kunnen aanzien. Alleen een gek zou er plezier in vinden om de cholera te willen trotseren.
Het was opnieuw een tijd van terreur, veel verschrikkelijker dan die vorige, want deze keer hadden de terechtstellingen zo snel en zo heimelijk plaats. Een gemaskerde beul was het die met een onzichtbare guillotine ambulante door Parijs trok. “De één na de ander worden we in de zak gestoken!” zei elke morgen mijn bediende al zuchtend, als hij me het aantal doden kwam melden, of ook de dood van een kennis. De uitdrukking “in de zak steken” was helemaal geen beeldspraak; men kwam al snel kisten tekort, en het merendeel van de doden werd in zakken begraven. Toen ik nu vorige week voorbij een openbare markt kwam, en in de grote hallen al dat lustige volk zag, die springlevende montere Fransmannetjes, en die lieflijke kletskousen van françaises die lachend en schaterend hun inkopen deden, toen herinnerde ik mij weer dat er in de choleratijd op die plek, hoog gestapeld, vele honderden witte zakken lagen waar allemaal lijken inzaten, en dat je hier maar weinig stemmen hoorde toen, maar ze klonken des te pijnlijker; het waren namelijk de stemmen van de lijkwachters die met een griezelige gelijkmoedigheid aan de doodgravers elk hun aantal zakken toebedeelden, of het waren die van de doodgravers die bij het stapelen op de karren met gedempte stem dat getal herhaalden, of zich juist schril en luid beklaagden dat men hen een zak te weinig had geleverd, waarbij het niet zelden tot onwezenlijke ruzies kwam. Ik weet nog dat er naast mij twee knaapjes stonden met bedroefde gezichtjes, en één ervan vroeg mij: of ik niet wist in welke zak zijn vader zat?
De nu volgende mededelingen hebben wellicht de verdienste dat ze tegelijk ook een bulletin zijn dat op het slagveld zelf is geschreven, en nog wel tijdens de slag zelf, zodat zij de onvervalste kleur van het moment tonen. Toegegeven, in het genre hebben Thucydides, de geschiedschrijver en Bocaccio, de novellist ons wel gavere voorbeelden nagelaten; maar ik betwijfel of zij, op het moment zelf dat de cholera van hún tijd allerhardst om hen heen had gewoed, of zij dan de koelbloedigheid zouden hebben gehad om zulks meteen in de Allgemeine Zeitung van Korinthië, of in die van Pisa even mooi en meesterlijk te beschrijven.
Ik zal bij de volgende bladzijden aan één grondgedachte trouw blijven, en ook in de rest van het boek, namelijk: dat ik niets aan deze artikelen verander, dat ik alles laat afdrukken zoals ik het oorspronkelijk geschreven heb. Dat ik alleen hier en daar een enkel woord toevoeg of weglaat, als dat in mijn herinnering met het oorspronkelijke manuscript overeenkomt. Zulke kleine rechtzettingen hoef ik niet te verwerpen, maar ze zijn schaars en onbeduidend en nooit gaat het over feitelijke vergissingen, of valse profetieën of scheve perspectieven. Immers, juist die mogen hier niet ontbreken: zij behoren tot de geschiedenis van de tijd. De gebeurtenissen zelf zijn altijd de beste berichtgeving.

oOo

Ik spreek over de cholera die hier heerst, en ongebreideld heerst, en die zonder onderscheid van stand of gezindheid in duizendvoud haar slachtoffers velt.
Men had die pestilentie nogal onbekommerd tegemoet gezien, temeer daar vanuit Londen het bericht was gekomen dat er naar verhouding maar weinigen waren weggerukt. Aanvankelijk stond het zelfs goed om de spot te drijven met de ziekte. Men ging er van uit dat de cholera zich hier in Parijs geen aanzien zou weten te verwerven, evenmin als zovele andere grote reputaties hier… en men kon toch die goeie ouwe cholera er niet van verdenken dat ze, uit schrik om belachelijk te worden gemaakt, naar een middel zou grijpen dat tenslotte al door Robespierre en Napoleon was uitgeprobeerd: namelijk dat zij het volk zou decimeren louter en alleen om respect af te dwingen.
Maar, met alle ellende die hier heerst, met het kolossaal gebrek aan hygiëne – en dat niet alleen bij de armste klassen – gezien de kwetsbaarheid van het ganse volk in zijn grenzeloze lichtzinnigheid, en bijgevolg het totale gebrek aan voorzorgsmaatregelen of zelfs maar voorzichtigheid, met dat alles dus moést de cholera wel snel en hard om zich heen grijpen, en hier meer dan elders.
Haar aankomst werd de 29ste maart officieel bekendgemaakt. Dat was de dag van halfvasten, mi-carême. Het weer was zonnig en aangenaam, en dus wandelden de Parijzenaars vrolijk op de boulevards. Daar waren zelfs gemaskerden te zien die in overdreven kleuren en vormen de spot dreven met de angst voor de cholera, en met de ziekte zelf. Er was die avond nog meer volk op de redoutes 2 dan anders; overmoedig geschater overstemde de luidste muziek, de mensen raakten verhit van de chahût — het cancan-dansen: dubbelzinnig is die dans dan ook nauwelijks. En ze aten daarbij ijs en dronken allerhande koude dranken: tot plots een van de lustigste Harlekijns een al te grote koelte in zijn benen gewaar werd en zijn masker aflegde, waarbij er tot grote verwondering van iedereen een viooltjes-blauw gezicht tevoorschijn kwam. Men zag al snel dat dit geen grap was, en het gelach verstomde. Vele wagens vol met mensen werden gelijk van de redoute naar het Hôtel-Dieu afgevoerd, het centrale ziekenhuis waar zij, met hun avontuurlijke schertskledij nog aan hun lijf, terstond stierven. Omdat men in een eerste paniek nog geloofde aan besmetting, en omdat de oudere gasten van het Hôtel-Dieu een vreselijk angstgeroep aanhieven, heeft men die eerste doden naar men zegt zó snel begraven dat men niet eens de tijd nam om hun narrenkledij uit te trekken, en net zo vrolijk als ze hebben geleefd liggen ze nu vrolijk in hun graf.


II. Vergif


Niets lijkt op de verwarring waarmee er nu plots veiligheidsmaatregelen werden genomen. Er kwam een commission sanitaire tot stand, er werden overal bureaux de secours ingericht en de verordening betreffende de salubreté publique, de huisvuilophaling, moest ten spoedigste in werking treden. Hier kwam men al direct in botsing met de belangen van enige duizenden mensen, die de vuilnis op de openbare weg als hun eigen domein beschouwden. Dat zijn de zogenaamde chiffonniers, die uit het afval dat zich een hele dag in hoekjes en kantjes voor de huizen ophoopt hun levensonderhoud halen. Met grote spitse korven op de rug en een prikstok in de hand slenteren deze vuil-bleke gedaanten, deze mensen, door de straten en uit het vuil weten ze nog heel wat bruikbaars te prikken en te verkopen. Maar nu gaf de politie die afvalophaling in entreprise, om het vuil niet te lang op straat mocht blijven liggen. Het afval werd op karren geladen en moest direct de stad uit, naar het vrije veld. Alleen daar was het de chiffonniers nog toegestaan naar hartenlust wat rond te vissen. Maar deze mensen klaagden nu: dat ze gebroodroofd werden, of op zijn minst in hun belangen geschaad; dat hun bedrijvigheid een lang verworven recht was, op zijn manier een soort eigendom die ze hen niet zomaar willekeurig konden afnemen.
Het is eigenaardig dat de argumentatie die de chiffonniers daarbij hanteerden, helemaal dezelfde was als die van onze Duitse landjonkers, gildenmeesters, tiendenpredikers, faculteitsgenoten en andere bevoorrechten, en die zij plegen in te roepen wanneer de oude misbruiken waar zíj nut van hebben — het afval van de Middeleeuwen dus — als die misbruiken eens dreigen opgeruimd te worden, om tenminste ons leven niet langer te laten verpesten met dat verjaard stof en die vuilnis.
Toen hun protest niets uithaalde, probeerden de chiffonniers de hervorming van de huisvuilophaling met geweld te verhinderen; ze zetten een kleine contrarevolutie op, met de steun van zekere oude vrouwen, de revendeuses. Aan hen had men verboden om het stinkende goedje, dat ze grotendeels van de chiffonniers betrokken, nog langer langs de kaden uit te kramen. We maakten nu een weerzinwekkende opstand mee: de nieuwe reinigingskarren werden kapotgeslagen en de Seine ingekieperd. De chiffonniers wierpen barricades op bij de Porte St-Denis; bij Châtelet vochten de ouwe-rommel-wijven met hun grote paraplu’s; de generale strijdmars weerklonk; eerste minister Casimir Périer liet zijn myrmidonen3 uit hun boetieken naar buiten trommelen; de troon van burger-koning Louis-Philippe sidderde; de rente zakte; de Karlisten juichten. Deze laatsten, de aanhangers van het oude koningshuis en het ancien régime, hadden eindelijk hun natuurlijke bondgenoten gevonden, lompenrapers en rommelkraamsters, want ook die kwamen nu op voor hún principes: voorvechters van het vervallene, van het overgeleverde erf-afvalrecht, en van alle soort uitvaagsel.4
Het oproer van de chiffonniers werd dus door de gewapende macht gesmoord; op dat moment greep de cholera nog niet eens zo woedend om zich heen als sommigen het misschien wel hadden gewenst – want zulke lui zijn er altijd: die hopen bij elke noodtoestand, of bij elke volksopwinding niet zozeer op hun eigen overwinning, dan wel op de val van de zittende regering.
En dan plots dat gerucht! De vele mensen, die zo snel waren begraven – die waren niet aan een ziekte gestorven, maar door vergif !
Het ging rond dat men op alle levensmiddelen vergif had weten te strooien: op groentemarkten was het gebeurd, bij bakkers, bij slagers, bij de wijnhandelaars. Hoe ongelooflijker de verhalen klonken, des te gretiger werden ze door het volk geslikt – en toen de politieprefect nog met een verklaring voor de pinnen kwam, moesten zelfs hoofdschuddende twijfelaars er geloof aan hechten.
Het is er de politie hier minder om te doen – hier zoals elders – om misdaden te verijdelen, dan wel om het zó te laten voorkomen alsof ze altijd wel weet hebben van wat er omgaat. Nu wilden ze met dat communiqué, ofwel pralen met hun alwetendheid, ofwel redeneerden ze: bij zulke berichten als een vergiftiging, en laat die waar zijn of vals, moeten we in elk geval alle argwaan ten opzichte van de regering proberen af te wenden. Wat er ook van zij, door hun ongelukkig communiqué waarin uitdrukkelijk stond dat ze de gifmengers op het spoor waren, werd dit kwaadaardige gerucht natuurlijk ten volle bevestigd en heel Parijs raakte in een gruwelijke doodsverbijstering.
“Wat horen wij nu toch allemaal!” riepen de oude mensen, die zelfs in de grimmigste ogenblikken van de Revolutie nooit zulke wandaden hadden meegemaakt. “Français! we zijn onteerd!” riepen de mannen en zij bonkten zich op hun koppen. De vrouwen drukten hun kleine kinderen angstig tegen hun hart en weenden bitter en jammerden dat de kleine wormpjes nog in hun armen zouden sterven. De arme mensen waagden het niet meer te eten of te drinken en zij wrongen hun handen van pijn en woede. Het was alsof de wereld verging. Op alle straathoeken, vooral bij de roodverlichte wijnhuizen stonden hele groepjes zich te beraden. Daar was het ook dat mensen die er enigszins verdacht uitzagen werden afgetast, en wee! als men in hun zakken ook maar iets verdachts vond. Als wilde beesten, als razenden, stortte het volk zich op hen. Zeer velen konden zich door tegenwoordigheid van geest nog redden; velen werden ontzet door de garde communale die in die dagen overal patrouilleerde; anderen werden zwaar verwond en verminkt; zes mensen werden op de meest onbarmhartige manier vermoord.
Er is geen afgrijselijker aanblik dan de volkstoorn die om bloed vraagt, en zijn weerloze slachtoffers wurgt. Dan stroomt er door de straten een donkere mensenzee met daarin, als witte kopjes op de golven, arbeiders in hemdsmouwen. Alles giert en bruist genadeloos, heidens, demonisch. In de rue St Denis hoorde ik de oude kreet “à la lanterne5 en woedend vertelden enkele stemmen mij dat ze een gifmenger gingen verhangen. De enen zeiden dat het een koningsgezinde was – ze hadden naar het schijnt een brevet du lys in zijn tas gevonden, een soort vrijgeleide met het leliesymbool; anderen beweerden dat het een priester was, en die zijn tot alles in staat. Aan de rue Vaugirard werden twee mensen vermoord want ze hadden een wit poeder op zak. Ik zag één van die ongelukkigen, die nog even reutelde en rochelde. Zelfs oude vrouwen deden hun klompen uit en sloegen hem zolang op z’n kop tot hij dood was. Hij was poedelnaakt, tot een bloedklomp geslagen en gekwetst; niet alleen waren hem de kleren afgerukt, ook de haren, de schaamdelen, de lippen en de neus. Een woesteling deed het lijk een strop om de voeten en sleepte het door de straat. Hij riep daarbij aan één stuk: “Voilà le choléra-morbus!”
Een wondermooi, witwoedend vrouwmens, met de borsten bloot, haar handen helemaal onder het bloed, stond aan de kant en toen het lijk haar passeerde gaf ze het een trap met haar voet. Ze lachte en vroeg mij of ik voor dat zachtmoedige werkje niet een paar franken over had; dan kon ze een zwart rouwkleed kopen, want haar moeder was een paar uur daarvoor gestorven, vergiftigd.

