Posts tonen met het label van Istendael | Geert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label van Istendael | Geert. Alle posts tonen

zaterdag 30 augustus 2008

Geert van Istendael over de hoofddoek

.

Het masker van de dwang
Geert van Istendael

Vandaag verschijnt de essaybundel 'De islam in Europa: dialoog of crash' waarin Johan Sanctorum acht essays samenbrengt over de botsing van waarden tussen de islam en de westerse moderniteit. Geert van Istendael buigt zich over de hoofddoek. Hij bekijkt de kwestie door de bril van een ex-gelovige.
.
Ik ben opgevoed in een volkoren katholieke omgeving. Niet alleen het gezin was uitgesproken rooms, ook de straat was zo, de buurt was zo, de school was zo. Zelfs met een krachtige verrekijker kon je nergens aan de einder een andersdenkende bespeuren. Heverlee, Boskant, jaren vijftig, begin jaren zestig. ACW, Boerenbond. Wie kent vandaag nog de sociologie van dat verdwenen Vlaanderen?
Voor ons waren andersdenkenden per definitie slechte mensen. Ha ja, zo luidde de redenering, dat leefde maar raak, dat kon zich alles permitteren wat het maar wilde, immers, de straffende God die ons in toom hield, bestond voor zo'n slag mensen niet. En áls ze toevallig in God geloofden, zoals de ketterse protestanten, dan wilden ze niet luisteren naar de paus. Ze dwaalden, de sukkels, hopeloos verloren ze zich in hun dolingen. Bitter, bitter zouden ze het zich berouwen. Branden in de hel, dat was het vreselijke lot dat hun wachtte, in de diepste krochten van de hel. En omdat er geen andersdenkenden voorradig waren, sprak niemand ons tegen.
Voor mijn zesde levensjaar had ik wél een glimp opgevangen van de boze, tegen beter weten in koppig niet-katholieke wereld. We waren naar Utrecht verhuisd, vanwege het werk van mijn vader. Onze buren aan de ene kant waren protestants, die aan de andere kant geloofden helemaal niets. Maar zie, mijn lieve, vrome, roomse moeder kon het met beide kanten opperbest vinden en geen haar op haar hoofd zou eraan hebben gedacht me te verbieden met de calvinistische en heidense kinderen uit de buurt te spelen. Ik was dan ook pijnlijk verrast toen mijn vriendje Gertje plots naar de kleuterschool met de Bijbel ging, terwijl ik achter de wijde rokken van eerwaarde zuster Ambrosina aandribbelde. De eerste barst sprong in mijn wereldbeeld. Ik was vier jaar. Misschien komt het daardoor dat ik later, teruggekeerd in België, de pastoors die sermoenen afstaken over satanische protestanten, nooit heb kunnen geloven. Ik mocht mijzelf, hoe jong ook, een ervaringsdeskundige noemen, zij moesten hun mond houden. In werkelijkheid geschiedde precies het omgekeerde. Ik zweeg, zij kraamden onbekommerd hun hatelijke onzin uit.
Ik ga zo uitgebreid in op mijn persoonlijke geschiedenis om duidelijk te maken dat ik maar al te goed weet welk arsenaal aan methodes een wereldgodsdienst gebruikt om zijn gelovigen in het gareel te houden. 'Nourri dans le sérail, j'en connais les détours', volgens het woord van Racine, of, op zijn plat Brabants gezegd, maar eigenlijk hetzelfde: 'Ge moet nen ouwen aap geen smoelen leren trekken.' Als ik dus jonge islamitische vrouwen hoor zeggen dat ze in volle vrijheid ervoor kiezen om de sluier te dragen, dan weet ik niet of ik in vreugdeloos geschater moet uitbarsten dan wel het vergrijsde hoofd moet schudden. Mijn god, ik herken het zo goed. Dat stijfkoppige ontkennen van de dwang. Die tomeloze verontwaardiging als iemand anders de dwang pijnlijk nauwkeurig aanwijst en zichtbaar maakt. Die illusie van vrijheid. Dat zelfbedrog. Dat door en door valse bewustzijn. Ik zou nu kunnen zeggen, met de woorden van het Lucasevangelie (23:34) 'vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen', maar nee, ik wil niet mild zijn. De dwingelandij mag niet terugkomen. Nooit. Ze is terug, de dwingelandij. Ik zie ze dagelijks op straat, in de metro, in winkels - maar nu van een andere godsdienst.
Macht puren uit angst. Dat doen die twee wereldgodsdiensten en daar walg ik van. Ze puren macht uit de existentiële angst waar ieder mens mee leeft, mee leven moet, uit de bange vragen die je bekruipen op een regenachtige avond aan zee. Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naartoe? Waarom ben ik op aarde? Wat ligt achter de donkere poort waar iedereen, ook ik, ooit door moet?
Ik heb in mijn jonge jaren meer sluiers gezien dan er vandaag in de straten van Brussel te tellen zijn. Veel meer. Van zuster Ambrosina tot mijn tante non. En al haar medezusters in hun donkere, neogotische klooster. En van honderden andere nonnen, elke dag opnieuw, op stadspleinen en dorpspleinen, in stations, scholen, kerken, parken, thuis. Daar waren wilde exemplaren bij. Witte kappen met hoog opstekende punten. Blauwe treurdoeken. Zwarte huiven, zo wijd als volwassen tenten. Alleen, wij vonden die niet vreemd, niets daarvan vonden wij vreemd, evenmin als wij de mannen vreemd vonden die, gehuld in jurken, eveneens zwart, ons de onwankelbare waarheden voorhielden van ons rotsvaste geloof. Of kaalgeschoren kerels in ruwe, bruine gewaden, bijeengebonden met een wit touw. Of volwassen mannen die verwijfd goudbrokaat over hun massieve schouders drapeerden, zomaar in de openlucht.
Na Vaticanum II, dus in de jaren zestig van de twintigste eeuw, werd het straatbeeld drastisch gerationaliseerd. De priesterjurken werden verknipt tot pakken. En duizenden nonnen rukten zich de kap van het hoofd. De nonnen waren niet weinig opgelucht. Duizenden kloosterzusters slaakten als uit één mond een zucht van verlichting. Prompt joeg een stormwind door katholiek Europa. Weg met de sluier. Weg met het zelfbedrog. Weg met het valse bewustzijn.
Vandaag wordt, eigenaardig genoeg, de sluier met grote hardnekkigheid verdedigd door mensen die geen spat islam aan hun lijf hebben. Ik wil hier niet beweren dat ze geen spat katholicisme aan hun lijf hebben, maar áls ze zich al tot het roomse geloof bekennen, is het tot een wel zeer verwaterde vorm. Het zijn vooral jonge mensen, ze hebben nooit het preconciliaire tijdvak moeten ondergaan, en daarvoor zouden zij de Here mogen prijzen, maar het heeft tot gevolg dat voor hen het katholicisme een onscherp begrip geworden is.
Inzake geloof zijn de jonge mensen van Belgische afkomst die vandaag uit progressieve, zeg maar linkse, overtuiging de hoofddoek verdedigen, hoofdzakelijk naïef. Of nee, onnozel, dat is de term. Onnozel betekent volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal onschuldig, zonder kennis van de wereld en dus licht te bedriegen. Inderdaad, die jonge mensen hebben geen flauw benul van de immense, wurgende kracht die een eeuwenoude wereldgodsdienst ontwikkelt zodra hij op een grens stuit die hem van buitenaf wordt gesteld. Ze hebben niet genoeg verbeeldingskracht om zich voor te stellen dat er mensen zijn die uit een of andere religieuze overtuiging werkelijk anders denken dan zij, maar dan ook totaal anders, en ook navenant zullen handelen. Woedend. Dictatoriaal. Als het moet moorddadig. Wat godsdienstzaken aangaat, baden die Belgische jonge mensen in het lauwe rozenwater van een slecht begrepen tolerantie, een weke onverschilligheid, een niet onprettige vaagheid. Bovendien vinden ze die hoofddoeken en djellaba's toch maar wát exotisch.
Als ze de hoofddoek verdedigen in krantenstukken, hebben ze het steevast over de kille neutraliteit waartoe een verbod op hoofddoeken aan loketten zou leiden. Zoals in Frankrijk, wordt er vaak aan toegevoegd - als afschrikwekkend voorbeeld, neem ik aan. Verbijsterend is dat. Ongeloofwaardig haast. Bedroevend. Mensen die het voorrecht hebben gekregen te studeren, horen beter te weten. Voor hen bestaat geen enkel excuus.
Een halve eeuw geleden gebruikten conservatieve katholieken in dit land exact díé woorden, 'kille neutraliteit', wanneer zij ten strijde trokken tegen de vrijzinnigen die de invloed van de katholieke kerk in het openbare leven binnen redelijke perken wilden houden. Dus hoogopgeleide, zichzelf als links en progressief inschattende mensen vandaag zeggen precies hetzelfde als antimoderne katholieken vijftig jaar geleden.
En dan beschimpen ze Frankrijk. De Franse republiek nam in 2004 een wet aan die het dragen van hoofddoeken in openbare gebouwen beperkt. In openbare scholen is de hoofddoek zelfs helemaal verboden. De Franse republiek heeft voor één keer de republikeinse beginselen en waarden ernstig genomen en werkelijk, met rigueur républicaine, toegepast. Op slag daalde een ijzige kilte over ons zuidelijke buurland neder, tenminste als ik vele progressieve, rode, groene en anderskleurige linkse mensen mag geloven.