III. Flanel

De dag daarop bleek uit de kranten dat de ongelukkige mensen die men zo gruwelijk had vermoord volslagen onschuldig waren geweest; het verdachte poeder dat op hen was gevonden, zou kamfer zijn geweest, of chloruur, of een van die andere middeltjes tegen de cholera – en al die zogenaamd vergiftigden waren doodnatuurlijk bezweken aan de heersende plaag. Het volk hier, zoals het volk overal, ontsteekt snel in woede en kan op zulke momenten tot gruweldaden worden verleid; maar als datzelfde volk bezadigde stemmen hoort, laat het zich even snel milder stemmen en heeft het hartsgrondig berouw over zijn wandaden.
Met dat soort stem hebben de kranten hier, direct de dag daarop, het volk weten in te tomen en te sussen. Het mag een triomf van de pers worden genoemd dat zij in staat bleek het onheil zo snel in te perken – onheil dat de politie met haar communiqué had aangericht. Hier moet ik de houding laken van een paar lui die niet eens tot de laagste klasse behoren, maar die zich in hun kwaadwilligheid niettemin zó op sleeptouw lieten nemen dat ze de partij van de Carlisten openlijk van gifmengerij hebben beticht. Zó ver mag de passie ons nooit voeren; eerlijk, ik zou me grondig bedenken voor ik een dergelijke gruwelijke beschuldiging zou uitspreken aan het adres van mijn giftigste vijanden. De Carlisten hieven, terecht in dit geval, een weeklacht aan. Enkel dat ze hierbij zo luid en schimpend tekeer gingen fluisterde mij wat argwaan in; dat is niet de gebruikelijke taal van de onschuld.
Maar de beste experten zijn ervan overtuigd dat van vergiftiging helemaal geen sprake is geweest. Mogelijk zijn schijnvergiftigingen op touw gezet, mogelijk heeft men ook echt een paar dompelaars aangeworven om allerhande onschadelijke poedertjes op etenswaren te strooien om zo het volk onrustig te maken en op te hitsen; als dit laatste het geval was, dan moeten we niet te zwaar tillen aan de tumultueuze uitspattingen van het volk, temeer daar die niet voortkwamen uit private wrok, maar “in het belang van het algemeen welzijn waren, geheel volgens de principes van de afschrikkingstheorie”. Ja, de Carlisten zijn wellicht in de put gevallen die ze voor de regering gegraven hadden; niet aan haar, nog veel minder aan de Republikeinen schrijft men de vergiftigingen gewoonlijk toe, maar aan de partij “die keer op keer met de wapens werd verslagen, met laffe middelen telkens weer overeind wist te komen, die altijd haar geluk en macht veroverde tot ongeluk van Frankrijk, en die nu de steun van de Kozakken moet ontberen en dus makkelijk haar toevlucht zou kunnen nemen tot vulgair vergif.” Zo ongeveer liet de “Constitutionel” zich uit. Wat ikzelf, de dag van die doodslagen voor bijzonders opstak, bracht me tot de overtuiging dat de macht van de oude Bourbons in Frankrijk nooit en nimmer nog zou gedijen. Ik had bij diverse groepen mensen de meest bizarre uitspraken gehoord; ik had diep in het hart van het volk gekeken; het weet wat voor vlees het in de kuip heeft.
Sindsdien is alles hier rustig; “L’ordre règne á Paris” , zoals onze minister van buitenlandse zaken, Horatius Sebastiani zou zeggen.6 Een doodse stilte heerst in heel Parijs. Een stenen ernst ligt op alle gezichten. Vele avonden lang zag men zelfs op de boulevards weinig mensen, en dan nog ijlden zij elkaar snel voorbij, met een hand voor hun mond, of een doekje. De theaters waren uitgestorven. Als ik een salon binnenkwam waren de lui verwonderd mij nog in Parijs te zien – want dringende besognes heb ik hier toch niet?
De meeste buitenlanders – mijn landgenoten namelijk – waren spoorslags afgereisd. Gehoorzame ouders hadden van hun kinderen het bevel gekregen ten spoedigste naar huis te komen. Godvrezende zonen vervulden zonder dralen het zoete verzoek van de ouders, die hun terugkeer naar de Heimat wensten. Eert uw vader en moeder, en gij zult lang leven op aarde! Bij anderen ontwaakte plotseling een oneindige Sehnsucht naar het dierbare vaderland, naar de romantische gouwen langs de ontzagwekkende Rijn, de geliefde bergen, het gelukzalige Schwaben: het land van de hoofse liefde en de vrouwentrouw, van de lustige liederen en de gezonde lucht. In het Hôtel de Ville zijn er al meer dan 120.000 reispassen afgegeven hoor ik.
En, alhoewel de cholera het zichtbaar op de armere klassen gemunt had, toch waren het de rijken die op slag de benen namen. Sommige parvenus kun je het niet kwalijk nemen dat ze er vandoor gingen; zij dachten waarschijnlijk: die cholera, die komt van zo ver, uit Azië, en die weet dus niet dat wij op de beurs de laatste tijd veel geld verdiend hebben – die houdt ons misschien nog voor arme drommels, en laat ons alsnog in het gras bijten. Alexandre Aguado, markies de la Marismas del Guadalquivir, een der rijkste bankiers hier, en ridder in het Erelegioen, was bij deze grote terugtocht de veldmaarschalk. Waanzinnig van angst, zat naar het schijnt deze ridder gedurig achterom te kijken door het raampje van zijn koets, en hij hield zijn blauwe bediende die achterop stond, voor de waarachtige dood zelf, de choléra-morbus.
Het volk morde bitter toen het zag hoe de rijken, bepakt met artsen en apothekers, zich in gezondere oorden kon redden. De armen moesten wrevelig toezien hoe geld ook een beschutting tegen de dood was. Het grootste deel van de juste-milieu-regering en de haute-finance is sindsdien ook verdwenen, en leeft nu in zijn kastelen. De ware vertegenwoordigers van de rijkdom, de heren von Rothschild, zijn evenwel in Parijs gebleven en geven daarmee te kennen dat ze niet alleen in geldzaken groots en dapper zijn. Ook premier Casimir Périer toonde zich groots en dapper want hij ging bij het uitbreken van de cholera het Hôtel-Dieu bezoeken; ik vermoed dat zelfs zijn tegenstanders betreuren dat hij als gevolg daarvan, iedereen weet hoe gevoelig hij is, zelf door de cholera werd getroffen. Hij is er nochtans niet aan bezweken, want hijzelf is een nog kwadere ziekte.7 Ook de jonge kroonprins, de hertog van Orléans, die samen met Périer het hospitaal bezocht, verdient erkentelijkheid. De hele koninklijke familie trouwens heeft in deze troosteloze tijd met glans haar mannetje gestaan. Bij het uitbreken van de cholera verzamelde de goede koningin vrienden en dienaars en verdeelde onder hen flanellen zwachtels, die zij goeddeels zelf had vervaardigd!
De zeden van het oude ridderdom zijn nog niet verzwonden: alleen zijn ze overgegaan in burgerlijke deugden. Hoge Dames voorzien haar kamp tegenwoordig van minder poëtische – maar veel gezondere sjaaltjes. Tenslotte leven wij niet langer in de helm- en harnastijden van de krijgshaftige chevallerie, maar in de vredevolle burgertijd van de borstrokken en het warm ondergoed. Wij leven niet meer in het ijzeren tijdperk maar in het tijdperk van flanel.
Flanel is werkelijk ons beste pantser tegen de aanvallen van onze ergste vijand, de cholera. “Vandaag zou Venus”, zegt de Figaro, “een gordel van flanel dragen”. Ikzelf steek ook voor de helft in flanel, en daardoor beschouw ik mijzelf als cholera-vast. Tenslotte draagt ook de koning ondergoed van het beste burgerflanel.
Ik mag hier niet onvermeld laten dat onze roi-citoyen zich bij deze algemene rampspoed zeer burgerlijk-meevoelend en edel heeft gedragen, en veel geld heeft uitgegeven voor de armen. – En nu ik toch op dreef ben: ik wil ook de aartsbisschop van Parijs, Graaf Quelen, hier lof toezwaaien.8 Na het bezoek van de kroonprins en Périer, is ook hij in het Hôtel-Dieu de zieken komen troosten. Hij had nochtans lang daarvoor al voorspeld dat God de cholera zou sturen, als straf, om een volk te tuchtigen “dat het had bestaan een zeer christelijke koning af te zetten en dat de privilegies van de katholieke staatsgodsdienst in de Charta had afgeschaft”. Maar nu de toorn Gods deze zondaars bezoekt, wil mijnheer Quelen zijn gebed ten hemel richten en genade afsmeken, tenminste toch voor de onschuldigen – want er sterven ook veel koningsgezinden.
Daarenboven heeft de heer Quelen, de aartsbisschop, zijn eigen slot Constans aangeboden om er een hospitaal in te richten. De regering zag zich genoodzaakt dit aanbod te weigeren, want het slot is een complete woestenij, helemaal verkrot, en de reparaties gingen te veel kosten. Hierbij dient gezegd dat de aartsbisschop had geëist dat men hem in dat toekomstige hospitaal de vrije hand zou laten en, bij al het lichamelijke lijden van de arme zieken vond men het ongewenst om ook nog eens hun zielen bloot te stellen aan de pijnlijke reddingspogingen die de aartsbisschop en zijn geestelijke hulpjes op het oog hadden; men verkoos dan maar om de verstokte revolutionaire zondaars – zonder vermaning betreffende de eeuwige Verdoemenis en het Hellevuur, en zonder Biecht of Oliesel – simpelweg aan de cholera te laten sterven. En hoewel men wel eens beweert dat het katholicisme een passende religie is voor ongelukkige tijden als de dag van vandaag – de Fransen vertonen geen haast om er zich in te bekwamen. In gelukkiger dagen, vrezen ze, konden zij wel eens blijven zitten met die ziektereligie.