In de regering van dat kille, neutrale Frankrijk, de hardvochtige republiek die volgens linkse, progressieve mensen dan ook alleen maar een racistische en islamofobe republiek kan zijn, zitten overigens een paar opvallende vrouwen van islamitische herkomst. Rachida Dati bijvoorbeeld. Zij is minister van Justitie. Niet staatssecretaris van consumentenzaken of van kindercrèches, nee, justitie. Een gezagsdepartement. Een sluitstuk van iedere democratie. Een sleutelpositie. Dat heeft bij mijn weten nog geen enkele partij in België, of ze nu links is, centrum of rechts, groen, rood, blauw of oranje, voor elkaar gebracht - of liever willen brengen. Mevrouw Dati komt uit een gezin van elf kinderen. Haar vader was een Marokkaanse metselaar. Haar moeder was Algerijnse. Mevrouw Dati draagt geen hoofddoek en beschouwt zichzelf als une fille française d'origine modeste, wat allerminst betekent dat ze haar Marokkaans-Algerijnse afkomst wegmoffelt. Opmerkelijk is dat mevrouw Dati door niet weinig groepen in de door geweld geteisterde banlieues wordt gehaat. Zij brandmerken haar als verraadster.
Mevrouw Dati werd benoemd door president Sarkozy, dezelfde Sarkozy die ongemeen hard uitgehaald heeft naar de relschoppers in de banlieues. Daar zat een hoop racaille bij elkaar, zei Sarkozy, gespuis dus, geteisem, uitschot, janhagel (wat kan onze taal toch mooi schelden!). Let wel, Sarkozy is zelf een migrant, tweede generatie van vaderszijde, van moederszijde vierde generatie. Zijn achtergronden zijn Hongaars en Grieks-Joods. Zijn vader hoorde dan wel bij de kleine Magyaarse adel (Nagybócsai Sárközy), maar hij heeft de Franse nationaliteit werkelijk niet op een bevoorrechte of zachtaardige manier verworven. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog ontvluchtte hij zijn land voor het Rode Leger. Hij nam dienst in het beruchte Franse vreemdelingenlegioen en kreeg zijn opleiding in Algerije. Pa Sarkozy kwam Frankrijk binnen door de verveloze achterdeur.
Nu heb ik de grootste bezwaren tegen het beleid en de stijl van Sarkozy, maar één ding moet ik hem nageven. Hij heeft onmiskenbaar het talent om waardevolle mensen aan te trekken. Hij noemt zichzelf dan wel rechts, maar geeft politieke opponenten ter linkerzijde het ene hoge ambt na het andere, zolang ze maar deskundig zijn en liefst nog een beetje briljant ook. Dat is niet zo simpel als het lijkt. Telkens opnieuw moet Sarkozy het luide gemor van zijn eigen partijgenoten trotseren. Telkens opnieuw kiest hij eigengereid de man die hij de enige juiste vindt, links of rechts of midden, het maakt Sarkozy niets uit. En de juiste vrouw natuurlijk.
Want je kunt mevrouw Dati onmogelijk een excuustruus noemen. In dezelfde regering zetelt ook Fadela Amara. Ook zij heeft broers en zussen zonder tal. Ook haar ouders kwamen uit Noord-Afrika. Ook haar vader was een doodgewone arbeider. Zij heeft de portefeuille van stedenbeleid - als er één controversieel beleidsdomein is in Frankrijk, dan wel dat. Fadela Amara is een gelovige moslima, daar laat ze geen twijfel over bestaan. Maar haar geloof is privé. Puur privé. Dus draagt ze geen sluier.
Voor Fadela Amara is de cruciale vraag niet: worden moslimvrouwen die in openbare dienst werken, gedwongen de hoofddoek af te leggen? Maar: mógen moslima's straks nog wel zonder hoofddoek gaan werken? Zal het hun niet worden verboden door broers, vaders, ooms, buren, door loodzware, niet zelden gewelddadige sociale druk? Door dwang? Ze keert het probleem dus copernicaans om. En ze weet waarover ze spreekt. Ze heeft in 2003 de beweging Ni putes ni soumises (Geen sletten geen slavinnen) op haar land losgelaten, ze heeft betogingen georganiseerd, onder meer een mars op Parijs, ze heeft de 'Staten-Generaal van de vrouwen uit de voorsteden' bijeengeroepen; dat alles tégen de gewelddadige druk die op jonge moslima's wordt uitgeoefend door de mannen uit hun omgeving, dwang om niet voort te studeren, om vroeg te trouwen, om de sluier te dragen. Dat het dwang is, harde, brute dwang, daarover laat ze geen twijfel bestaan, niet in haar boeken, niet in haar actie.
Fadela Amara wil dat de waarden van de Franse revolutie gelden voor iedereen en overal, ook in de banlieues. Ze zweert bij vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid en die waarden zijn volgens haar níét relatief, níét enkel bedacht door en bestemd voor blanke mannen. De waarden van de Franse revolutie zijn volgens Fadela Amara universeel. Voor het recht van de sterkste, voor tribale gewoonten, die trouwens vaak ouder zijn dan de islam, mag geen plaats worden ingeruimd, niet in Frankrijk, niet in Europa, in de hele wereld niet. Alleen de republikeinse wettelijkheid mag gelden. Fadela Amara heeft geen seconde geduld met religieus obscurantisme van de ene kant of cultureel relativisme van de andere kant. De sluier is onderdrukking. Machistische onderdrukking.

Dit is een bekorte versie van het essay.

Jan Goossens, zoon van Paul

.

Geert Van Istendael is in paniek en we zullen het geweten hebben: 'De sluier is onderdrukking. Machistische onderdrukking.' Voorts hebben ook 'jonge Belgen' van 'progressieve, linkse overtuiging' boter op hun hoofd, omdat ze, 'onnozel als ze zijn', de hoofddoek verdedigen. Echt opvallend is vooral dat Van Istendael zich er in zijn stuk 'Het masker van de dwang' (DS 23 augustus) op onmiskenbaar dwingende wijze toe beperkt problemen aan te kaarten en tegenstellingen op de spits te drijven, zonder zelfs maar een begin van een oplossing aan te dragen. Hij hanteert een uitgesproken verdeelstrategie: de islam en de Europese seculiere democratie worden als vreemde en voor eeuwig onverzoenbare blokken tegenover elkaar geplaatst. En op jammerlijk paternalistische wijze zet hij zichzelf en een deel van zijn generatie tegenover de 'naïeve, hoogopgeleide, zichzelf als links en progressief inschattende' jonge Belgen voor wie er 'geen enkel excuus' bestaat als ze niet tegen de sluier ten strijde trekken. Tja, wie klinkt hier als een dwingeland?
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat Van Istendaels stuk evenveel, zoniet meer, zegt over zijn blijkbaar traumatiserende opvoeding door katholieke nonnen als over de door hem zo verafschuwde sluier. In elk geval vind ik in zijn cassante tekst niets dat ook maar in de verste verte lijkt op een pragmatische bijdrage tot een gezamenlijke toekomst voor mensen en gemeenschappen met verschillende culturele en religieuze achtergronden, die wel allemaal Brusselaar en/of Belg zijn en 'gedoemd' om met elkaar samen te leven.
Ik zou me zonder twijfel aangesproken moeten voelen door Van Istendaels stuk. Ik ben immers hoogopgeleid, beschouw mezelf als progressief en voel niet de minste behoefte om van de Brusselse daken te schreeuwen dat de hoofddoek altijd weer voor vrouwenonderdrukking zorgt in deze stad. Ik denk echter dat we vandaag belangrijker kopzorgen hebben in Brussel: gelijke kansen, goed onderwijs, werkelijk participatieve democratie, een minder giftige internationale context. Misschien zou het nuttiger zijn dat we ons boos maken en vragen stellen over de 20 procent werklozen en over het feit dat een Brusselaar op de vijf onder de armoedegrens leeft? En over het feit dat de meeste van die armen wonen in wijken met veel allochtonen die het nog altijd heel veel moeilijker hebben om aan een job te geraken? En is het niet bedroevend dat deze stad nog altijd de speelbal blijft van kortzichtige Vlaamse én Franstalige nationalisten die nog steeds niet door hebben dat zowat de helft van de Brusselse bevolking van allochtone origine is, terwijl die realiteit helemaal niet weerspiegeld wordt in de achterhaalde politieke structuren en beslissingsmechanismen?
Ten slotte maak ik me zeker zorgen over rabiaat onverzoenlijke opiniestukken waarin de islam wordt beschouwd als een fremdkörper dat volledig buiten en zelfs haaks op onze Europese traditie staat en dat eigenlijk altijd fundamentalistisch van aard is. En waarin de emancipatorische realisaties en groeikansen van jonge Belgische moslims niet alleen straal genegeerd worden, maar eigenlijk gewoon ontkend. Alsof de islam niet al sinds de 7de eeuw deel uitmaakt van onze Europese traditie, maar handig uit de meeste geschiedenisboeken is weggegomd. Alsof die islam geen verschillende stromingen kent en alsof het geloof van zeer vele moslims in Europa niet net zo goed gekleurd is door ons Europese samenlevingsmodel als dat van vele - maar zeker niet alle - katholieken. Alsof emancipatiegolven niet op de eerste plaats in beweging komen door opbouwende kritiek en contestatie van binnenuit, veel meer dan door onverbiddelijke criticasters aan de zijlijn.