IV. Père Lachaise


Er lopen tegenwoordig heel wat verklede priesters rond tussen de mensen, met de boodschap dat een gewijde rozenkrans beschermt tegen de cholera. Onze linkse vrienden weer, de Saint-Simonisten, rekenen het bij de voordelen van hun eigen geloof dat er geen enkele Saint-Simonist aan de heersende plaag kan sterven – zij redeneren als volgt: aangezien de vooruitgang een Natuurwet is, en aangezien de sociale vooruitgang bij het Saint-Simonisme ligt, is het uitgesloten dat er één van hen sterft zolang het aantal van hun apostelen nog ontoereikend is. De Bonapartisten houden weer vol dat als iemand de cholera bij hemzelf gewaarwordt, hij onmiddellijk de Vendômezuil moet aanschouwen: hij blijft dan in leven. Zo heeft eenieder in deze tijd van nood zijn geloof. Wat mij betreft: ik geloof in flanel.
Een goed dieet kan natuurlijk ook geen kwaad: alleen moet men dan weer niet zó weinig eten als sommige brave mensen doen, die dan ‘s nachts hun hongerkrampen voor de cholera houden. Het is vermakelijk om te zien hoe schuw de mensen tegenwoordig aan tafel zitten, en hoe wantrouwig zij naar de meest mensvriendelijke gerechten staren. Diepzuchtend slikken ze de allerfijnste hapjes door. De dokters vertelden hen dat ze geen vrees mogen koesteren en dat zij elke ergernis dienen te mijden; maar nu vrezen ze juist dat ze zich onverhoeds ergens aan zullen ergeren – en het ergert hen dat ze daar bang voor zijn.
De mensen zijn de zachtmoedigheid zelve geworden, ze zeggen gedurig bon Dieu, en ze spreken met zachte stem, zo zacht als die van een pas bevallen vrouw. Daarbij ruiken ze als wandelende apotheken, betasten vaak hun buik en met sidderende ogen vragen zij om het uur naar het aantal doden. Dat men dit juiste getal niet weet, of liever, dat men ervan overtuigd is dat de officiële cijfers niet kloppen, dat vervult de gemoederen met een vage schrik en het jaagt de angst onmetelijk de hoogte in. Inderdaad, de kranten hebben sinds kort toegegeven dat er op één enkele dag, namelijk de tiende april, tweeduizend mensen zijn gestorven. Maar het volk liet zich niet officieel bedotten en weeklaagde zonder ophouden: dat het er méér waren dan men toegaf. Mijn kapper vertelde me dat een oude vrouw op de Faubourg Montmartre heel de nacht voor haar raam had gezeten om de lijken te tellen die men daar voorbij droeg. Ze had er meer dan driehonderd geteld. Tegen de ochtend werd zijzelf overvallen door de koelte en de krampen van de cholera, en stierf kort daarop. Waar je ook keek op straat, overal waren er lijkstoeten of, wat nog melancholischer stemt, wagens die door niemand werden gevolgd.
Omdat er niet genoeg lijkwagens voorhanden waren moest men allerlei andere vervoermiddelen gebruiken, en al werden die met zwart doek overtrokken, het gaf een geïmproviseerde aanblik. Maar ook dat volstond op de duur niet en ik zag lijkkisten die in fiakers werden gelegd; men zette die dwars in het midden, zodat de beide uiteinden door de open zijdeuren naar buiten staken. Weerzinwekkend werd het toen de grote verhuiswagens werden ingezet, de wagens die men gebruikt om van land te verhuizen. Dat werden nu doden-omnibussen, omnibus mortuis, die in alle straten rondtoerden en kisten oplaadden om ze per dozijn naar het kerkhof te brengen.
Wezenloos bij deze troosteloosheid, werd je in de buurt van het kerkhof waar al die lijkstoeten samenkwamen. Ik wilde een goede vriend een bezoekje brengen, en nog net op tijd was ik om zijn kist te zien opladen. Ik vond toen plots dat ik iets moest terugdoen voor die vriend, want hij had me ooit een grote eer bewezen. Ik nam een koets en begeleidde hem naar Père Lachaise. Hier nu, vlakbij het kerkhof, hield mijn koetsier plotseling halt; als in een droom keek ik op, en rondom mij zag ik niets dan de hemel – en lijkkisten.
Ik was tussen enige honderden lijkwagens geraakt. Die stonden in queue voor de nauwe kerkhofpoort en in deze zwarte omgeving moest ik het nu een paar uur uitzitten, want weer wegraken ging niet. Uit verveling vroeg ik de koetsier naar de naam van mijn buur-lijk, en – weemoedig toeval! – hij gaf mij de naam van een jonge vrouw die toevallig een paar maand daarvoor, ik reed toen naar een bal in Lointier, op juist dezelfde manier een poos naast mijn koets had moeten stilstaan. Alleen dat die jonge vrouw toen gedurig uit haar raampje keek, met dat haastige bloemenkopje van haar, en haar levendige maneschijngezichtje, en dat ze haar heiligste verontwaardiging uitdrukte over de vertraging. Nu was ze heel stil, en waarschijnlijk blauw.
Af en toe werden de rouwpaarden die voor de lijkwagens gespannen waren schichtig, en bewogen ze onrustig – en dan leek het me, als voer er een onrust in de doden zelf, als waren zij het wachten moe, als hadden zij haast om het graf in te komen. En toen er vlak voor de poort één van de koetsiers een andere wilde voorbijsteken, en de stoet zo in wanorde raakte dat de gendarmen met de blanke sabel tussenkwamen, en er op vele plaatsen een geroep en gevloek opging en enkele wagens kantelden, waarbij de kisten kraakten en de lijken te voorschijn kwamen – toen geloofde ik de meest ontzettende te zien van alle opstanden, een opstand van de doden.
Ik zal, om uw gemoederen te sparen, hier niet vertellen wat ik op Père Lachaise zelf heb gezien. Genoeg. Solide man als ik ben, gruwen moest ik ondanks mijzelf. Een mens op zijn sterfbed kan het sterven nog leren, en dan vervolgens in een soort opgewekte rust de dood afwachten; maar begraven worden tussen de choleralijken, in die kalkgraven – dat kun je niet leren.
Ik vluchtte zo snel als ik kon naar de hoogste heuvel van het kerkhof, van waar men de stad zo mooi kan zien. De zon was juist ondergegaan, haar laatste stralen leken weemoedig afscheid te nemen. Als witte lakens omhulden de nevelen van de schemering het zieke Parijs, en ik weende bitter over die ongelukkige stad, de stad van de vrijheid, van het enthousiasme en het martelaarschap, de Heilandstad die voor de aardse verlossing van de mensheid al zoveel geleden had.


Heinrich Heine


Französische Zustände
Artikel VI (Paris, 19. April 1832)
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben
Ernst Elster, 1893, fünfter Band, SS. 93ff
oorspronkelijk verschenen in de Augsburger Allgemeine Zeitung

________________

1 Ik vertaalde dit fragment als radiotekst. De indeling in hoofdstukjes en de bijhorende titels heb ik daarom toegevoegd. Franse woorden, die Heine zelf niet naar het Duits vertaalt, laat ik staan.

2 In de verouderde betekenis van openbare dansplaats of bal:
redoute masquée bv.

3 De soldaten van
Achilleus werden zo genoemd, mierenvolk, omdat zij zo talrijk waren.

4 Heine schrijft over Frankrijk, en hoopt zo dat zijn echte kritiek, op Duitsland, door de censuur raakt.

5
Tous à la lanterne, de kreet bij het verhangen van adel; uit het liedje Ah, ça ira, ça ira! (waar de Gentse studentenvereniging ‘t Zal wel Gaen haar naam aan dankt), nog prachtig gezongen door Édith Piaf.

6
L’ordre règne à Varsovie komt uit een beruchte toespraak van Sebastiani, na de Poolse opstand van 1830-31. Hij bedoelde het niet zo cynisch als door het citaat wordt gesuggereerd, maar die woorden kon hij nooit meer afschudden.

7 Périer is een paar dagen na deze notities toch gestorven.

8 Hyacinthe-Louis De Quelen (1778–1839).




woensdag 1 oktober 2008

Het populisme van Reynebeau

.
De Standaard
dinsdag 30 september 2008

HET LEVEN VAN DE ZEBRA

Het is niet omdat de beurs in de brand staat, dat uw dappere chroniqueur de stekker eruit trekt en zijn plichten verwaarloost. Omdat hij zich nooit aan beleggingen heeft gewaagd, kan hij nog proberen om het onderscheid te maken tussen de echte problemen van 'de mensen' en de andere, die bijgevolg wat minder echt zijn.
Laten we dus afspreken dat de beurscrisis behoort tot de tweede categorie. Dat gehannes met aandelen speelt zich immers af in de virtuele ruimte. Het is een game. Want beurskoersen staan in geen enkele verhouding tot de reële economie, de welvaart, laat staan het levensgeluk van wie van de economie moet leven, wij allen dus.
De waarde van aandelen zegt in principe niets over de concrete gezondheidstoestand van concrete bedrijven. Wat koersen wel uitdrukken zijn emoties, verwachtingen, ambities, vertrouwen en angst. Wat dat betreft verschilt de beursvloer niet van een gemiddeld N-VA-congres.
En op de beurs willen ze ook allemaal een dikke vis. Wat zeg ik? Ze willen de hele viswinkel, en wel nu en meteen. Want alles draait om het verschil in prijs tussen gekochte en verkochte aandelen, om koerswinst dus. Hebzucht is er de belangrijkste drijfveer, met speculanten als motor. En iedereen doet graag met hen mee, want hun risicogedrag zorgt voor de leuke extraatjes: die ook al buiten elke verhouding staande bonussen voor managers en traders.
Op de beurs zijn de verlichting en de beschaving nog niet doorgedrongen. Daar speelt zich de voorbije weken een darwinistisch vertoon af, waar het onmiddellijke eigenbelang het haalt op elke vorm van solidariteit of maatschappelijke verantwoordelijkheid. De beschaving wil net het tegendeel: het recht van de sterkte overstijgen in naam van menselijkheid, rechtvaardigheid en mededogen.
De manier waarop speculanten - besmuikt 'beurskrachten' genoemd - vermeende zwakke prooien besluipen, aanvallen en op de knieën dwingen, laat zich alleen vergelijken met beelden uit de Afrikaanse savanne, waarop leeuwen de zebra's achterna zitten. Fortis of Dexia zijn nu zulke zebra's - het moet niet elke dag vis zijn.
Als de waarde van een aandeel dan wordt bepaald door de inschatting van wat het kan opleveren, wordt het gezond verstand van wie op de beurs actief is, van groot belang. Maar ook hier laten verlichting en rationaliteit het schrijnend afweten. Op de beurs zweren ze namelijk nog bij bijgeloof, het occulte, zelfs een 'onzichtbare hand'.
Ze nemen lichtzinnig de meest wilde geruchten voor waar aan en laten zich geregeld overvallen door paniek. Nee, dat kunnen niet de meest stabiele of koelbloedige mensen zijn die daar het mooi weer maken. Mietjes zijn het, die, als het fout loopt, komen uithuilen bij vadertje staat. Die wordt dan gechanteerd om de portemonnee boven te halen en het gebroken speelgoed te repareren.
Daar slaat de virtualiteit om in realiteit. Want het is wel echt geld dat de staat naar communistisch recept moet bovenhalen voor zijn risicobelegging. 4,7 miljard euro voor Fortis, ofte een transfer van 470 euro per Belg. En het ziet er niet naar uit dat het daarmee ophoudt.
De Amerikanen zijn er al slechter aan toe. Daar moet de staatskas 700 miljard dollar ophoesten omdat speculanten en lichtzinnige bankiers het helemaal hebben verklooid - voor anderen, niet voor henzelf, integendeel. Dat is 2.333 dollar per Amerikaan.
Het zijn bedragen die stilaan die andere transfers die ons allen zo danig bezighouden in het niets doen verzinken - en nu zijn we helemaal in de 'echte' realiteit beland. Laatst berekende de Nationale Bank namelijk dat elke Vlaming elk jaar duizend euro (eigenlijk 967 euro, maar we zullen niet zeuren) betaalt aan elke Waal. Dat is dan wel een zeer concrete, meer bepaald werkloze Waal.
Dat komt omdat die Vlaming, zoals bekend, rijk is, al is die relatieve rijkdom snel aan het wegsmelten, onder meer als gevolg van de vergrijzing. Nu al betalen de Brusselaars elke Vlaamse gepensioneerde elk jaar 567 euro.
Vroeger deed, volgens de propaganda, elk Vlaams gezin om de vier jaar een kleine middenklasseauto cadeau aan Wallonië. Dat is nu maar een kleine vouwfiets meer. Enfin, met een snelbinder en een stel broekveren bovenop.
Transfers naar de banken en die binnen België hebben niets met elkaar te maken. Maar die laatste gaan wel om de echte levenslijnen die het concrete, maar fragiele sociale web voeden. Met de eerste gaat het om even fragiele zebra's die niet zo snel konden rennen als de leeuwen.

Marc Reynebeau is redacteur van deze krant
.

maandag 22 september 2008

Dimitri Verhulst chroniqueur van de mensheid

.
De Standaard, zaterdag 20 september 2008

Maar natuurlijk ben ik een misantroop!
DIMITRI VERHULST CHRONIQUEUR VAN DE MENSHEID
Dorien Knockaert

Zijn nieuwe roman komt volgende week via een weggeefactie van Humo in 320.000 woonkamers tegelijk terecht. Maar nog voor die stunt werd aangekondigd, was Dimitri Verhulst al uitgeroepen tot de Vlaamse volksschrijver waar we zo lang op wachtten. Hij verdedigt de titel met toewijding, en met veel liefde en haat voor het volk.

De schapen: nog voor we het huis van Verhulst betreden, op een groene heuvel tussen Namen en Luik, mogen we ze begroeten in de tuin. Dan trippelt ons de poes tegemoet. Een arm vondelingetje, legt de schrijver uit, maar een terreur voor zijn oudere soortgenote, die sowieso al een gevoelig karakter heeft. Hij spreekt zijn katten toe, de ene in het Frans wegens haar afkomst, de andere in het Nederlands. We kunnen niet goed volgen. We hadden ons voorbereid op een gesprek met de man die in zijn nieuwe boek Godverdomse dagen op een godverdomse bol miljoenen jaren mensheid herleidt tot tweehonderd bladzijden kak, verkrachting en idiotie. Die in De helaasheid der dingen vol verachting vertelt dat zijn ex hem met een ongewenst kind heeft opgezadeld. Maar voor ons zit een sympathieke Sint-Franciscus koffie uit te schenken. Hij is bekommerd om de mussen en zingt de lof der vegetariërs.

'Je zal maar een vegetariër zijn vandaag: ze worden allemaal voor watjes versleten. Terwijl het vaststaat dat vlees eten slecht is, voor de ecologie en voor de mens. De hele ecologische discussie wordt zo poezelig voorgesteld. Als je zegt dat we de planeet kapotmaken, ben je direct een groene jongen.'

Godverdomse dagen op een godverdomse bol is een literaire geschiedenis van de mensheid. Personages komen er niet in voor, heersers worden niet bij naam genoemd. Maar om de zoveel eeuwen blijft Verhulst wel stilstaan bij een uitgestorven vogelsoort. 'Ecologie is een essentieel gegeven in de geschiedenis. Mensen zijn al millennialang bezig met het naar de kloten helpen van de natuur. Kijk naar de opkomst van Rome: ook toen was alles binnen de kortste keren vervuild en moesten ze aquaducten aanleggen om nog aan zuiver water te geraken.'

De geschiedenis van de mens is het verhaal van de vernietiging van de aarde, zegt u. Maar kunnen we uit onze geschiedenis ook niet afleiden dat we voor alles wel een oplossing vinden?

'Ik denk dat ons geloof in Darwin dan een beetje te groot is. Je zit hoe dan ook met een ethisch probleem. Van mij mag je gerust zeggen: the fast die young. We gaan ons feestend in de vernieling storten. Dat kan tof zijn, er valt zelfs voor te pleiten, ware het niet dat we alle andere levensvormen meesleuren in onze vernieling. Dat mogen we niet; we mogen niet beslissen voor een andere soort.'

'Ik hoor heel graag een jager vertellen waarom jagen goed is. Hij heeft het dan over het evenwicht in de natuur, dat hij herstelt. Maar zelf vertegenwoordigt hij wel een soort waarvan er zeven miljard stuks bestaan op aarde.'

'Bij de Groenen hoor je dan weer altijd die verwijzing naar “onze kinderen en kleinkinderen,. Dat vind ik ook frappant, dat mensen blijkbaar alleen om de toekomst kunnen geven als hun eigen kind erin zal rondlopen.'

'Nu ja, een ravage richten we toch aan. Hoewel we intussen allemaal over Google Earth beschikken en niet meer hoeven te denken dat de wereld eindeloos is, denken we wel nog altijd dat de voorraden onuitputtelijk zijn. De auteur Ronald Wright heeft daar eens een mooi principe voor geformuleerd: we moeten de natuur zien als een investering en de mens moet leven van de rente. Dat doen we al een hele tijd niet meer.'

Maar gelooft u dan dat we beter kunnen zijn dan we ons tot nu toe getoond hebben?

'Natuurlijk. Er zijn onwaarschijnlijk veel grote en goede individuen. Dan moet de massa toch ook goed kunnen zijn? Ik blijf geloven dat dat kan. Kijk, als ik het al wil... Ik ben niet de meest meegaande mens. Ik ben ook geen idealist. En lui dat ik ben! Toch denk ik dat we er werk van moeten maken. Ik zal wel een naïeve zot zijn.'

U bent dus eigenlijk helemaal geen misantroop.

'(verbaasd) Maar jawel, natuurlijk ben ik een misantroop! Je kunt toch een sociaal voelende misantroop zijn? Ik denk zelfs dat het vooral de sociaal voelende mensen zijn die misantropisch worden. Het is door met je twee benen in de maatschappij te staan, door er zorg voor te willen dragen, dat je ook ziet wat voor een rotte boel het is. Moeder Teresa zal op de duur ook wel niet meer de grootste mensenvriend geweest zijn.'

Moeten we 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' als een parodie lezen of als integere geschiedschrijving?

'Het is zeker geen parodie. Dit is mijn visie op de mensheid. Ik heb er veel onderzoek naar gedaan. Na zeven maanden research over Egypte kostte het me nog discipline om te stoppen met lezen en er eindelijk over te schrijven. Je krijgt een neiging tot vakidiotie als je met geschiedenis bezig bent. Die moet je afzweren, aanvaarden dat je niet alles kunt weten en niet alles kunt vertellen.'

'Het is ook geen geschiedenisboek. Ik zou de historici belachelijk maken door dat te beweren. Maar het klopt wel allemaal. Ook in mijn stomme moppen hanteer ik de waarheid. In de zestiende eeuw is er echt beweerd dat de wereld de vorm had van een vrouwenborst. Dat klinkt nu onnozel, maar we spreken wel nog altijd over een melkwegstelsel en over allerlei galactische dingen: etymologisch komt dat voort uit die borst. Dat soort dingen hebben ze me nooit verteld op school. Een gemiste kans.'

'In die twaalf jaar onderwijs is het gaandeweg wel tot me doorgedrongen dat de mens onnozel is. Maar we zijn nog veel onnozeler dan dat! Kijk naar de ernst waarmee absoluut onbewijsbare dingen altijd werden volgehouden. Dat we al onze kardinalen vijf jaar lang samenbrachten en ze drie keer per dag geweldige schotels opdienden om ze ondertussen te laten debatteren over het geslacht van engelen. Dát is de menselijke soort. Hilarisch!'

U legt wel in grote lijnen dezelfde accenten als de traditionele westerse geschiedschrijving: de Romeinen, de kruistochten, de ontdekking van Amerika... Dat is braver dan je van Dimitri Verhulst zou verwachten.

'Ik heb daar lang mee geworsteld. Ik wilde de geschiedenis van Afrika er ook in steken, en die van China... Ik had het allemaal verteld willen zien. Ik heb het geprobeerd, maar het gaat gewoon niet. Of beter: mijn talent is er te klein voor.'

'Ik heb voor mijn uiteindelijke opzet steun gevonden bij de historicus Peter Watson, die een dik boek geschreven heeft over de geschiedenis van onze ideeën. Daarin legt hij uit waarom we altijd terugkeren naar dat Europese model van geschiedschrijven. Het idee van geschiedenis is in zekere zin Europees, omdat we altijd met kleine staatjes zaten, en met verschillende microklimaten. Er moesten veel goederen geruild worden. Altijd brak men zich het hoofd over de vraag: hoe lossen we de versnippering op, hoe kunnen we samenwerken? In China waren ze veel minder bezig met de buitenwereld, want ze gingen ervan uit dat ze alles hadden in hun rijk.'

Gelooft u dat geschiedenis ons beter maakt?

'Ik ben vooral bang van geschiedenis, omdat ze zo makkelijk te misbruiken is. Iedereen kan zich erop beroepen om zijn machtswellust te verantwoorden. Saddam Hoessein gebruikte het om zich te legitimeren. Of kijk eens naar de krantenkolommen over de communautaire kwesties in België: hoe daar al niet met de geschiedenis wordt gezwaaid.'

'Als je nagaat wie er in ons land geschiedenis onderwijst, dan kom je trouwens opvallend veel mensen uit de Vlaamse beweging tegen. Het is een vak waarmee je makkelijk kunt indoctrineren. Ik denk zelfs dat je daar niet omheen kunt. Want er is geen sluitend perspectief. Wiens standpunt moet je innemen om de ontdekking van Amerika te behandelen? Je kunt ervoor kiezen om het verhaal van de indianen én de Spanjaarden én de Italianen enzovoort te vertellen. Maar dan ben je 89 jaar bezig aan dat hoofdstuk.'

'Als je mijn boek leest, weet je tenminste waar je aan toe bent. Mijn toon is zo persoonlijk en literair dat mensen wel zullen zien dat het subjectief is. Ik heb overwogen om te beginnen met een citaat dat ik eens las bij een dichter: “Niets is zo gemakkelijk om over te schrijven als geschiedenis, want de doden komen nooit terug om je te zeggen dat je ongelijk hebt,. Ik had er mijn boek wat mee kunnen relativeren. Maar het is ook een gevaarlijke uitspraak. Een negationist zou het een fantastisch citaat vinden.'

De atoombom op Hiroshima is de laatste grote gebeurtenis in 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol'. Waarom schrijft u niets meer over onze tijd?

'Hiroshima ís onze tijd! We zitten nog altijd in het atoomtijdperk. Met dat verschil dat Hiroshima een kinderbommetje was vergeleken met de wapens die we nu hebben. We weten dat het mogelijk is om in een vingerknip weg te zijn. Je hebt alleen maar een gek nodig om dat te doen. En als je op zaterdag op de Meir loopt, dan heb je door dat er op de wereld heel veel gekken zijn.'

'We zijn omringd door massavernietigingswapens. Dat is geen fin-de-sièclegedachte van mij. Het is gewoon zo. En er wordt niet eens meer tegen betoogd - op de enkeling na die zich af en toe een stuk uit zijn broek laat bijten door de Duitse scheper van Kleine Brogel. Atoomwapens zijn een heel mainstream dingske geworden.'