Het is mijn voorrecht dat ik in mijn job geregeld in contact kom met jonge Belgen van Maghrebijnse afkomst, van wie sommigen gelovige moslims zijn, en anderen niet. Maar, ook al zijn ze dan niet in Frankrijk opgegroeid, geëmancipeerde, onafhankelijke en kritische geesten zijn het allemaal. Heeft Van Istendael ooit al een genuanceerd gesprek over de hoofddoek gevoerd met de vrij briljante KUL-sociologe Nadia Fadil, die niet moet onderdoen voor de door hem verafgode Rachida Dati? Heeft hij al eens van gedachten gewisseld met filosoof Tarik Fraihi en met UG-docent Sami Zemni over de zin en onzin van een 'Europese Islam'? Heeft hij al eens meegemaakt hoe Brussels stand-up comedian Sam Touzani na zijn voorstellingen harde gesprekken met bepaalde jongeren uit zijn gemeenschap aangaat, zonder hen ooit in het gezicht te hoeven smijten dat ze machistische onderdrukkers zijn? Die termen gebruik je enkel als je zogenaamde emancipatorische pleidooi de verborgen agenda maskeert dat je eigenlijk wil dat elke constructieve dialoog stopt.
Vrijzinnigen, katholieken, moslims en vele anderen kunnen niet anders dan in onze grote steden samenleven, of ze het nu willen of niet, zoals dat al heel lang het geval is. Daar is een gezonde dosis zelfkritiek voor nodig en open - en zonodig harde - dialoog. Uiteraard moet de scheiding van kerk en staat gevrijwaard blijven, ook al is het zeker niet alleen het legitieme en door Van Istendael aanbeden Franse model dat daartoe de garantie biedt. Maar het heeft geen enkele zin dat we onze tijd verliezen met symbooldiscussies, gebetonneerde standpunten en paternalistische retoriek die de clash of civilizations als een onvermijdelijke self-fulfilling prophesy over ons afroepen.
Alle respect voor Van Istendael, maar van een intellectueel van zijn kaliber had ik in een complexe en uitdagende stad als Brussel een visie verwacht die ons vooruit helpt en liefst ook een beetje dichter bij elkaar brengt. Het is best mogelijk dat we als jonge Belgen wel eens naïef uit de hoek komen en van de dialoog met voorgaande generaties valt er meestal iets op te steken. Maar de onverzoenlijke betweterigheid die andersdenkenden als 'onnozel' afschrijft en de moslims in onze steden en ons land als fremdkörper afschildert en hun aan de gang zijnde emancipatie niet steunt maar negeert, helpt ons geen meter vooruit. Na jaren in Brussel vind ik de hoofddoek allesbehalve 'exotisch' en heb ik geen enkele behoefte hem militant te verdedigen. Daarnaast levert het me in Brussel vandaag evenmin iets op om er rabiaat tegen te zijn. Eigenlijk kan die hoofddoek me gestolen worden. En de fatwa's tegen die hoofddoek van bange intellectuelen die ons een angstpsychose willen aanpraten al evenzeer. Nee, niet alle moslima's met hoofddoek zijn vandaag onderdrukte vrouwen die geen eigen keuzes kunnen maken. Het is niet aan die bange intellectuelen om agressief te roepen dat die hoofddoek uit het straatbeeld moet. En ja, er is plaats voor de islam in Europa, al was het maar omdat die er altijd geweest is. Wie de islam telkens weer herleidt tot de hoofddoek en bij die hoofddoek enkel aan 'machistische onderdrukking' kan denken, lijkt me zelf een dwingeland eerste klas.

Jan Goossens is artistiek leider van de KVS
.