Uw nieuwe boek loopt over van de vloeken en de vunzigheid. Maar als er in schrijversland een discussie oplaait, staat u altijd te blussen met genuanceerde woorden. Dat lijkt tegenstrijdig.

'Ach ja, die vunzigheid... Onlangs hoorde ik van iemand die mijn boeken maar niets vond, omdat er “altijd zoveel kak en pis in moest,. Die moet Godverdomse dagen maar eens lezen! Ik vind nu ook wel dat daar érg veel stront in zit, maar ik heb mezelf niet altijd in de hand (lacht). Misschien moet ik er maar eens mee naar een therapeut. Ik ben eigenlijk al blij dat ik de rotting in de hand heb kunnen houden. Ik dacht even dat ik daar te veel op gehamerd had, tot ik het natelde: het woord “rot, komt in het hele boek vier keer voor.'

(ernstig) 'Maar polemische uitspraken zijn niets voor mij. Ik bewonder hoe bijvoorbeeld Jeroen Brouwers daarin kan opgaan, maar ik zal het nooit doen. Ik vind ruzie heel vermoeiend. Ik vond dat al op het schoolplein, waar ik af en toe moest vechten om te vermijden dat ik zelf op mijn muil kreeg - wat voor leven was dat toch? Waarom zou ik die ellende nu voortzetten? Dan zit ik liever thuis met een tas koffie.'

'Die discussies onder geletterden, de schotschriftjes... ze gaan uiteindelijk zo vaak om futiliteiten. Het zijn allemaal kleine pietjes en lange tenen in letterenland. Bovendien is het vaak geforceerd. Ik kreeg onlangs een uitnodiging van het tijdschrift Tirade, dat een nummer voorbereidt over “het polemisch zijn,. We gaan nog eens kwaad zijn, zeggen ze dan. Wil je niet meedoen? Dat is toch onnozel!'

'Het kan allemaal wel geestig zijn voor de vorm, als je goed bent met woorden. Maar mij gaat het om inhoud. Woorden zijn wapens. Je kunt de wereld verbeteren met literatuur, en je kunt hem verslechteren. We houden daar echt te weinig rekening mee... Ik weet het, ik ben weer de pastoor.'

Bij de verfilming van 'De helaasheid der dingen' hebt u gevraagd dat de namen van de personages veranderd zouden worden en dus niet meer direct zouden verwijzen naar uw familieleden. Bent u geschrokken van de impact die het boek had op hun levens?

'Ja, toch wel. Ik had dat onderschat. Veel heeft ook te maken met het onverwachte succes van De helaasheid der dingen. De mensen die in dat verhaal voorkomen, zaten eerder ook al in mijn werk en toen was het niet zo erg. Daarom ben ik er iets te licht overgegaan.'

'Ik ben daar nu veel mee bezig. In welke mate mag je het privéleven van een ander te grabbel gooien? Ik ben er nog niet uit. Misschien zal het de rest van mijn leven een probleem zijn. Ik heb geen zin om mensen nodeloos te kwetsen. Het gaat om kleine, eenvoudige mensen die de wereld niets misdaan hebben. Hun leven past in hun eigen biotoop. Is het wel nodig om hun zo disproportioneel veel aandacht te geven?'

'Ik denk nog altijd dat iedereen met eerlijkheid het meest gediend is. Maar mijn eerlijkheid is misschien een leugen voor een ander. Ik zal het misschien anders moeten leren verpakken. Het is vermoeiend om me altijd te moeten verantwoorden.'

U zal zich waarschijnlijk ook weer moeten verantwoorden voor 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol'. Veel lezers appreciëren vooral uw dronkenmansverhalen in 'De helaasheid der dingen' en moeten het nu stellen met een filosofisch getinte roman zonder personages of dialogen. Zit u daarmee in?

'Ik ben wel bang voor een terugval. Met dit boek zal ik waarschijnlijk meer zieltjes verliezen dan winnen. Er zit niet om de zoveel pagina's een mop in en het is heel uitgesproken qua stijl, heel literair. Ik hoor dat mensen vooral graag mijn Tour de France-verhaal uit De helaasheid der dingen navertellen. Over Godverdomse dagen op een godverdomse bol valt er niets na te vertellen op café.'

'Ik begrijp wel dat het publiek misschien liever meer van hetzelfde wil. Ik koop ook graag cd's van Tindersticks in de wetenschap dat dat altijd weer dezelfde vertrouwde muziek is. Maar anderzijds apprecieer ik ook wat Radiohead doet: af en toe verrassen. Ik sluit niet uit dat ik nog eens een boek zoals De helaasheid zal schrijven. Maar nu had ik zin in de wereldgeschiedenis - literaire geschiedschrijving stond aan de wieg van de wereldliteratuur, toch? En, eerlijk gezegd, mocht ik Rocky gemaakt hebben, dan had ik ook geen Rocky II, III en IV willen maken.'

Is het wel een goed idee om net dit minder toegankelijke boek gratis weg te geven bij 'Humo'?

'Jawel, je moet dat durven. Het is prachtig hoe Humo nu zijn geloof in de literatuur uitschreeuwt. Want uiteindelijk heeft het iets naïefs: een tv-blad dat gelooft meer exemplaren te verkopen door er een roman bij te steken. Bier of condooms zijn voor dat soort doeleinden evidenter dan literatuur.'

'Nu ben ik er niet zo zeker van dat ze al die 320.000 Humo's aan de man krijgen. Het zou me verbazen als Vlaanderen al zoveel gealfabetiseerde mensen telt. Met zoveel literatuurliefhebbers zijn we niet.'

Toen die weggeefactie werd aangekondigd, waren de reacties nogal zuurtjes. De boekhandelaars vonden u ondankbaar: zij hielpen u groot worden en nu u goed verkoopt, kunnen ze hun graantje niet meepikken. Bent u daarvan geschrokken?

'Ach. Als de boekhandelaars het zo bekijken, dan moeten ze ook maar hun excuses aanbieden aan die tienduizend schrijvers die ze niet verkocht krijgen. Ik krijg bovendien ook heel andere reacties van boekhandelaren. Sommigen feliciteren me. Ze zouden dinsdag allemaal een fles champagne moeten opendoen, omdat de wereld toont dat ze gelooft in literatuur. Het is bovendien een geweldige leesbevorderingsactie, gefinancierd met privégeld. De overheid of Stichting Lezen zouden het niet kunnen betalen, 320.000 gratis romans.'

U had die mega-oplage niet eens nodig om een interessante titel in de wacht te slepen: na het succes van 'De helaasheid der dingen' bent u her en der uitgeroepen tot de nieuwe volksschrijver. Kunt u zich daarin vinden?

'Welja, eens kijken: “Dimitri Verhulst, volksschrijver,: ik zie die drie woorden wel mooi onder elkaar op mijn grafzerk staan. Zeker beter dan: “Dimitri Verhulst, poëet,. Ach wat. Ik ben het zeer moe om altijd maar over mezelf te praten - ook een zin met twee keer ik erin.'

Is 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' een poging om de aandacht van uzelf naar de wereld af te leiden?

'Het is zeker uitzonderlijk, zo'n heel boek zonder “ik,. Maar daar gaat het mij niet zo om, het gaat om mijn wereldvisie. Ook dat kun je trouwens narcistisch vinden. Ik wil jullie tenslotte toch maar allemaal mijn versie van de geschiedenis opdringen.'

''t Is moeilijk voor een schrijver. Als je over jezelf vertelt, moet je je altijd verantwoorden. Als je over een ander schrijft, krijg je ook last. En als je geld verdient, moet je helemaal een schuldcomplex kweken.'

'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' zit op dinsdag 23 september gratis bij Humo. Die dag kan u uw exemplaar tussen 10.30 en 12 uur door Dimitri Verhulst laten signeren bij boekhandel De Reyghere in Brugge. Vanaf 30 september is het boek te koop in de boekhandel.
Een bespreking van de nieuwe Verhulst leest u dinsdag in De Standaard.


Dorien Knockaert
.

zondag 21 september 2008

'Ik ben de politiek zo beu als koude pap'

.
De Standaard, zaterdag 20 september 2008

Een oom en een tante die hun gouden huwelijksverjaardag vieren. Een uitgelezen gelegenheid om de familie nog eens te zien. Vorig weekend mocht ik, op uitnodiging van mijn gouden nonkel Jef en tante Madeleine, diep in West-Vlaanderen aan een geweldige feestdis aanschuiven. Er werd gegeten, gedronken, gespeecht en gezongen. En tussen alle gangen in werd de politiek uitgespuwd.

Salons De Vrede in Ichtegem, halverwege tussen Torhout en Oostende, beschikken naar eigen zeggen over 'de uitgelezen accommodatie om van elk feest een succesvol en geslaagd feest te maken'. De salons gaan er prat op dat 'alles kan aangepast worden naar (sic) de wens van de klant'. Mijn oudste oom en de vrouw met wie hij al een halve eeuw het bed deelt, hadden zo te zien de lat behoorlijk hoog gelegd.

Honderdzestien [Vandermeersch schijnt ook telwoorden boven de honderd in één woord te willen] genodigden uit de 'brede familie- en vriendenkring', zo had De Vrede kennelijk als opdracht gekregen, dienden op een meer dan bourgondische [en hier hoorde een hoofdletter] manier gesoigneerd te worden. En iemand soigneren, dat wil wat zeggen in mijn familie. Daar gaat om te beginnen een langdurige studie over de tafelschikking aan vooraf. Dat kan alleen als er heel veel lekker eten wordt geserveerd. En dat gaat onvermijdelijk gepaard met vele glazen champagne, wijn en - voor de liefhebbers onder de nonkels - korte drank.

Familiefeesten, dat betekent in de familie Vandermeersch ook Vlaamse cultuur. De tafels luisterden naar namen als 'Kapellekensbaan', 'Vrijdag' en 'Prutske'. Een inderhaast samengesteld koortje, waarin ik enkelen van mijn naaste familieleden meende te herkennen, zong schone liederen als daar zijn het 'Hutje op de Hei'. En een dichter, in wie ik dan weer mijn gouden nonkel zelve vermoedde, had zich uitgeleefd op de menukaart die op elk bord prijkte.

Maar geen familiefeest die naam waardig of er wordt uitgebreid over politiek gedebatteerd. Het Egmontpact van Tindemans, het racisme van Dewinter, de worsten van Vanden Boeynants, de kippen van Dehaene, het verbrande geld van Vandenbroucke, de helikopters van Claes, de defenestratie van de Gucht. Ze zijn allen gepasseerd op nieuwjaarslunches en huwelijksfeesten, zelfs aan koffietafels.

Dit keer was het niet anders. Of toch. 'Ben jij dat nog steeds niet moe?' Zo werd ik begroet door een van mijn neven, nog voor ik de drempel van Salons De Vrede had overschreden. Wat 'dat' dan wel was, was meteen duidelijk. Dé politiek. 'Ik heb afgehaakt', vervolgde mijn neef. 'Ik lees het niet meer. En als ze het er op televisie over hebben, zap ik weg. Ik ben het zo beu als koude pap.'

Bij wijze van begroeting kan dat tellen. Het was nog maar het begin. De champagne mocht dan wel vrolijk opborrelen en de aperitiefhapjes mochten gul worden rondgedeeld, waar ik ook ging staan, veranderde de ambiance. 'Ze kunnen het niet, hé', stelde een tante vast. 'Hoe jullie daar nu al zo lang kunnen over schrijven. In het begin, toen ze in Hertoginnedal zaten, vond ik het nog interessant. Maar intussen is er niks gebeurd. Is Leterme nu eigenlijk nog premier? Of is hij ontslagnemend? Of wanneer zal hij ontslag nemen?'

'Dat Verhofstadt maar zere terugkomt uit Italië', viel een man in. Omdat hij van de andere kant van de familie is, kende ik hem niet. Hij vertrouwde me meteen toe dat hij weliswaar voor Leterme had gestemd, maar zich dat nu ferm beklaagde. Zelf afkomstig van Alveringem, vond hij dat ze er in Brussel 'een potje' van hebben gemaakt. 'Heel dat gedoe met Brussel-Halle-Vilvoorde hangt mij de keel uit. Dat ze daarover zo'n spel maken, dat gaat er bij mij niet in.'

Ik maneuvreerde [manoeuvreerde] me langzaam weg van BHV naar de feestzaal, waar ik mijn naambordje vond aan de tafel met het bordje 'Prutske'. 'Heel toepasselijk voor jou', grijnsde een neef, die twee tafels verder zat. 'De prutsers van de politiek. Daar heb jij toch elke dag mee te maken.' Lap. Die zat. Even in het menu duiken om te ontsnappen aan alle ras-le-bol-gevoelens. 'Uit de as van Hugo Claus in zee, brachten wij wat lekkers mee', las ik. De combinatie van tong en zalm was inderdaad meer dan lekker. Tot mijn vreugde bleek mijn tafelpartner bovendien de uit het Russische Moermansk afkomstige partner van een van mijn neven. Ik probeerde het debat op gang te trekken over Russen en Georgiërs. Maar de mooie Russische wilde vooral weten waarom wij er in dit kleine België maar niet in slagen om overeen te komen.

Even de handen gaan wassen. Ik sta letterlijk te plassen als naast mij een aangetrouwde neef van wal steekt. 'Weten die politiekers eigenlijk waarover het gaat? Gaan die gasten wel eens op café? Ik ben dat spuugzat. D'er is maar één die 't kan: Dedecker. Dat is ten minste ne vint die weet waarover dat 't gaat. Gene zever. Dat hij maar premier wordt. En diene Leterme kan met heel zijn boeltje terug naar Ieper. Schrief dat moa ne ké up in uw gazetje.'

Intussen wordt het hoofdgerecht geserveerd. 'Een van Gezelles Kasselkoeien, kan enkel in je maag nog loeien', gaat de dichter op mijn menukaart verder. De stoel naast de mooie Russische is bezet en ik vind elders een plekje om een stukje rundvlees met groentekrans te prikken. Hier probeert een oom toch wat verder te gaan dan de platte antipolitiek. 'De Vlamingen moeten het been stijf houden. Het is duidelijk de schuld van de Franstaligen. Die Maingain, dat is puur vergif', poneert hij. Maar een debat over de grond van de zaak is vandaag te veel gevraagd. 'De politiek is één pot nat', smoort een aangetrouwde neef van mijn vader het begin van de discussie. 'In mijn zaak moet ik zo weinig mogelijk tijd stoppen in een verkoop', zegt de man, zelf een succesvol zelfstandige. 'Hoe meer tijd ik erin stop, hoe minder ik eraan verdien. In de politiek is het duidelijk: hoe meer tijd ze besteden, hoe meer ze verdienen.' Niemand probeert zelfs maar om de redenering tegen te spreken.

We worden gered door het spectaculaire nagerecht. 'Geen feest compleet zonder de Fee, Hij brengt meteen Pallieter mee, Die in het ijslandschap alvast, Een gouden 50 heeft geplast'. De ijstaart, vuurwerk incluis, wordt opgevoerd. Applaus stijgt op. Het gouden paar glundert. De knopen in de dassen zijn intussen wat losser gemaakt. Mouwen opgestroopt. Jasjes hangen over de stoelen.

Eensgezindheid vecht met tegenstrijdigheid. Ja, iedereen is het erover eens dat 'het' nog nooit zo erg is geweest. Dat 'de onkunde' onbeschrijfelijk is. Dat 'ze' niet bezig zijn met wat 'de mensen' bezighoudt. En dat we het 'allemaal kotsbeu zijn'. Maar tussen die vaststellingen en de oplossing staan vele glazen wijn en praktische bezwaren. Het 'been stijf houden', zegt de ene. Een compromis 'met de benoeming van die onnozele burgemeesters' en het 'afstaan van die corridor met bomen en konijnen', vindt een andere. 'Verkiezingen', stelt een derde. De tante die 'Verhofstadt terug' zegt, vindt bij velen gehoor. Maar vooral de nonkel die in Dedecker de 'man van het moment' ziet, kan op bijval rekenen.

Het feest loopt ten einde. Ja, beste nonkel Jef en tante Madeleine, het was een geweldig weerzien met de familie in een fantastisch etablissement. Ze hebben ons gesoigneerd, zoals alleen gulle West-Vlamingen dat kunnen. Ja, de cultuur was er. Het koortje zong mooi. De speeches waren verfijnd. De menukaart poëtisch. En zoals altijd zat de politiek met ons aan tafel. Alleen: nog nooit was het gevoel van afkeer voor de politiek zo sterk aanwezig. Ik had wat om over te denken op weg van Ichtegem naar Brussel. Troost vond ik alvast in de laatste paragraaf van jullie menukaart: 'Weet je nog wat Max Havelaar sprak, tot alle hoofden van Lebak? Schenk haar, schenk hem en elk van jullie, een kopje troost van Multatuli.'
.

donderdag 18 september 2008

Tom Naegels interviewt Dyab Abou Jahjah

.
De Standaard, zaterdag 13 september 2008

'Het gaat over wat toen écht is gebeurd'

Het was een merkwaardig zicht [bedoeld wordt "gezicht"; noot van victacausa], maandagochtend in zaal 15 van het Antwerpse hof van beroep. Drie Vlaamse rechters die zes jaar na de feiten, op basis van pv's en enkele televisiebeelden, zicht moeten krijgen op de chaotische gebeurtenissen van november 2002, toen Antwerpen even in brand stond na de moord op Mohamed Achrak. Beter: ze moeten een oordeel vellen over de schuld van Dyab Abou Jahjah en Ahmed Azzuz, destijds de nummers een en twee van de Arabisch-Europese Liga.
Dat de tijd voor duidelijkheid zorgt, lijkt in deze zaak niet op te gaan. Of toch: voor een steeds groeiende groep mensen, waaronder ook ik, is het vrij duidelijk dat de aanklacht tegen Abou Jahjah en Azzuz op bijzonder weinig en op erg betwistbare bewijsstukken gebaseerd is. Tenzij ik me geweldig in de luren laat leggen, lijkt dit proces de laatste uitloper van de merkwaardige hetze die in 2002-2003 tegen de Arabisch-Europese Liga en haar voorzitter gevoerd werd, een beschamende periode voor de Vlaamse politiek en journalistiek, toen zelfs de wildste geruchten voor waar aangenomen werden, en door burgemeesters, premiers en hoofdredacteurs verspreid.
Dat wordt nu vrij algemeen erkend, al heeft niemand van de betrokkenen ooit zijn eigen fouten toegegeven. Abou Jahjah is er gerust op dat ook de rechters zullen besluiten dat zelfs deze laatste klacht - de laatste uit een dossier van 4.000 bladzijden - ongegrond is. En dan is het zijn beurt.

Een van de dingen die ik niet begrijp, is waarom ze jullie vervolgen voor de rellen van november 2002, maar niet voor die van april van dat jaar. Die waren niet alleen heviger, ze ontstonden ook in de nasleep van een niet-aangevraagde betoging die door de AEL was georganiseerd. Daar zou je nog kunnen redeneren: het is door Abou Jahjah dat die jongeren zich massaal op die plaats bevonden, dat ze opgehitst waren, en dat ze uiteindelijk tot vandalisme zijn overgegaan.

'Toen was de politieke liquidatiebeslissing nog niet genomen. Koen Dassen, destijds kabinetschef van minister van Binnenlandse Zaken Antoine Duquesne, heeft toen zelfs gezegd dat de AEL-ordedienst een pluim verdiende. Terecht, trouwens: onze mensen hebben gevochten om de politie en onze betogers uit elkaar te houden. Maar je hebt gelijk: op 3 april 2002 zijn er echte rellen geweest - ná de betoging, dus zeker niet op ons aansporen.'
'In november kwamen mensen spontaan op straat om hun woede te uiten, nadat Mohamed Achrak was doodgeschoten. Ze waren daar lang voor ik of Ahmed Azzuz ter plekke waren. Ze hebben dat ook gedaan op dagen dat hij noch ik opgedaagd zijn. Maar toen stond de AEL wel op de hitlist van het establishment. De burgerpatrouilles, waarmee we politieracisme aanklaagden, waren de druppel. Brice De Ruyver heeft toen letterlijk gezegd dat wij uitgeschakeld moesten worden.'

Als het de bedoeling was om jullie klein te krijgen, is het momentum daarvoor dan niet voorbij? Zelfs tegenstanders van toen geven nu toe dat er destijds hysterisch over jullie werd gesproken.

'Maar men is erin geslaagd is om onze invloed en onze groei in te perken. Je moet de campagne tegen de AEL niet alleen juridisch bekijken. Er is in de pers geschreven dat wij geld witwasten, dat we geld kregen van Al Qaeda, dat ik wapens verborg in mijn flat, dat wij bewust rellen hebben uitgelokt om van Borgerhout een no-go area te maken. Onze telefoons werden afgetapt, onze e-mails gelezen, we werden gevolgd door de staatsveiligheid - toen ik je destijds sprak, leek dat nog paranoïde, maar ondertussen heb ik mijn dossier kunnen inkijken en dat gebeurde allemaal écht.'
'Dat heeft een enorme impact gehad op onze persoonlijke levens, en op het imago van onze beweging. Zelfs in onze eigen gemeenschap geloven veel mensen dat wij relschoppers zijn. Dus ik denk niet dat ze mislukt zijn in hun opzet. Het protest van een paar intellectuelen, zelfs de schaamte van een handvol politici en journalisten die destijds hebben meegedaan aan de demonisering, dat begint zelfs nog niet met de schade recht te zetten.'
'Als we binnenkort worden vrijgesproken - en dat zal gebeuren - dan zullen wij die mensen voor de rechter slepen. Antoine Duquesnne, Brice De Ruyver, zij zullen zich moeten verantwoorden voor hun uitspraken. Dat is een principiële kwestie voor ons: het gaat om een normalisering van de verhoudingen.'
'Daarnaast willen we het debat heropenen over wat er destijds écht gebeurd is. Er zijn nu wat brokken aan het vallen, maar veel ervan blijft nog achter de muur verborgen. Lamine heeft nu getuigd dat ik die bewuste avond redelijk was, dat ik met hem onderhandelde om de jongeren af te leiden naar de moskee, en dat ik hem niet heb gesmaad. Zijn geweten spreekt, dat waardeer ik. Maar hij spreekt bewust niet over wat er verder in die week is gebeurd. Bart De Bie schrijft op zijn weblog dat Luc Lamine zélf toelating heeft gegeven om de “matrakkenkermis, te openen, om elke Marokkaan die in Borgerhout rondliep, neer te meppen en op te pakken.'

De Bie heeft er natuurlijk belang bij om zo'n verhaal de wereld in te sturen.

'Hij is misschien niet de meest objectieve bron, maar die matrakkenkermis is er geweest. We hebben getuigenissen genoeg, van Marokkanen én van Vlamingen, over kinderen die door de politie uit de tram werden gesleurd, soms zelfs uit de auto van hun ouders geplukt. Je gaat me toch niet vertellen dat de korpschef van de politie daar niet van op de hoogte was? Hij hoeft dus niet te denken dat hij ervan afkomt door één positieve verklaring over ons af te leggen, over één specifieke avond. Nee: de politie is zwaar in de fout gegaan, en iemand moet zich daarvoor verantwoorden.'

Toen die rellen begonnen, wist u toen al niet: dit is een politieke ramp?

'Op dat moment dacht ik eerlijk gezegd niet aan de politieke repercussies. Ik was drie jaar lang de voetbaltrainer geweest van de jongste broer van Mohamed Achrak. Zijn dood raakte mij emotioneel.'
'Achteraf zie je wel dat die periode gebruikt wordt door politici om mee te scoren. Je moet je in de politiek altijd afvragen: wie wint erbij? Er bestaan situaties waarin het zinvol is om rel te schoppen - denk aan Leuven Vlaams, toen een paar woelige betogingen het laatste zetje gaven dat nodig was om het unitaire België te laten kraken. Maar als je zwak staat zoals wij, dan is zo'n strategie zinloos. Daarom hebben we ook alles gedaan om rellen te beletten. Als wij rellen hadden gewild, dan waren ze van een totaal andere orde geweest dan je nu hebt gezien.'
'Laat ik je een anekdote vertellen. Toen ik in de gevangenis zat, deed het parket me een voorstel: ze zouden zich niet verzetten tegen mijn vrijlating als ik drie maanden lang niet aan politiek zou doen. Alles in mij wilde dat weigeren. Maar ik kreeg boodschappen van de AEL dat onze achterban niet meer te houden was. Ze waren honderden molotovcocktails aan het maken. De basis had de leiding van de AEL een ultimatum gesteld: als ik die dinsdag niet vrij zou komen, dan zouden er gewonden of doden vallen. En de AEL zei: je moét dat compromis aanvaarden, anders wordt het een catastrofe.'
'En ik heb het aanvaard. Moreel, omdat ik er niet verantwoordelijk voor wil zijn dat mensen gewond zouden kunnen raken. Maar ook strategisch, omdat zo'n grootschalige oproer politieke zelfmoord was geweest. Was dat gebeurd, dan had onze gemeenschap een kruis kunnen zetten over haar emancipatie. We hadden meer dan dertig jaar moeten zwijgen over onze rechten, zo lang zouden zulke rellen in het collectieve bewustzijn gegrift blijven.'

Vindt u het erg dat de AEL weggedeemsterd is?

'Dat zijn we niet. Ons ledenaantal is ongeveer hetzelfde als destijds, en we groeien weer aan. We opereren ook vaak onder andere namen. Baas Op Eigen Hoofd (BOEH), dat van leer trok tegen diverse hoofddoekenverboden, wordt bijvoorbeeld getrokken door vrouwen die lid zijn of waren van AEL.'

Uw vertrek naar Libanon heeft de Liga toch veel zichtbaarheid gekost. Vindt u zelf niet dat u te snel bent weggegaan?

'Dat was een persoonlijke beslissing. Ik heb mijn engagement hier altijd gezien als een tijdelijke fase in mijn leven. Altijd, als tegenstanders in debatten tegen me zeiden: “Maar ga dan terug naar Libanon, als je echt iets wilt betekenen voor het Midden-Oosten,, dacht ik: wees gerust, ik ga, maar nu nog niet. Je bent de eerste niet en je zult ook niet de laatste zijn die zegt dat ik had moeten blijven. Maar ik weet dat de AEL in goede handen is. Geef ons nog een paar jaar. We hebben evenveel leden als in 2003. En veel leden van toen, die ons destijds teleurgesteld de rug hebben toegekeerd, keren terug. Ze zijn nu rijper, ouder, verstandiger.,
Onlangs verscheen er in De Standaard en De Morgen het opgemerkte stuk 'Wij zijn de AEL-generatie', waarin een groep jonge mensen, ondertussen in verantwoordelijke functies op de universiteit, in de politiek of bij de televisie, beschrijven hoe belangrijk de AEL geweest is voor hun politieke bewustwording.
'Dat zijn leden die een stap verder gedaan hebben. Wie toen nog bezig was aan zijn doctoraat, heeft nu een contract bij de universiteit. Wie toen journalistiek studeerde, werkt nu op een redactie. Ze staan steviger in hun schoenen, waardoor het makkelijker is om te tonen dat ze achter ons staan. De verontwaardiging over dit proces speelt daar ook een rol in. Het is nooit eenvoudig geweest voor onze leden om uit te komen voor hun lidmaatschap, zeker niet voor mensen met ambitie, die een carrière nastreven.'
'Herinner je je de kerel die destijds de meest woelige, de meest rellerige was van allemaal? Hij die tijdens een debat in Het Zuiderpershuis een dreigend gebaar maakte naar een meisje in de zaal dat een kritische vraag stelde? Dat is nu een papa van een dochtertje. Hij heeft een vaste baan, en nu keert hij terug naar de AEL. Andere jongens, die toen zestien waren, zitten nu op de universiteit. Ze zijn politiek gevormd door de AEL, waardoor ze intellectueel sterker in hun schoenen staan dan anderen.'

De jonge leeftijd van de AEL-militanten vond ik destijds het grootste probleem. Ze waren te onervaren, te impulsief, te agressief soms om een beweging te trekken met zo'n symboolgehalte.

'Het is een jonge gemeenschap. Denk je dat je die baardmannen van de moskeeverenigingen warm lopen voor een emancipatiebeweging? Zij zijn het grootste blok aan het been van onze gemeenschap, na het Belgische racisme. Zij zijn tégen emancipatie. De AEL is een beweging die het moest hebben van de tweede generatie. En die is jong: tieners, twintigers. Met alles wat daarbij hoort.'
'De moskeeën hebben altijd tegen ons gepreekt. Ze gebruikten daarvoor de meest anti-emancipatorische, dogmatische lijnen van de islam. En ze werden daarin gesteund door het Antwerpse stadsbestuur, dat liever conservatieve geestelijken subsidieert en op het stadhuis uitnodigt, dan dat het een seculiere emancipatiebeweging ruimte geeft. Is het niet vreemd dat de Belgische politiek eerder kiest voor het wereldbeeld en de prioriteiten van de eerste generatie - de vaders, de imams, de oude conservatieven die in elke raad en in elk officieel orgaan uitgenodigd worden - terwijl ze toch verder zullen moeten met de tweede?'

Men vermoedt dat de tweede generatie radicaler is, zowel politiek als religieus. Men ziet de ouderen als gematigd.

'Ze zijn ook radicaler, niet zozeer religieus maar vooral politiek. Omdat ze vertrekken vanuit het besef van burgerschap: wij zijn hier geboren. De vaders en de imams lopen rond met een mentaliteit van gast: het is hun land, we moeten tevreden zijn dat we hier mogen zijn. Als het mijn land is, als ik een burger van dit land ben, dan aanvaard ik niet dat ik als tweederangsburger wordt behandeld.'

Er loopt toch een behoorlijk aantal religieus radicalen rond onder de tweede generatie?

'Heel zeker. De salafisten zijn force number one in onze gemeenschap. Vroeger hadden wij een grotere aanhang, maar het feit dat men de AEL heeft onderdrukt, heeft de hunne doen stijgen. Ik zie veel jongeren die vroeger bij de AEL waren, nu met geschoren hoofd en een baard tot hier rondlopen. Jongeren die na het neerslaan van de AEL benaderd worden door een Saoedische moskee in Brussel, waar ze lessen volgen, waarna je hun kleding ziet veranderen - en plotseling hebben ze hun eigen organisatie opgericht, die zelf mensen tracht te bekeren.'
'Het salafisme heeft een gevaarlijke variant en een dociele variant, die alleen gevaarlijk is omdat hij sectair is. Dat laatste is een fundamentalisme dat vergelijkbaar is met dat van de getuigen van Jehovah, of het orthodoxe jodendom: het haalt mensen uit de maatschappij, creëert een parallelle werkelijkheid, maar het is geen gevaar voor de veiligheid. Maar de stap naar het jihadistische salafisme is niet zo groot. Het is dezelfde mentale structuur, de analyse en de visie is dezelfde, er is alleen een verschil in visie op wat je het beste doet: mensen bekeren, of een zwaard nemen.'
'Ik hoop dat het een voorbijgaande fase is, al heb ik weinig hoop met de huidige internationale context. Maar de basis voor een democratische, seculiere emancipatiebeweging die vertrekt vanuit het burgerschapsprincipe is er ook nog altijd. Geef ons nog een paar jaar, en dan heeft de AEL zich herpakt. De komende jaren zijn voor ons cruciaal: als we de brug kunnen maken naar een volgende generatie, dan gaat de AEL het nog beter doen. Ik reken zelf twee à drie jaar. Ik ben hoopvol. En als dat niet lukt, dan zal er een nieuwe beweging komen waar de AEL aan de basis ligt. Andere naam, zelfde strijd. En hopelijk is men er tegen dan meer aan gewend.
.

zaterdag 30 augustus 2008

Geert van Istendael over de hoofddoek

.

Het masker van de dwang
Geert van Istendael

Vandaag verschijnt de essaybundel 'De islam in Europa: dialoog of crash' waarin Johan Sanctorum acht essays samenbrengt over de botsing van waarden tussen de islam en de westerse moderniteit. Geert van Istendael buigt zich over de hoofddoek. Hij bekijkt de kwestie door de bril van een ex-gelovige.
.
Ik ben opgevoed in een volkoren katholieke omgeving. Niet alleen het gezin was uitgesproken rooms, ook de straat was zo, de buurt was zo, de school was zo. Zelfs met een krachtige verrekijker kon je nergens aan de einder een andersdenkende bespeuren. Heverlee, Boskant, jaren vijftig, begin jaren zestig. ACW, Boerenbond. Wie kent vandaag nog de sociologie van dat verdwenen Vlaanderen?
Voor ons waren andersdenkenden per definitie slechte mensen. Ha ja, zo luidde de redenering, dat leefde maar raak, dat kon zich alles permitteren wat het maar wilde, immers, de straffende God die ons in toom hield, bestond voor zo'n slag mensen niet. En áls ze toevallig in God geloofden, zoals de ketterse protestanten, dan wilden ze niet luisteren naar de paus. Ze dwaalden, de sukkels, hopeloos verloren ze zich in hun dolingen. Bitter, bitter zouden ze het zich berouwen. Branden in de hel, dat was het vreselijke lot dat hun wachtte, in de diepste krochten van de hel. En omdat er geen andersdenkenden voorradig waren, sprak niemand ons tegen.
Voor mijn zesde levensjaar had ik wél een glimp opgevangen van de boze, tegen beter weten in koppig niet-katholieke wereld. We waren naar Utrecht verhuisd, vanwege het werk van mijn vader. Onze buren aan de ene kant waren protestants, die aan de andere kant geloofden helemaal niets. Maar zie, mijn lieve, vrome, roomse moeder kon het met beide kanten opperbest vinden en geen haar op haar hoofd zou eraan hebben gedacht me te verbieden met de calvinistische en heidense kinderen uit de buurt te spelen. Ik was dan ook pijnlijk verrast toen mijn vriendje Gertje plots naar de kleuterschool met de Bijbel ging, terwijl ik achter de wijde rokken van eerwaarde zuster Ambrosina aandribbelde. De eerste barst sprong in mijn wereldbeeld. Ik was vier jaar. Misschien komt het daardoor dat ik later, teruggekeerd in België, de pastoors die sermoenen afstaken over satanische protestanten, nooit heb kunnen geloven. Ik mocht mijzelf, hoe jong ook, een ervaringsdeskundige noemen, zij moesten hun mond houden. In werkelijkheid geschiedde precies het omgekeerde. Ik zweeg, zij kraamden onbekommerd hun hatelijke onzin uit.
Ik ga zo uitgebreid in op mijn persoonlijke geschiedenis om duidelijk te maken dat ik maar al te goed weet welk arsenaal aan methodes een wereldgodsdienst gebruikt om zijn gelovigen in het gareel te houden. 'Nourri dans le sérail, j'en connais les détours', volgens het woord van Racine, of, op zijn plat Brabants gezegd, maar eigenlijk hetzelfde: 'Ge moet nen ouwen aap geen smoelen leren trekken.' Als ik dus jonge islamitische vrouwen hoor zeggen dat ze in volle vrijheid ervoor kiezen om de sluier te dragen, dan weet ik niet of ik in vreugdeloos geschater moet uitbarsten dan wel het vergrijsde hoofd moet schudden. Mijn god, ik herken het zo goed. Dat stijfkoppige ontkennen van de dwang. Die tomeloze verontwaardiging als iemand anders de dwang pijnlijk nauwkeurig aanwijst en zichtbaar maakt. Die illusie van vrijheid. Dat zelfbedrog. Dat door en door valse bewustzijn. Ik zou nu kunnen zeggen, met de woorden van het Lucasevangelie (23:34) 'vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen', maar nee, ik wil niet mild zijn. De dwingelandij mag niet terugkomen. Nooit. Ze is terug, de dwingelandij. Ik zie ze dagelijks op straat, in de metro, in winkels - maar nu van een andere godsdienst.
Macht puren uit angst. Dat doen die twee wereldgodsdiensten en daar walg ik van. Ze puren macht uit de existentiële angst waar ieder mens mee leeft, mee leven moet, uit de bange vragen die je bekruipen op een regenachtige avond aan zee. Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naartoe? Waarom ben ik op aarde? Wat ligt achter de donkere poort waar iedereen, ook ik, ooit door moet?
Ik heb in mijn jonge jaren meer sluiers gezien dan er vandaag in de straten van Brussel te tellen zijn. Veel meer. Van zuster Ambrosina tot mijn tante non. En al haar medezusters in hun donkere, neogotische klooster. En van honderden andere nonnen, elke dag opnieuw, op stadspleinen en dorpspleinen, in stations, scholen, kerken, parken, thuis. Daar waren wilde exemplaren bij. Witte kappen met hoog opstekende punten. Blauwe treurdoeken. Zwarte huiven, zo wijd als volwassen tenten. Alleen, wij vonden die niet vreemd, niets daarvan vonden wij vreemd, evenmin als wij de mannen vreemd vonden die, gehuld in jurken, eveneens zwart, ons de onwankelbare waarheden voorhielden van ons rotsvaste geloof. Of kaalgeschoren kerels in ruwe, bruine gewaden, bijeengebonden met een wit touw. Of volwassen mannen die verwijfd goudbrokaat over hun massieve schouders drapeerden, zomaar in de openlucht.
Na Vaticanum II, dus in de jaren zestig van de twintigste eeuw, werd het straatbeeld drastisch gerationaliseerd. De priesterjurken werden verknipt tot pakken. En duizenden nonnen rukten zich de kap van het hoofd. De nonnen waren niet weinig opgelucht. Duizenden kloosterzusters slaakten als uit één mond een zucht van verlichting. Prompt joeg een stormwind door katholiek Europa. Weg met de sluier. Weg met het zelfbedrog. Weg met het valse bewustzijn.
Vandaag wordt, eigenaardig genoeg, de sluier met grote hardnekkigheid verdedigd door mensen die geen spat islam aan hun lijf hebben. Ik wil hier niet beweren dat ze geen spat katholicisme aan hun lijf hebben, maar áls ze zich al tot het roomse geloof bekennen, is het tot een wel zeer verwaterde vorm. Het zijn vooral jonge mensen, ze hebben nooit het preconciliaire tijdvak moeten ondergaan, en daarvoor zouden zij de Here mogen prijzen, maar het heeft tot gevolg dat voor hen het katholicisme een onscherp begrip geworden is.
Inzake geloof zijn de jonge mensen van Belgische afkomst die vandaag uit progressieve, zeg maar linkse, overtuiging de hoofddoek verdedigen, hoofdzakelijk naïef. Of nee, onnozel, dat is de term. Onnozel betekent volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal onschuldig, zonder kennis van de wereld en dus licht te bedriegen. Inderdaad, die jonge mensen hebben geen flauw benul van de immense, wurgende kracht die een eeuwenoude wereldgodsdienst ontwikkelt zodra hij op een grens stuit die hem van buitenaf wordt gesteld. Ze hebben niet genoeg verbeeldingskracht om zich voor te stellen dat er mensen zijn die uit een of andere religieuze overtuiging werkelijk anders denken dan zij, maar dan ook totaal anders, en ook navenant zullen handelen. Woedend. Dictatoriaal. Als het moet moorddadig. Wat godsdienstzaken aangaat, baden die Belgische jonge mensen in het lauwe rozenwater van een slecht begrepen tolerantie, een weke onverschilligheid, een niet onprettige vaagheid. Bovendien vinden ze die hoofddoeken en djellaba's toch maar wát exotisch.
Als ze de hoofddoek verdedigen in krantenstukken, hebben ze het steevast over de kille neutraliteit waartoe een verbod op hoofddoeken aan loketten zou leiden. Zoals in Frankrijk, wordt er vaak aan toegevoegd - als afschrikwekkend voorbeeld, neem ik aan. Verbijsterend is dat. Ongeloofwaardig haast. Bedroevend. Mensen die het voorrecht hebben gekregen te studeren, horen beter te weten. Voor hen bestaat geen enkel excuus.
Een halve eeuw geleden gebruikten conservatieve katholieken in dit land exact díé woorden, 'kille neutraliteit', wanneer zij ten strijde trokken tegen de vrijzinnigen die de invloed van de katholieke kerk in het openbare leven binnen redelijke perken wilden houden. Dus hoogopgeleide, zichzelf als links en progressief inschattende mensen vandaag zeggen precies hetzelfde als antimoderne katholieken vijftig jaar geleden.
En dan beschimpen ze Frankrijk. De Franse republiek nam in 2004 een wet aan die het dragen van hoofddoeken in openbare gebouwen beperkt. In openbare scholen is de hoofddoek zelfs helemaal verboden. De Franse republiek heeft voor één keer de republikeinse beginselen en waarden ernstig genomen en werkelijk, met rigueur républicaine, toegepast. Op slag daalde een ijzige kilte over ons zuidelijke buurland neder, tenminste als ik vele progressieve, rode, groene en anderskleurige linkse mensen mag geloven.
In de regering van dat kille, neutrale Frankrijk, de hardvochtige republiek die volgens linkse, progressieve mensen dan ook alleen maar een racistische en islamofobe republiek kan zijn, zitten overigens een paar opvallende vrouwen van islamitische herkomst. Rachida Dati bijvoorbeeld. Zij is minister van Justitie. Niet staatssecretaris van consumentenzaken of van kindercrèches, nee, justitie. Een gezagsdepartement. Een sluitstuk van iedere democratie. Een sleutelpositie. Dat heeft bij mijn weten nog geen enkele partij in België, of ze nu links is, centrum of rechts, groen, rood, blauw of oranje, voor elkaar gebracht - of liever willen brengen. Mevrouw Dati komt uit een gezin van elf kinderen. Haar vader was een Marokkaanse metselaar. Haar moeder was Algerijnse. Mevrouw Dati draagt geen hoofddoek en beschouwt zichzelf als une fille française d'origine modeste, wat allerminst betekent dat ze haar Marokkaans-Algerijnse afkomst wegmoffelt. Opmerkelijk is dat mevrouw Dati door niet weinig groepen in de door geweld geteisterde banlieues wordt gehaat. Zij brandmerken haar als verraadster.
Mevrouw Dati werd benoemd door president Sarkozy, dezelfde Sarkozy die ongemeen hard uitgehaald heeft naar de relschoppers in de banlieues. Daar zat een hoop racaille bij elkaar, zei Sarkozy, gespuis dus, geteisem, uitschot, janhagel (wat kan onze taal toch mooi schelden!). Let wel, Sarkozy is zelf een migrant, tweede generatie van vaderszijde, van moederszijde vierde generatie. Zijn achtergronden zijn Hongaars en Grieks-Joods. Zijn vader hoorde dan wel bij de kleine Magyaarse adel (Nagybócsai Sárközy), maar hij heeft de Franse nationaliteit werkelijk niet op een bevoorrechte of zachtaardige manier verworven. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog ontvluchtte hij zijn land voor het Rode Leger. Hij nam dienst in het beruchte Franse vreemdelingenlegioen en kreeg zijn opleiding in Algerije. Pa Sarkozy kwam Frankrijk binnen door de verveloze achterdeur.
Nu heb ik de grootste bezwaren tegen het beleid en de stijl van Sarkozy, maar één ding moet ik hem nageven. Hij heeft onmiskenbaar het talent om waardevolle mensen aan te trekken. Hij noemt zichzelf dan wel rechts, maar geeft politieke opponenten ter linkerzijde het ene hoge ambt na het andere, zolang ze maar deskundig zijn en liefst nog een beetje briljant ook. Dat is niet zo simpel als het lijkt. Telkens opnieuw moet Sarkozy het luide gemor van zijn eigen partijgenoten trotseren. Telkens opnieuw kiest hij eigengereid de man die hij de enige juiste vindt, links of rechts of midden, het maakt Sarkozy niets uit. En de juiste vrouw natuurlijk.
Want je kunt mevrouw Dati onmogelijk een excuustruus noemen. In dezelfde regering zetelt ook Fadela Amara. Ook zij heeft broers en zussen zonder tal. Ook haar ouders kwamen uit Noord-Afrika. Ook haar vader was een doodgewone arbeider. Zij heeft de portefeuille van stedenbeleid - als er één controversieel beleidsdomein is in Frankrijk, dan wel dat. Fadela Amara is een gelovige moslima, daar laat ze geen twijfel over bestaan. Maar haar geloof is privé. Puur privé. Dus draagt ze geen sluier.
Voor Fadela Amara is de cruciale vraag niet: worden moslimvrouwen die in openbare dienst werken, gedwongen de hoofddoek af te leggen? Maar: mógen moslima's straks nog wel zonder hoofddoek gaan werken? Zal het hun niet worden verboden door broers, vaders, ooms, buren, door loodzware, niet zelden gewelddadige sociale druk? Door dwang? Ze keert het probleem dus copernicaans om. En ze weet waarover ze spreekt. Ze heeft in 2003 de beweging Ni putes ni soumises (Geen sletten geen slavinnen) op haar land losgelaten, ze heeft betogingen georganiseerd, onder meer een mars op Parijs, ze heeft de 'Staten-Generaal van de vrouwen uit de voorsteden' bijeengeroepen; dat alles tégen de gewelddadige druk die op jonge moslima's wordt uitgeoefend door de mannen uit hun omgeving, dwang om niet voort te studeren, om vroeg te trouwen, om de sluier te dragen. Dat het dwang is, harde, brute dwang, daarover laat ze geen twijfel bestaan, niet in haar boeken, niet in haar actie.
Fadela Amara wil dat de waarden van de Franse revolutie gelden voor iedereen en overal, ook in de banlieues. Ze zweert bij vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid en die waarden zijn volgens haar níét relatief, níét enkel bedacht door en bestemd voor blanke mannen. De waarden van de Franse revolutie zijn volgens Fadela Amara universeel. Voor het recht van de sterkste, voor tribale gewoonten, die trouwens vaak ouder zijn dan de islam, mag geen plaats worden ingeruimd, niet in Frankrijk, niet in Europa, in de hele wereld niet. Alleen de republikeinse wettelijkheid mag gelden. Fadela Amara heeft geen seconde geduld met religieus obscurantisme van de ene kant of cultureel relativisme van de andere kant. De sluier is onderdrukking. Machistische onderdrukking.

Dit is een bekorte versie van het essay.